Waar stond de Vinkenbroekse kapel?

Afgelopen half jaar heb ik meerdere naamkundige artikelen over de middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis en historische topografie van de Noord-Brabantse noordwesthoek geschreven. Tijdens dit onderzoek kwam ik meermaals de buurtschap Vinkenbroek tegen, een historisch straatdorp tussen Wouw en Roosendaal. In een eerder artikel heb ik laten zien dat zelfs over zulke kleine gehuchtjes behoorlijk wat historische gegevens zijn te verzamelen.

buurtschap Vinkenbroek

Hier gaat het mij om het volgende vraagstuk; in Vinkenbroek stond vanaf de late middeleeuwen (1450 – 1700) een kapel die bij de Wouwse Sint-Lenaards-processie op de zondag voor Pinksteren bezocht werd.1 De Vinkenbroekse kapel wordt in deze hoedanigheid in het oudste Wouwse schepenprotocol van 1507 voor het eerst genoemd (RAW inv. 1, f.45v). Deze processie was één van de hoogtepunten van het kerkelijk jaar voor de parochie Wouw. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van de volgende aantekening uit de vroege 17e eeuw :

anno 1619 soo heeft de groote ommeganck weder gegaen voer de ierste reyse lancx Vinckelbroeck met menichte volcx ende vier gulden, die waren den ed hantboge van Sinte Sebastiaen alhier, alsoock de cruysboge van alhier, item den hantboge van Halteren ende den cruysboge van Vroenhout…

Rijksarchief ‘s-Hertogenbosch, Wouw inv. R115; vermoedelijk RAW inv. 115

Een belangrijke kapel dus voor de middeleeuwse en vroegmoderne tijdgenoot in de parochie Wouw. Dat blijkt ook uit een aantekening uit de 18e-eeuwse (Latijnstalige) pastoorskroniek van Gerard Hoffmans (1770) waarin de kapel van Vinkenbroek als volgt wordt beschreven:

De vierde kapel was in Vinckenbroeck, waarvan in 1646 nog steeds de muren overeind stonden en het gebouwtje was vanouds geschikt om diensten in te houden2 (ed. Van Hoeck 1943: 85)

In zijn kroniek geeft Hoffmans echter geen aanwijzingen voor de ligging van het gebouw. Ook in de wetenschappelijke literatuur is deze middeleeuwse kapel nooit gelokaliseerd. In de rest van dit artikel wil ik daarom de gegevens die ik hierover heb gevonden bij elkaar zetten en zo de locatie van deze kapel nader bepalen.


De grens tussen Wouw en Vinkenbroek

Van Hasselt & Weijnen (1948: 122) stelden in het waardevolle boekje “De plaatsnamen van Roosendaal” voor dat de Vinkenbroekse kapel aan de Bulkstraat op de grens tussen Vinkenbroek en Wouw kan hebben gestaan. Dit lijkt mij echter onwaarschijnlijk want in de 15e en 16e-eeuwse visitatierapporten (1480 – 1504) waar de grenspunten tussen Wouw en Roosendaal worden besproken komt de kapel van Vinkenbroek niet voor (cf. NDR RRB inv. 110). Volgens deze rapporten liep de grens bij Vinkenbroek dwars door een hofstede die “Heijn Joos Russaerts huijsinghe” werd genoemd. In een getuigenverklaring uit 1504 beschrijft een getuige met de naam Harman Jan Lamszoon dat de schout en schepenen van Wouw voor inspecties van de wegen en wateren deze hofstede via de hedendaagse Bulkstraat bereikten en daarna dwars door de akkers over een zandpad terug naar Wouw keerden (zie Van Ham 1975: 127).

Dit alles betekent dat de kapel van Vinkenbroek oostelijker moet hebben gelegen dan de grens tussen Wouw en Vinkenbroek. Dit wordt bevestigd door een schetskaartje uit 1525 waarin de grenspunten tussen het land van Bergen en van Breda zijn ingetekend (GAR inv. M10675). Op dit kaartje zien we dat de kapel van Vinkenbroek als apart oriëntatiepunt ten oosten van Heijn Joos Russaers hofstede staat aangegeven.

De cappelle van Vijnckenbroeck” Gemeente-archief Roosendaal M10675

Het cijnsregister van 1560

Andere aanwijzingen voor de locatie van de Vinkenbroekse kapel komen uit een Bergen-op-Zooms cijnsregister uit 1560. Hierin vinden we vier cijnsposten plus perceelbeschrijvingen met de kapel van Vinkenbroek als bijgegeven plaatsbepaling. Het gaat hier om landbouwpercelen die bij de hoeves aan de Bulkstraat hoorden, allen tussen de één en anderhalve Roosendaalse gemet groot (0,43 ha en 0,645 ha). Hieronder een voorbeeld:

Uijt geert de tappers thijSen comende van Jan de tapper huijs ende hoff te Vinckenbroeck bij de capelle met een gemet landts daer aene” (ARR BoZ inv. 1350, 53r)

Het kadaster van 1832 laat zien dat de Vinkenbroekse percelen op de grens tussen Wouw en Roosendaal dan afvallen omdat de meeste te groot zijn. Bij de kruising van de Bulkstraat met het Kreukelstraatje en de vlak daarachter liggende kruising met de Boeiinksestraat bevinden zich daarentegen wel meerdere percelen van ruwweg de grootte die in het register van 1560 gegeven wordt. Dit zou daarom dan ook een veel aantrekkelijkere locatie voor de Vinkenbroekse kapel zijn.

Percelen van ongeveer 1 of 1,5 gemet groot. tekening: Kerkhof. Onderlaag kadaster 1832

De kaart van 1769

Doorslaggevend bewijsmateriaal voor deze aanname komt uit een kaart van de Sint-Bernardussabdij te Hemiksem die in 1769 getekend is en waarvan een kopie uit 1817 bewaard is gebleven. Deze Sint-Bernardusabdij bezat de kerkelijke tienden (een soort belasting) van de parochie Wouw alsook enkele belangrijke dorpspercelen. De bovengenoemde kaart is vervaardigd ten tijde van de parochiekroniek van Hoffmans dus we mogen verwachten dat de kapel erop staat afgebeeld. En ja hoor; op de kaart van 1769 staat ten noordoosten van de kruising van de Bulkstraat met de Boeiinksestraat het woord “capel” geschreven.

Kaart van de tiende van Sint-Bernard, BHIC 343, inv. 2466

Aangezien dit in overeenstemming is met de boven gegeven overwegingen, kunnen we vrij zeker zijn dat hier de correcte locatie van de Vinkenbroekse kapel staat aangegeven en zo zijn we een waardevolle aanwijzing over de middeleeuwse topografie van de parochie Wouw rijker.

locatie kapel. tekening: Kerkhof. Onderlaag kadaster 1832

Tot slot nog het volgende; een paar weken geleden realiseerde ik mij dat ik jarenlang elke dag door Vinkenbroek heen ben gefietst, op weg om mijn dementerende grootmoeder te bezoeken. Al die jaren heb ik nooit geweten dat die min of meer willekeurige verzameling boerderijen vroeger een heus dorp was. Ik vind het daarom best bijzonder dat ik nu, bijna twintig jaar later, in eeuwenoude registers en kaarten toch iets nieuws over deze plek heb weten te ontdekken.


Voetnoten

1 In de Wouwse parochiekroniek van Gerard Hoffmans (1770) lezen we over het feest van Sint-Lenaard: “elk jaar op de zondag voor Pinksteren was er zo’n grote toeloop van volk (bij de kerk van Wouw) dat die dag wel veertig en meer karren met aardewerk en steengoed (in de volkstaal aardewerck of gelyewerck) zwaar beladen aankwamen en een soort van markt hielden“, vertaald uit “quotannis Dominica ante Pentecostem tantus erat concursus populi ut eo die quadraginta currus et ultrae solis in instrumentis vel mobilibus ex luto et latere confectis (vulgo aardewerck vel gelyewerkc) onusti adventarent et speciem nundinarium constituerent” (Van Hoeck 1943: 32)

2 “Quartum sacellum fuit in Vinckenbroeck, cujus adhuc muri et parietes anno 1646 existebant, eratque formatum ab antiquo ut divina in eo celbrarentur.” (Van Hoeck 1943: 85)

Bibliografie

ARA BoZ = Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom
inv. 1350, legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Roosendaal, Kruisland en Langendijk.

Brabants Historisch Informatie Centrum, toegangsnummer 343 Collectie kaarten en tekeningen van het Rijksarchief in Noord-Brabant, ca. 1500- ca. 2000, inv. 2466, kaart of tweede deel van de tiende onder Wouw, Heirel, Moerstraten, Nassau en Cruyslandt toebehorende aan de abdij van sint Bernard

Gemeentearchief Roosendaal, inv. M10675, manuscriptkaart van het noordwestelijk gedeelte van het hertogdom Brabant

Van Ham, W. (1975). ‘Breda contra Bergen op Zoom: vijf eeuwen strijd om de grenzen (II)’. Jaarboek de Oranjeboom 28, 95-134.

Van Hasselt, R. & A.A. Weijnen (1948). De Plaatsnamen van Roosendaal. Jaarboek De Ghulden Roos 8, Roosendaal.

Van Hoek, F. (1943). ‘Jaarboeken der parochie Wouw II,’ Taxandria; tijdschrift voor Noord-Brabantse geschiedenis en volkskunde 50, 73-95.

NDR = Nassause Domeinraad: Raad en Rekenkamer te Breda I, Inv. 110, Stukken aangaande de regeling van de grens tusschen het land van Breda en dat van Bergen op Zoom, van Halsteren tot Sprundel

RAW = West-Brabants archief 0388, Rechterlijk archief Wouw inv. 1, Schepenprotocol 1507-1511

Hoe klonk de Oudnederlandse th-klank?

Naar aanleiding van het Rotta-filmpje (een educatief filmpje waarin elfde-eeuws Nederlands wordt gesproken) heb ik veel vragen gekregen over hoe taalreconstructie precies werkt. Taalreconstructie is een verdienste van de vergelijkende taalwetenschap die hiervoor gebruik maakt van een gevestigde taalwetenschappelijke methode; het achterhalen van de historische wetmatigheden waarmee de klanken van een taal door de eeuwen heen zijn veranderd. Door deze wetmatigheden terug te volgen (van de moderne dialecten via de middeleeuwse dialecten tot de voorhistorische taalfase) en te vergelijken met de wetmatigheden in verwante talen kan de klankstand van een niet overgeleverde taal gereconstrueerd worden.

Hoe de methode precies werkt is een beetje ingewikkeld, maar kan geïllustreerd worden aan de hand van een versimpeld voorbeeld; in de Oudnederlandse teksten vinden we bijvoorbeeld een klank die geschreven werd met de lettercombinatie th, bijvoorbeeld in het Oudnederlandse woord thing (=ding). In de latere Nederlandse dialecten vindt men een d op de plek waar vroeger deze th stond. Daarom luidt het Modernnederlandse woord: ding, met een d-klank aan het begin.


Th in verwante talen

In het Engels en het IJslands begint ditzelfde woord met een th-klank (Engels thing, IJslands thing), een klank die gemaakt wordt door met je tong tussen je tanden een sissend geluid te maken. Opvallend is dat Engels-IJslandse woorden met th-klank nooit corresponderen met Oudnederlandse woorden die met d of t beginnen. Andersom correspondeert een Oudnederlandse th altijd met een Engels-IJslandse th; de klankreeksen worden in de verschillende talen dus perfect uit elkaar gehouden!

NederlandsOudnederlandsEngelsIJslands
dingthingthingthing
dochterdochtardaughterdóttir
tientententíu

Hieruit volgt dat het onderscheid tussen deze klanken erg oud is en teruggaat tot een fase waarin het Nederlands, Engels en Scandinavisch nog niet uit elkaar zijn gegaan. In deze prehistorische Germaanse vooroudertaal had men dus drie verschillende klanken die corresponderen met de bovengegeven drie klankreeksen.

De vraag is nu hoe deze klanken uitgesproken werden. De d-reeks en de t-reeks bieden dan geen probleem, want zij wijzen allen naar dezelfde klank. Alleen de th-reeks is problematisch want het Nederlands heeft een d waar de andere talen (waaronder het Oudnederlands!) een th hebben.

Het is daarom aantrekkelijk om aan te nemen dat het oudste Germaans ook de Engels-IJslandse th-klank had en dat deze oude th-klank, net zoals in het Engels en het IJslands, bewaard is gebleven in het Oudnederlands. Later pas is deze Oudnederlandse th in een Nederlandse d veranderd, waardoor deze klank samenviel met de oudere Germaanse d die we in dochter zien.

GermaansOudnederlandsModernnederlands
th> th> d
d> d> d
t> t> t

De klanken van het Oudnederlands lagen dus erg dicht bij de klanken van het Engels en het IJslands; in al deze talen begon het woord voor “ding” met een th-klank, het woord voor “dochter” met een d en het woord voor “tien” met een t.

In de loop van de twaalfde eeuw heeft in het Nederlands de klankontwikkeling van th naar d plaats gehad. De plaatsnaam Dordrecht werd in de twaalfde eeuw namelijk nog als Thuredrith geschreven, maar in de dertiende eeuw als Dordrecht. Deze veranderde spelling vindt men natuurlijk niet alleen in het geval van Dordrecht maar in alle namen die eertijds met th begonnen (zo ook bv. Thelden naar Delden). In de dertiende eeuw hebben we dan het tijdvak van het Oudnederlands verlaten en zijn we in de Middelnederlandse taalfase terechtgekomen.

Belangrijk om te onthouden is dat elke oude th in deze positie (begin van het woord) in deze periode in een d veranderde. Alleen zo is te verklaren dat de vergelijking van klankreeksen tussen de verschillende verwante talen regelmatige overeenkomsten oplevert.


Latijns schrift en Runenschrift

Dezelfde conclusie (dat de Germaanse th-klank apart stond van de Germaanse d of t) kan ook afgeleid worden uit de middeleeuws spelling van het Oudnederlands in Latijns schrift. Deze spelling is namelijk gebonden aan de specifieke uitspraakregels die voor het Latijn golden. Het Latijn had namelijk wel een d-klank en een t-klank, maar geen klank zoals de Engelse th. Hiervoor had de klerk dus een creatieve oplossing nodig en werd de th-lettercombinatie uitgevonden.

Voor hun eigen runenalfabet hadden de Germaanssprekende volkeren trouwens een andere oplossing bedacht; ze hadden een letter ontworpen die precies deze th-klank weergaf, namelijk de runeletter , ook wel thorn genaamd (naar de doorn-vorm van het runeteken). In de middeleeuwen hadden de Engelse monniken dit runeteken opgenomen in het Latijnse alfabet; het bood namelijk een makkelijkere oplossing dan de omslachtigere th-spelling!

de thorn-letter þ in het woord theod op het eerste blad van het Oudengelse Beowulfgedicht

Leenwoorden in het Nederlands

Ook de overdracht van leenwoorden kan wat vertellen over de Nederlandse uitspraak van duizend jaar geleden. Dat kan door het klanksysteem van de gevende taal en de ontvangende taal met elkaar te vergelijken en vast te stellen hoe deze klanksystemen zich tot elkaar verhielden.

Hier een voorbeeld uit de negende en tiende eeuw toen Vikingen onuitgenodigd de Lage Landen bezochten. Deze Scandinaviërs spraken een taal die de voorouder was van het IJslands. De Vikingen hadden namen waarin ook diezelfde th-klank voorkwam die we in het IJslandse woord thing tegenkwamen. Omdat sommige van hen in de Lage Landen zijn blijven wonen, zijn Noorse Vikingnamen zoals Thorgeir, Thorgisl en Thorolfr in latere Nederlandstalige bronnen terug te vinden als Dorgher, Dorghis en Dorolf. Hieruit blijkt dat de Oudnoorse th-klank onze taal is binnengekomen toen ook het Nederlands nog de th-klank had zodat de ontleende namen dezelfde th > d klankontwikkeling van de twaalfde eeuw door konden maken.


Conclusie

Door al deze puzzelstukjes met elkaar te combineren kunnen we dus met grote zekerheid zeggen hoe de Oudnederlandse klank die geschreven werd met de th lettercombinatie daadwerkelijk uitgesproken werd. En diezelfde puzzel kan voor élke klank van het Oudnederlands gemaakt worden zodat we na meer dan een eeuw wetenschappelijke bestudering van de taalgeschiedenis van het Nederlands een goed overzicht hebben van hoe onze taal duizend jaar geleden geklonken moet hebben.

Deze bijzondere verdienste van de historische taalwetenschap is in 1952 door de Amsterdamse taalwetenschapper Mina Colis als volgt beschreven:

“Taalgeschiedenis is in beginsel de zwartste der zwarte kunsten! Het enige middel om de geesten van verdwenen eeuwen opnieuw tot leven te wekken!”

Het moge hiermee duidelijk zijn dat we in de vergelijkende taalwetenschap een belangrijke historische discipline hebben die een uitzonderlijk venster op het verleden verschaft.


Bibliografie

Beekes, R.S.P. (1990). Vergelijkende Taalwetenschap; Tussen Sanskriet en Nederlands. Zeist: Spectrum.

Van Bree, C. (1977). Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands; deel 1 Gotische Grammatica, Inleiding, Klankleer, Universiteit Leiden.

Leys, O. (1955). “Namen van Skandinavische oorsprong in West-Vlaanderen”, in: Mededelingen van de Ver. voor Naamkunde te Leuven en de Comm. voor Naamkunde te Amsterdam 31 (1955), 172-174.

Weijnen, A.A. (1968). Het schema van de klankwetten, Nederlandse taalgeschiedenis, Assen: Van Gorcum & Comp.


Noot aan de lezer

Let op! De vergelijkende methode is een nauwkeurig proces dat alleen werkt als we de klanken van een woord in hun oudste vorm in een precies omschreven fonologische omgeving vergelijken! Voor een doorwrochte inleiding tot de methode van klankreconstructie kan ik Robert Beekes’ boek uit 1990 aanbevelen (Vergelijkende taalwetenschap: een inleiding in de vergelijkende Indo-europese taalwetenschap).

Wie een goed overzicht wil hebben van de klankwetten die van het Oudgermaans naar het Nederlands leiden kan het mooie boekje van A. Weijnen “het schema van de klankwetten” uit 1968 raadplegen. Ook het recent (2016) herziene “Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands” van Cor van Bree (1ste ed. 1977) is zeer de moeite waard.

Verdwenen hoeves op het Brabantse platteland

Wanneer je op een topografische kaart van Nederland kijkt, zul je zien dat rond veel dorpen kleinere gehuchtsnamen ingetekend staan. Deze gehuchten zijn tegenwoordig vaak al verdwenen of niet veel groter dan een paar boerderijen langs een boerenweg. In dit artikel verken ik de oorsprong van een gehucht dat ten zuiden van het Oost-Brabantse dorp Haps ligt. Uit deze verkenning zal blijken dat we aan de hand van zo’n gehuchtsnaam ver terug de plattelandsgeschiedenis in kunnen.


ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Haps eigenlijk ligt

In het noordoosten van het oude hertogdom Brabant niet ver van de Maas, in de oude heerlijkheid Cuijk, lag het middeleeuwse dorpje Hoeps, het tegenwoordige Haps.1 Dit dorpje bestond uit een aantal boerderijen rond een centrale driehoekige weide, gelegen aan een noord-zuid lopende weg van Cuijk naar Wanroij. Ten westen van de weide stond een middeleeuwse kapel (de latere parochiekerk) en ten oosten lag het kasteel van de heer van Haps. Om de dorpskom heen lagen verschillende boerenhoeves met hun akkercomplexen.

pentekening Sint-Nicolaaskerk te Haps. Volgens R. van den Brand van ca. 1750
tekening overgenomen van BHIC-website zonder verwijzing

In de pre-industriële tijd waren deze omringende hoeves minstens net zo belangrijk als de dorpskom zelf. De boerderijcomplexen van de Laaracker, de Steenacker, de Hueff en de Alde Singhe (het latere Cinquant) boden onderdak aan honderden cijnsboeren en gaan in ieder geval terug tot de late middeleeuwen (1300-1500). Deze middeleeuwse boerenhoeves vormden heuse woonkernen waaruit later de dorpsgehuchten (ook wel buurtschappen genaamd) ontstonden. Eveneens gelegen op een oud stuk cultuurland, ten zuiden van de dorpskom, vinden we het gehucht Putselaar. In de rest van dit artikel zal ik proberen wat licht te werpen op de raadselachtige oorsprong van dit gehucht.

Historische buurtschappen rond Haps op een moderne topografische kaart

Het Putsel

De bouwlandkavels waaromheen het gehucht Putselaar ontstond, krijgen we pas relatief laat in beeld; in een vroeg-achttiende-eeuwse notarisaantekening uit 1711 vinden we een boerderij gelegen in “het Putsel” aangeduid als een huis met moestuin waarbij 4 morgen bouwland hoorden (ca. 4 ha).2 Dit landgoed behoorde toe aan de broers Pouwel Jans en Jan Gerrits en was hen toegekomen via hun moeder, een zekere Heiltje Jans. Volgens de kerkelijke begraafboeken van Haps werd Heijlkens Jans “op het Putsel” op 10 juli 1694 begraven.3 Dit is daarmee ook de oudste vindplaats van de naam.

oudste vindplaats “Het Putsel”

De naam komt daarna geregeld in notaris- en schepenaantekeningen uit de achttiende eeuw voor; zo wordt in een aantekening uit 1783 een bouwhoeve in “het putsel” omschreven als een huis met opberghok, bakoven, put en moestuin ter grootte van ongeveer 100 roeden (= 1 hond, ca. 200 m2).4 Denkelijk is dit dezelfde boerenhoeve als die van 1711.

Uit latere aantekeningen leren we dat het land van “het putsel” geclassificeerd stond als vrij allodiaal erf, wat betekent dat de eigenaar geen “belasting” betaalde aan de heer van Haps (zie ook Van Den Brand 2009: 405). Deze eigendomssituatie is vrij uitzonderlijk en duidt meestal op een oude middeleeuwse ontginning. Omdat “het putsel” dus buiten de heerlijkheid Haps lag, hoeft het niet te verbazen dat op de oudste kaart van de heerlijkheid, gemaakt in 1738, de hofstede niet staat afgebeeld.

kaart van de heerlijkheid Haps, door Joh. Brückner (1738). Noorden is rechtsonder. kaart overgenomen uit Van den Brand (2009: 66-67)

Op de Tranchotkaart uit 1804 staat het gebied rond het huidige Putselaar wel ingetekend. Bij de driesprong van de weg naar Cuijk met de relatief jonge doorlopende weg van Wanroij naar Beugen vinden we een akkercomplex waarbij de naam “Het Putselle Rumen” staat geschreven . Deze naam moet waarschijnlijk gelezen worden als Putseller Rumen, dat wil zeggen “het Putselaar Ruim”.5

“Het Putselle Rumen” op de Tranchotkaart (1804)

De notarisaantekening uit 1711 maakt duidelijk dat het goed waarop de bouwhoeve“het Putsel” gelegen was, bestond uit het boerderijerf plus vier morgen land (ca. 40000 m2). Op de Tranchotkaart van 1804 vinden we in het zuidwesten van “het Putsele Rumen” een rechthoekig perceel dat aan de gegeven areaalgrootte voldoet. Aangezien de andere percelen met huis en hof die we op de Tranchotkaart herkennen een stuk kleiner zijn, is het waarschijnlijk dat dit het perceel van 1711 is.6

GIF-animatie van het erf met bouwland van 1711; van 1832 tot 2019

Het middeleeuwse blok

Op dezelfde kaart zien we rondom het voornoemde perceel de omtrek van een oud blok bouwland, omzoomd door bomen, dat ongeveer 35 hectare groot is en ten oosten van de oude zandweg van Cuijk naar Wanroij ligt. Met dit blok zal ergens in de hoge of late middeleeuwen de ontginning van “het putsel” begonnen zijn.

Waar de middeleeuwse hofstede heeft gestaan is onduidelijk. Het is mogelijk dat op het perceel van 1711 ook de middeleeuwse hofstede lag. Het is echter ook denkbaar dat de hofstede dichter bij de noord-zuid weg van Cuijk naar Wanroij lag. Interessant is in ieder geval dat volgens het oudste kadastrale minuutplan de bouwhoeve van 1711 niet direct met deze noord-zuid weg verbonden was, maar via een kleinere zandweg die vanuit het zuiden kwam. Dat zou een aanwijzing kunnen zijn dat het blok ouder is dan de weg van Cuijk naar Wanroij en de weg zodoende om het blok heen is geleid.

In de loop der tijd is het blok opgedeeld in kleinere percelen met verscheidene afhankelijke boerderijtjes. Doordat het goed niet leenroerig was aan de heerlijkheid van Haps hebben we geen oude gegevens uit de Hapse dorpsarchieven over wie het allodiale goed van “het Putsel” vóór het einde van de zeventiende eeuw bezat. Wellicht dat een gerichte zoektocht door de inkomstenregisters van het land van Cuijk nieuwe gegevens over dit vraagstuk oplevert.7

het oude blok van “het Putsel”

Etymologie

Dat het hier om oud bouwland gaat, blijkt ook uit de naamgeving. Zoals vermeld geven de oudste vindplaatsen de naam “het Putsel” maar vanaf 1761 komen we ook de naam “Putselaer” tegen.8 De wisseling tussen Putsel en Putselaer is te verklaren vanuit een dubbelbenaming Putsele Putselaer. De taalkundige elementen -le (een verkorte vorm van loo) en –laer zijn beiden veldnamen die wijzen op een bosrijke omgeving, wat past met de ligging op een terrasrestvlakte aan de rand van de heide (zie Theunissen & Spek 2009: 21). Gezien het feit dat “het putsel” in de historische bronnen de oudere van de twee namen is, zou men de samenstelling Putselaer als een secundaire woordvorming naar het voorbeeld van andere laar-namen kunnen beschouwen.9   

Maar wat betekent dat eerste element putse- nu precies? Dat is tot op heden een onopgeloste kwestie. De naamkundige Dittmaier (1963: 80) stelde voor dat het om een relatief jonge afleiding bij het woord put zou kunnen gaan gebaseerd op de genitief puts. Een samenstelling die jonger is dan de late middeleeuwen zou echter hoogst ongebruikelijk zijn voor het veelal oude naamkundige element laer. Ook het Modernnederlandse woord putse “leren emmer” waar Samplonius en Berkel (2018) aan denken is pas vanaf de late zestiende, vroege zeventiende eeuw overgeleverd en dus geen waarschijnlijke kandidaat (zie ook MNW s.v. putse).

Ik wil voorstellen dat het element putse– in Putselaar ontleend is aan het middeleeuws Waalse woord voor “put”. In het Waals was het woord voor put namelijk precies “putse” (Oudwaals puche, vgl. Modernfrans puits), een woord dat als naamkundig element ook benoorden de taalgrens te vinden is (zie Van Durme 1996: 108). In Vlaanderen vinden we dan ook namen als Putse (Hemelveerdegem), Putsenborre (Moerbeke), Putsenbroek (Moerbeke) en Putsemein (Geraardsbergen). Dat een Waals woord opduikt als veldnaam in Noord-Brabant klinkt wellicht raar, maar eerder onderzoek heeft uitgewezen dat via de tweetalige kanselarijen van de Brabantse landsheren wel meer Waalse veldnamen in Noord-Brabant terecht zijn gekomen.10

Hier is het belangrijk om op te merken dat de heren van Cuijk nauwe banden onderhielden met adellijke families uit België en Luxemburg waarmee geregeld huwelijken werden aangegaan.11 Ook was Albert van Cuijk, de zoon van heer Hendrik II van Cuijk, bisschop van Luik van 1194 tot 1200. Deze link met Luik verklaart ook hoe Wilhemus de Hops, de eerste ons bekende edelman van het geslacht van Haps, in 1201 in Luik kanunnik aan het Sint-Lambertuskapittel was geworden (zie ook Van den Brand 2009: 77-78). Er waren dus zeker connecties tussen het land van Cuijk en Waalstalig gebied en het is daarom geen vergezochte aanname dat de Cuijkse landsheren in hun kanselarij over tweetalige volgelingen beschikten.

Als deze etymologie correct is, hebben we ook een aanwijzing voor de ouderdom van de naam Putselaar. Het zou dan aannemelijk zijn dat de naamgeving samenhangt met de vroege landsheren van Cuijk uit de late twaalfde en vroege dertiende eeuw.12 Mogelijk heeft in deze periode een telg van de Cuijkse dynastie deze ontginning in eigendom gekregen en is het landgoed daarna apart gehouden van de rest van de heerlijkheid Haps.

GIF-animatie van Haps volgens de Tranchotkaart van 1804 en de OSM kaart van 2020

Conclusie

De vroegste middeleeuwse geschiedenis van het dorp Haps is in nevelen gehuld. Tot op heden is deze geschiedenis verteld zonder daarbij het gehucht Putselaar te betrekken om de begrijpelijke reden dat de naam pas laat in de bronnen opduikt. Ik hoop in dit artikeltje duidelijk te hebben gemaakt dat zowel de naam als het blok wijzen op een hoge ouderdom van de ontginning. Én dat achter alledaagse gehuchtsnamen op het platteland vaak een fascinerend stukje middeleeuwse geschiedenis schuilgaat.

Verder zou het zomaar kunnen dat onder het perceel van 1711 een belangrijk puzzelstukje van de middeleeuwse geschiedenis van het dorp Haps verborgen ligt. De oorsprong van het gehucht “Putselaar” nodigt in ieder geval uit tot vervolgonderzoek.13


voetnoten

1 Voor de verklaring van de etymologie van Haps is de vergelijking met het Oudengelse woord hōp “natuurlijke ophoging in het landschap” het meest overtuigend (Van Veen & Van der Sijs 1997; 385). De spelling met lange /ā/ <ai> kan uitgelokt zijn door de samenval van /ā/ en /ō/ in het Oost-Brabants.

2 zie Index notarieel protocol Cuijk (7127.1)

3 De overlijdensaantekening is te vinden op p.147 van Rooms-Katholiek begraafboek 1655-1723 Gemeente Haps (inv.2).

4 zie Index schepenprotocol Cuijk (7040.419)

5 Samplonius en Berkel (2018) lezen “het Putselte” op de Tranchotkaart maar deze lezing lijkt onwaarschijnlijk. Zij veronachtzaamt bovendien het daarop volgende “Rumen“.

6 In 1711 kwam het perceel van Heiltje Janss, de moeder van de voornoemde twee broers die het perceel later verdelen. Wellicht is het relevant dat de familie Jans blijkens de Tranchotkaart in 1804 ook het stuk land ingeklemd tussen het Putselaar en de Alvoortseweg bezat.

7 in het kadaster van 1832 behoort het grootste deel van “het Putselaar” toe aan Gerrit Jacobs, waarbij het perceel van 1711 als zijn “huis en hof” wordt aangemerkt (kadastrale kaart 1811-1832, aanwijzende tafel, sectie B, blad O17).

8 Zie Index schepenprotocol Cuijk (7040.441)

9 Voor de vroegste periode kan dit zeker correct zijn, want het komt vaker voor dat oude le-namen vervangen worden door jongere laar-namen. Toch zal ook de samenstelling met –laer oud zijn; bezuiden “het Putselaar” vinden we namelijk de veldnaam “het Beddelaar”, een belangrijke aanwijzing dat deze omgeving al lange tijd aangeduid werd met een laer-naam.

10 In eerdere artikelen (Kerkhof 2020a; 2020b) heb ik reeds de Waalse oorsprong van de Brabantse veldnamen saer en triest behandeld. Ook in Kerkhof (2018) wordt gesproken over hoe veldnamen door tweetalige elites over de taalgrens werden gebracht.

11 Denk aan de huwelijken van de heren van Cuijk met het huis Van Chiny en het Huis van Zelhem (zie Van den Brand 2009: 86).

12 Een andere oplossing zou zijn om de naam Putselaar te verbinden met grondbezit dat samenhangt met het vroeg-dertiende-eeuwse huwelijk van Hendrik III van Cuijk met de dochter van Jan van Put (de heer van de Zuid-Hollandse heerlijkheid Putten). Dit lijkt echter weinig waarschijnlijk.

13 Gelukkig is bij de aanleg van de N264 autoweg in 2017 het oude blok van Putselaar niet verstoord. Het is dus wellicht interessant om een keer proefsleuven te trekken om te kijken hoe oud de grondsporen in het perceel van 1711 precies zijn.


Dankbetuigingen

Dank aan Joost van den Besselaar van de Stichting Haps’ Heem voor het ter beschikking stellen van het boek van R. van den Brand voor dit onderzoek. Dank aan René Dings voor de verwijzing richting de veldnamen van Haps. Dank aan Jaap Helsen voor de verwijzing naar het overlijdensbericht van Heijlkens Jans. Dank aan Michiel de Vaan en Lauran Toorians voor eerdere naamkundige discussies.


Bibliografie

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

BHIC, 7127 Notarissen in Cuijk, 1696-1935 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC),
• Index notarieel protocol Cuijk (7127.1), inv. 1, Testamenten, magescheiden, huwelijksvoorwaarden enz., 1696-1752
• Schepenbanken van het Land van Cuijk, 1498-1810 (7040), inv. 419, 7 apr. 1783-14 nov. 1792
• Schepenbanken van het Land van Cuijk, 1498-1810 (7040), Inv. 441, Tot een band verenigde akten van (openbare) verkoop van onroerend goed, minuten

Dittmaier, H. (1963). Die (H)lar-Namen : Sichtung und Deutung; mit einer Verbreitungskarte. Köln: Böhlau Verlag.

Van Durme, L. (1996). Galloromaniae neerlandicae submersae fragmenta. Gent: Koninklijke academie voor Nederlandse taal- en letterkunde.

Van den Brand, R. (2009). Haps en het Land van Cuijk; van prehistorie tot 21ste eeuw, Haps: Stichting Haps’ Heem.

Kadastrale kaart 1811-1832, oorspronkelijke aanwijzende tafel Haps, geraadpleegd op https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Kerkhof, P. A. (2018). Language, law and loanwords in early Medieval Gaul : language contact and studies in Gallo-Romance phonology, Leiden: PhD-dissertation.

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). “Calwentriest en Den Trieste: vreemde veldnamen tussen Wouw en Roosendaal”. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie.

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). “Saer, Saert; een Zuid-Nederlandse veldnaam van onzekere oorsprong.” Noordbrabants Historisch Jaarboek.

MNW = Verwijs, E., Verdam, J., & Stoett, F. A. (1882). Middelnederlandsch woordenboek. ‘s-Gravenhage: Nijhoff.

Theunissen, L. en T. Spek. (2009). Haps-Laarakker, een bijzonder rijk bodemarchief; Archeologische waardering van een wettelijk beschermd monument (gemeente Cuijk), Rapportage Archeologische Monumentenzorg 173, Amersfoort.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Hoe oud is de burcht van Oegstgeest?

In het Nederlandse landschap zijn sporen van kastelen en burchten uit verschillende periodes van de middeleeuwen te vinden. In het Rijnmondgebied stonden verscheidene ronde burchten die teruggaan tot rond het jaar duizend. De burcht van Leiden en de burcht van Rijnsburg zijn hier mooie voorbeelden van. Ook in Oegstgeest heeft een middeleeuwse ronde burcht gestaan; een burcht met maar liefst drie concentrische grachten. In dit artikeltje verken ik de vraag hoe oud deze burcht is, een kwestie die tot dusver onopgelost is.

impressie van de burcht te Oegstgeest (tekening: Kerkhof)

Oegstgeest in de vroege middeleeuwen

De geschiedenis van het dorpje Oegstgeest gaat zeker dertienhonderd jaar terug. Rondom het dorp zijn verschillende nederzettingsresten uit de Vroege Middeleeuwen gevonden. Ten zuiden van het dorp bij Nieuw-Rijngeest Zuid bevinden zich sporen van Merovingische bewoning (ca. 600, zie De bruin, Lippok & Zon 2015). Aan de noordkant van het dorp stond vanaf de achtste eeuw een kerkje op een terrein dat later Kerkwerve werd genoemd.1 De middeleeuwse burcht van Oegstgeest, die later aangeduid werd met “Oude Hof”, stond daar niet ver vandaan.

GIF-animatie van de locaties van Nieuw Rijngeest Zuid, Kerkwerve en de Oudenhof in Oegstgeest tov een landschapsreconstructie (gebaseerd op Dijkstra 2011)

Opgravingen

Sporen van deze middeleeuwse burcht werden in 1938 door een medewerker van de topografische dienst toevallig op een luchtverkenningsfoto gevonden. In 1940 is het terrein in opdracht van het RMO verkend en zijn opgravingen verricht (zie Braat 1941: 94-104). Op een verkenningsvlucht van de Britse luchtmacht uit 1945 werd de plek nogmaals gefotografeerd en ook op deze foto zijn de grondsporen van de concentrische grachten goed zichtbaar.

luchtfoto’s 1938 en 1945 (overgenomen uit Van den Bosch 1999)

Het kasteelterrein ligt niet ver van de oude strandwal waar ook de middeleeuwse kerk en de omliggende boerderijen van Oegstgeest lagen. Het terrein behoorde oorspronkelijk toe aan de heer van Oegstgeest en wordt in een goederenlijst uit 1339 als volgt beschreven:

Item in Oestgeest die woninghe mitten weydelande die hout 25 morghen of alsoe veel. Item in die selve woninghe dat daer toe behoert 11 morghen an gheest die ghelden nu ter tijt te samen2

(Huisarchief van het kasteel Twickel, cartularium AA van Wassenaar, f. 10-11.

Het gaat dus om 36 morgen land (ca. 25 ha) dat aan het kasteel verbonden was, waarbij we het kasteelterrein zelf nog mogen optellen (ca. 5 morgen).3 De historicus A. Janse heeft aannemelijk gemaakt dat dit hof en de bijbehorende landerijen teruggaan op een oud bezitscomplex uit de Vroege Middeleeuwen (Janse 2001: 14). Vanuit deze plek bestierde de heer van Oegstgeest zijn domein en hofhorige onderdanen. De vraag is nu hoe lang daar al een ronde burcht had gestaan.


Ringwalburcht of mottekasteel?

De archeologie biedt hier geen eenduidig antwoord. Bij de opgravingen in 1940 is gebleken dat het kasteelterrein in ieder geval van de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw in gebruik was (zie Braat 1941). Ook werden er bakstenen gevonden die zouden kunnen wijzen op een bakstenen ringmuur, vergelijkbaar met die van het mottekasteel van Leiden.4

Impressie van het Leidse mottekasteel rond de twaalfde eeuw. Een motte is een aangelegde aarden heuvel (tekening: Kerkhof)

Verder werd op het terrein een scherf Badorfaardewerk gevonden die uit de Karolingische periode stamt. Deze scherf kan echter ook bij het ophogen van de motteheuvel in de grond terecht zijn gekomen. Toch wordt in een vrij recente archeologische rapportage gesteld dat de burcht van Oegstgeest in de negende of tiende eeuw zou zijn opgericht (Van den Bosch 1999: 29). Dit zou ook blijken uit de ongewone inrichting met drie grachten, een inrichting die vrij uniek is in Nederland (zie ook Braat 1941: 103).

De archeoloog M. Dijkstra is het hier niet mee eens. In zijn proefschrift “Rondom de mondingen van Rijn en Maas” (2011) betoogt hij dat de burcht aanzienlijk jonger is. Het principe “zonder vondsten geen datering” is voor hem leidend; de voornoemde aardewerkvondsten wijzen richting de dertiende eeuw dus de burcht zal dan ook niet veel ouder zijn. Ook de ligging op een strandvlakte en de nabijheid van de tiende-eeuwse Rijnsburg zijn voor Dijkstra belangrijke argumenten tegen een vroegmiddeleeuwse oorsprong (Dijkstra 2011: 302).4 Als Dijkstra gelijk heeft moeten we uitgaan van een relatief laat dertiende-eeuws mottekasteel (zie ook Lugt 2009: 70-73).

impressie van de ringwalburcht van Rijnsburg (tekening: Kerkhof)

Daar staat tegenover dat de heerlijkheid van Oegstgeest ouder is dan de dertiende eeuw.6 Dit blijkt onder meer uit het feit dat de heer van Oegstgeest over een oud visrecht en de inning van de botting beschikte (zie Fockema 1935: 250). De botting is een vroegmiddeleeuwse belasting die mogelijk ouder is dan het graafschap Holland zelf (zie ook Van der Vlist 2001: 27-28). Het lijkt mij daarom aannemelijk dat de heer van Oegstgeest vóór het jaar 1000 ook al een versterkte hofstede had. Die hofstede stond dan waarschijnlijk op de plek waar later de bakstenen burcht werd gebouwd.

Volgens mij mogen we het volgende scenario overwegen; in de twaalfde eeuw was de hofheer van Oegstgeest tevens de burchtvoogd van de burcht van Rijnsburg en de burcht van Leiden (Dijkstra 2011: 302). De heer van Oegstgeest was toen één van de machtigste mannen van het graafschap. Het is denkbaar dat hij in deze periode zijn hofstede uit liet bouwen tot een heuse burcht met stenen ringmuur.

Vóór de twaalfde eeuw mogen we dan wellicht uitgaan van een versterkte vroonhoeve met ronde ringgracht en houten palissades. Van een burcht in de strikte zin van het woord was dan misschien nog geen sprake, maar wel van een domaniaal centrum (dat tevens als militair steunpunt fungeerde) waar de heer en zijn familie resideerden.


Oudenhof na de middeleeuwen

In de late middeleeuwen raakte het kasteelterrein in verval; dit zou verklaren waarom in het vijftiende-eeuwse schoorsteenregister van 1452 “de woninghe” van “de hof” ontbreekt, maar het kasteel van Eindegeest wel staat genoteerd (cf. Fockema 1935: 268).7

In de vijftiende eeuw was ook voor het verwijzen naar het oude grafelijke landgoed de naam “oude hof” in gebruik geraakt. We komen de naam voor het eerst tegen in een verordening van het hoogheemraadschap Rijnland uit het jaar 1425:

voirt so sollen sii van oestgeester kerck ziidwert tot des burgrave coniins campe toe vanden ouden hove coeren ende scouwen mogen voir een waterkeer…”

“Verder zo zullen zij van de kerk van oegstgeest zijwaarts tot het konijnenveld van de burggraaf toe, van het oude hof, keuren en schouwen mogen voor een waterkeer…”

OAR inv.nr. ii, f.20r. ca. 1425

In andere vijftiende-eeuwse bronnen vinden we nog een aantal andere verwijzingen naar de voormalige hofstede van de graaf, maar zonder aanwijzing dat ze toen nog bewoond was (zie Lugt 2009: 90-91).

Op een landmeterskaart uit 1550 van Jacob Coenszoon zien we hoe het kasteelterrein er in de zestiende eeuw bijlag; het staat afgebeeld als een ronde beboste plek midden in het weiland. Ten westen van dit terrein staat een eikenboom getekend, voorzien van de beschrijving “den heilichen eyck”. Vermoedelijk gaat het hier om een oude vergaderplaats, wat zou passen in het scenario dat op het terrein al voor de twaalfde eeuw de hofstede van de heer stond.8

“Kaart van een deel lants ghelegen inden ambacht van Oestgheest aan den Heerwech en den Lijdwech”, Jacob Coensz. 1550, ELO-PV80500

Op een vroeg zeventiende-eeuwse kaart van Oegstgeest van Jan Pieterszoon Dou ontbreekt het ronde terrein maar de naam “het oude hoff” staat er wel op aangegeven (inv. ELO-PV80506). Deze kaart hangt waarschijnlijk samen met de verkoop van de landerijen van “het oude hoff” in 1615 door de toenmalige eigenaar (de heer van Wassenaar) aan de stad Leiden.

Kaart van landerijen tussen den Heerwech van Oestgeest naar Leiden de Vliet en den Warmonder wech“, ca. 1615, ELO-PV80506

In het proces-verbaal van deze verkoop (SV inv. 789, f.vi) lezen we over “een campe lants genaemt het oude hoff groot vijff morgen achtentachtig roeden” (ongeveer 4,4 ha). Daarna werd het land per opbod aan particulieren doorverkocht. Enige tijd later, voor het midden van de zeventiende eeuw, werd het weiland ingepolderd en bemalen door een klein molentje dat al op de kaart van 1615 is ingetekend. Sindsdien maakte het terrein deel uit van de Oudenhofpolder waar nu nog steeds de achttiende-eeuwse Oudenhofmolen staat.


Epiloog

Op de weilanden van de Oudenhofpolder werd na de oorlog de Bloemenbuurt gebouwd. Bij de aanleg van de rioolsleuven voor de woonwijk werd aanzienlijke schade toegebracht aan het onderliggende terrein. Daar staat tegenover dat er toen wel nieuwe archeologische gegevens boven de grond kwamen; nieuwe aardewerkscherven en de resten van een houten brugjuk dat een deel van de ophaalbrug kan zijn geweest (zie Braat 1961).

Op een luchtfoto uit 1962 zijn nog de laatste grondsporen van de middeleeuwse burcht te zien, maar daarna verdween het terrein definitief onder het nieuw aangelegde Irispark.

In 2006 is bij de herinrichting van het Irispark de ronde vorm van de binnenste gracht opnieuw zichtbaar gemaakt. Te midden van een cirkel van hoge iepen staat nu een moderne sculptuur genaamd “de verhalenverteller”, een man die ondersteboven zijn oor te luister legt op de grond van het kasteelterrein. Een herinnering aan de tijd dat deze plek het middelpunt van de heerlijkheid was.

Irispark anno 2020 (fotograaf: Jorik Groen)

Voetnoten

1 de oudste vindplaats van de naam kerkwerve bevindt zich in een visitatielijstje van de abdij van Echternach uit de elfde eeuw (BnF Lat. ms 9433) waar de naam als kiric ¶ uuereue (dus niet kirichuuereue zoals soms in de literatuur geschreven wordt) is neergepend.

2 Deze beschrijving staat opgetekend in een goederenlijst uit 1339 die opgemaakt was ter gelegenheid van de overdracht van de ambachtsheerlijkheid van Oegstgeest aan de heer van Wassenaar (zie de uitgave van Hoeck 1973: 84-85). De ambachtsheerlijkheid is jonger dan de heerlijkheid en komt pas in de dertiende eeuw in de bronnen voor.

3 Fockema stelde vast dat in het morgenboek van het hoogheemraadschap Rijnland van het jaar 1544 hetzelfde goed voorkomt. Het is mij onduidelijk hoe Fockema (1935: 266) op 40 morgen voor de grootte van het goed komt aangezien de precieze ligging van de percelen niet gegeven wordt. Een inkomstenpost genaamd Dat hoff, tussen de vliet en de hofdijk, “bij oesten de heerwech“, is volgens het morgenboek 2 morgen en 50 roeden groot (OAR inv. 6123, f. xii). Misschien is dat het kasteelterrein.

4 De ouderdom van de Leidse burcht is omstreden. Van den Ende (2007: 25-29) gaat uit van een negende-eeuwse oorsprong als kleine ringwalburcht. Dijkstra (2011: 302) is het daar niet mee eens en pleit voor een jongere oprichting. Koolstofdateringen maken het desalniettemin aannemelijk dat het burchteiland in ieder geval rond het jaar 1000 bewoond was.

5 Dijkstra (2011: 302) noemt ook het ontbreken van een burg-toponiem verbonden aan het “hof” van Oegstgeest als argument tegen een hoge ouderdom van de inrichting van het kasteelterrein. Dit lijkt mij echter een zwak argument. “Hof”-toponiemen kunnen immers ook ouder zijn dan het jaar 1000 en het is zeker denkbaar dat naar een sterkte met meerdere benamingen kon worden verwezen.

6 In een oorkonde van 1201 komen we pas voor het eerst een edelman tegen wiens naam met Oegstgeest verbonden is (een zekere Willem de Ostgest), maar de heerlijkheid en het daarbij horende bezitscomplex reikt verder terug (cf. Janse 2001: 18).

7 In de Middeleeuwen kon behalve de belasting op het grondbezit ook een belasting op huizen worden geheven. Ten behoeve van de heffing van dit “schoorsteengeld” zijn zogenaamde schoorsteenregisters aangelegd. Hierin stond de grootte van het ‘huis’, uitgedrukt in de hoeveelheid schoorstenen, genoteerd (zie ook Van Synghel 2001: 11).

8 De aanname van Dijkstra (2011: 288) dat het hier om een laatmiddeleeuwse invention of tradition zou gaan, is niet dwingend. Het gebruik om bij heilige eiken te vergaderen of recht te spreken is zeer oud; de ouderdom van deze traditie in Oegstgeest is niet na te gaan, maar dat betekent niet dat ze noodzakelijkerwijs jong moet zijn. Ook Lugt (2009: 35-36) gaat uit van een jongere plek die onterecht aangeduid zou zijn als “heiliche eyck” met als argument dat de locatie (zoals gegeven op de kaart) geen logische vergaderplaats zou zijn. Dit is een beter argument, maar evenmin doorslaggevend als het inderdaad om een oude plek van grote significantie gaat. Ook kapellen of heilige kruizen stonden dikwijls op onlogische plekken.


Dankbetuigingen

Dank aan Erfgoed Leiden voor het beschikbaar maken van een voorheen afgegrendelde landmeterskaart. Dank aan Rob Verhoeven voor zijn goede raad om GIF’s van historische kaarten te maken en aan Jorik Groen voor de foto van het Irispark. Dank aan Wilfred Simons voor het bij me onder de aandacht brengen van dit onderwerp.


Bibliografie

Blok, P.J. (1910). Geschiedenis eener hollandsche stad; eene hollandsche stad in de middeleeuwen met twee kaarten, ‘s-Gravenhage; Nijhof.

Van den Bosch, J.E. (1999). Archeologisch Onderzoek Kasteel de Ouden Hof, Oegstgeest: Tussenrapportage, Heinenoord (SOB-research).

Van den Bosch, J.E. (2005). Aanvullend Veldonderzoek door middel van proefsleuven Irispark, Oegstgeest. Evaluatierapport, Heinenoord (SOB-research).

Braat, W.C. (1941). “De Ouden-Hof te Oegstgeest.” Leidsch Jaarboekje 33,94-104.

Braat, W.C. (1962). “Nogmaals de Oudenhof te Oegstgeest”. Leidsch Jaarboekje 54, 37-40.

De Bruin, J. Lippok, F. & Zon. M. (2015). Definitieve opgraving (DO) Oegstgeest Bio Science Park, Campagnes 2009 t/m 2014 Evaluatierapport versie 2.1.

Dijkstra, M.F.P. (2011). Rondom de mondingen van Rijn & Maas: landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek, Leiden: Sidestone Press.

ELO = Erfgoed Leiden en Omstreken
PV80500, Kaart van een deel lants ghelegen inden ambacht van Oestgheest aan den Heerwech en den Lijdwech
PV80506, Kaart van landerijen tussen den Heerwech van Oestgeest naar Leiden de Vliet en den Warmonder wech

Fockema, S.J.A. (1935). “Middeleeuwsch Oegstgeest”. Tijdschrift voor Geschiedenis 50, 256-275.

Hoek, C. (1973). “De Hof te Vlaardingen.” Holland; regionaal-historisch tijdschrift 5e jaargang 2, 57-92

Huisarchief Twickel inv. nr. 7394-1, Cartularium AA.

Janse, A. (2001). Wie was Willem van Oegstgeest (1201)? Een zoektocht naar aanleiding van een 800 jaar oude oorkonde. Vereniging Oud Oegstgeest extra nummer jaargang nr. 13, Oegstgeest.

Kerkhof, P.A. (2014). “Hoe de Friezen Oegstgeest hebben gesticht.” NEMO Kennislink.

Lugt, F. (2009). Het goed van Oestgeest. De Middeleeuwen in Oegstgeest, Poelgeest, Kerkwerve, Rijnsburg en Nieuw-Rhijngeest, Leiden (1e druk).

OAR = Oud Archief Rijnland, Hoogheemraadschap van Rijnland.
inv. nr. 11, “Register X no. XII”. Register van bestuurshandelingen en belangrijke stukken, uitgegaan van het bestuur van Rijnland of dat bestuur betreffende. Aangelegd c. 1443, vervolgd tot in 1449. Met een tafel.
inv. nr. 6123, Morgenboeken van Oegstgeest, 1544

SV = Archief Stadsheerlijkheden en Vroonwateren
inv. 789, Proces-verbaal van de verkoping van landerijen in Oegstgeest door de stad Leyden, 1616

Van Synghel, G.A.M. (ed.). (2001). “inleiding”. in: Broncommentaren 4; Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de Middeleeuwen en Ancien Régime. Den Haag: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 7-20.

Van der Vlist, E. (2001). De Burcht van Leiden, Leidse Historische Reeks 14, Leiden: Primavera Press.


© Peter Alexander Kerkhof and Treasures of Dutch, 2020. Unauthorised use and/or duplication of this material without express and written permission from this site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Peter Alexander Kerkhof and Treasures of Dutch with appropriate and specific direction to the original content.

Tussen Burcht en Boerderij

In Nederland is de laatmiddeleeuwse geschiedenis goed zichtbaar. In vrijwel elke Nederlandse stad staan wel een aantal gebouwen die teruggaan tot de laatste eeuwen van de middeleeuwen. We kunnen dan denken aan een vijftiende-eeuwse kerk, een veertiende-eeuwse stadspoort of bij hoge uitzondering een dertiende-eeuwse burcht. De middeleeuwse geschiedenis van vóór deze tijd blijft vaak verborgen. Toch kunnen we in het landschap sporen van deze oudere middeleeuwse geschiedenis terugvinden.

mijn impressie van een vroonhoeve met cirkelvormige ringgracht

Vroonhoeve

In dit artikeltje wil ik het hebben over de sporen van een vaak vergeten middeleeuwse institutie: de vroonhoeve. Een vroonhoeve is de traditionele term voor een versterkte hofstede uit de hoge middeleeuwen (ca. 1000-1250). De term vroonhoeve bevat het Middelnederlandse woord vroon dat een genitief is van een oud woord voor landsheer.

Zo’n versterkte hofstede was vaak gelegen op een opgehoogd stuk land en omgeven door een cirkelvormige of rechthoekige gracht. Binnen dit complex stonden meerdere gebouwen, waaronder een grote voorraadschuur waarin de “belastingen” opgeslagen konden worden.

impressie van een omwalde hoeve in Leeuwergem, Daniël Pletincx – Visual Dimension bvba

Een gedeelte van het landgoed dat bij zo’n hofstede hoorde, werd direct door de heer geëxploiteerd en een gedeelte was uitgegeven aan hofhorigen (aan de grond gebonden onvrije boeren). Toen in de dertiende eeuw de horigheid af werd geschaft bleven de horigen vaak als belastingplichtige boeren (Middelnederlands laeten) bij zo’n landgoed wonen.

Hollandse hoven

In Holland waren deze hofstedes onderdeel van het machtsnetwerk van de graaf. Al geruime tijd hebben geschiedwetenschappers geprobeerd de grafelijke bezitscomplexen en versterkte hofstedes te identificeren. Sommige van deze bezitscomplexen zijn waarschijnlijk ouder dan het graafschap zelf en gaan terug tot de zevende en achtste eeuw toen Friessprekende machtshebbers de Nederlandse kuststrook bestierden. Een recent project van de historicus Hans Mol probeert deze bezittingen in kaart te brengen door het historisch grondbezit van de graaf in te tekenen in het historisch landschap zoals dat bekend is uit de kadasterkaarten van 1832 (zie ook Mol 2020).

schets van het graafschap Holland ca. 1100

Maar waar stonden de versterkte hofstedes? Een goede manier om hun locaties terug te vinden is om op historische kaarten op zoek te gaan naar een omgracht hooggelegen perceel dat overeenkomt met de beschrijving van een curtis (= hof) in de hoogmiddeleeuwse archivalia. Op de kaart van Vlaardingen van 1576, gemaakt door Jan Jansz. Potter (CAV inv. KVL0074), vinden we zo’n omgracht perceel, gelegen ten noordwesten van de stadskern in de hoek van een vaart (Nieuwenhuijsen 2012: 215-2017). Aangezien het Maasland in de elfde en twaalfde eeuw een belangrijk deel van het graafschap was, is het goed denkbaar dat dit hof aan de graaf toebehoorde en hij van tijd tot tijd met zijn familie op deze hofstede verbleven zal hebben. In de onderstaande GIF-animatie ziet u de locatie van het perceel van 1576 tot nu.

locatie van oud gravenhof bij Vlaardingen op Potter (1576), Kruikius (1712) en een luchtfoto van 2019

Brabantse hoven

In Noord-Brabant bouwden de heren ook versterkte boerderijen die als ankerpunt voor hun beheer van de omringende landgoederen dienden. In mijn eigen onderzoek naar de nederzettingsgeschiedenis van het land van Bergen op Zoom ben ik een aantal versterkte hofstedes tegengekomen. Sommige hofstedes waren direct onderhorig aan de heer van Bergen op Zoom. Andere hofstedes lijken niet aan de landsheer maar aan een lokale “heer” toebehoord te hebben.

versterkte hofstedes tussen Bergen op Zoom en Roosendaal die niet aan de heer van Bergen op Zoom toebehoorden

Het middeleeuwse landgoed Altena ten noorden van Heerle was zo’n hofstede. We komen dit landgoed voor het eerst onder de naam Altenne tegen in een oorkonde uit 1392 (ARR BoZ inv. 838). In deze oorkonde draagt Jan van Berchem het goed met huis, hof, erf en bouwland over aan de heer van Bergen op Zoom. Dit gebeurde na een periode van conflict en de overdracht was dan ook bedoeld als bestraffing voor de “midsbroken” die hij begaan had.

Het is goed mogelijk dat de benaming Altena door een eerdere heer van Bergen op Zoom was gegeven. Het landgoed stond immers op tweehonderd meter afstand van zijn residentie, het kasteel van Woude. Dat was zonder twijfel naar zijn mening “al-te-na” (= te dichtbij).1

ARR BoZ inv. 838, oorkonde van overdracht van 1392

In de Bergen-op-Zoomse administratie van na 1392 wordt de hofstede Altena en Attene genoemd. Hoe het landgoed vóór deze tijd heette, is onduidelijk, maar in een veertiende-eeuws inkomstenregister (1359) wordt gewag gemaakt van Laureis hofstat dat bij Heerle gelegen was (ARR BoZ inv. 597). Mogelijk is dit een oudere benaming van Altena. Het feit dat we bij Altena met een omgrachte hofstede te maken hebben pleit sowieso voor een hoge ouderdom (zie ook Leenders 2018).

In de onderstaande GIF-animatie ziet u de locatie van het landgoed van 1758 tot nu (met onder meer een beeld uit een luchtverkenningsfoto van 1944).

locatie van Altena op de kaart van H. Adan (1758), de kaart van J.B. Adan (1784), kadaster van 1832, luchtfoto van 1944 en een luchtfoto uit 2019

Niet al te ver van Altena is ook nog een andere versterkte hofstede te vinden. Het gaat hier om de Triest hofstede, voor het eerst vermeld in het midden van de veertiende eeuw en gelegen in dezelfde hoek als het latere buurtschap Den Trist ten noordoosten van Wouw. Ook deze hofstede was niet in het bezit van de landsheer maar van een lokale grondbezitter. Net zoals Altena gaat het om een rechthoekig omgracht boerderijcomplex.

omgracht perceel aan de Blicxe straete waar vermoedelijk de Triest-hoeve heeft gestaan op de kaart van de heerlijkheid van 1758 (Henri Adan), ARR BoZ inv. 1347.0

De goederen die bij deze hoeve hoorden (de grote en kleine Triest akker), waren zeer uitgestrekt en volgens een veertiende-eeuws inkomstenregister waren er meer dan 100 cijnsboeren aan dit bouwland verbonden (zie Kerkhof 2020).2

De twee laatste hofstedes die ik in mijn onderzoek ben tegengekomen lagen ten zuiden van de dorpskom van Wouw. In de laatmiddeleeuwse registers wordt een landgoed in een bocht van de Wouwse beek met doude borch aangeduid (ouder dus dan de nieuwe borch waarmee het voornoemde dertiende-eeuwse kasteel van Wouw werd bedoeld). De goederen die bij deze hofstede hoorden, lagen in een waaiervorm rond de hofstede heen, een perceelpatroon dat ook op de achttiende-eeuwse pre-kadastrale kaarten waarneembaar is.

de gebiedsnaam Ouwburg op de kaart van de heerlijkheid Wouw van 1758, (noord is links )ARR BoZ inv. 1347.0

Vanwege de hoge ouderdom en de locatie in de beek is het denkbaar dat het om een hofstede met cirkelvormige ringgracht ging. Deze hofstede was waarschijnlijk in de veertiende eeuw al buiten gebruik , want de naam doude borch wordt niet als inkomstenpost in het oudste inkomstenregister genoemd en komt daarna alleen als gebiedsnaam voor. Jammer genoeg zijn archeologische verkenningen die meer duidelijkheid zouden kunnen verschaffen over de ouderdom van de hofstede niet mogelijk omdat het terrein van “Ouwburg” tegenwoordig voor een deel onder de A58 snelweg ligt.

Tot slot het landgoed Moerbeke, een goederencomplex dat nog zuidelijker dan doude borch lag en zowel bouwland ten westen als ten oosten van de Wouwse beek omvatte. Het landgoed was omstreeks 1340 door de hertog van Brabant tegen een jaarlijkse betaling aan Jan Jacobszoon van Bergen afgestaan. Op een achttiende-eeuwse kaart van Henri Adan (kaart van de heerlijkheid 1758) vinden we op het landgoed “Moerbeek” een omgracht perceel zonder bouwwerk. Waarschijnlijk heeft daar de middeleeuwse hofstede gestaan. Het is denkbaar dat niet alleen de hofstede van Moerbeke maar ook de andere Bergen-op-Zoomse hofstedes in de twaalfde en dertiende eeuw door de hertog aan lokale heren in leen waren uitgegeven.

het omgrachte perceel Moerbeek op de kaart van de heerlijkheid Wouw van 1758, (noord is links) ARR BoZ inv. 1347.0

Epiloog

In de late middeleeuwen werden sommige hoven in steen herbouwd en bleven zodoende een ankerpunt van adellijke macht. Zo werden de stenen gebouwen en omwallingen van Altena in de zestiende eeuw gerenoveerd en sindsdien stond het landgoed bekend als “’t huijs te Heerle”.

Altena aangegeven als ’t huys bij Haerle op de kaart van Visscher van omstreeks 1675

Andere hoven verloren hun relevantie en na verloop van tijd verdwenen de boerderijcomplexen van de percelen. Dit was het geval met de grafelijke hofstede in Vlaardingen. Op de kaart van Kruikius van 1712 (en het latere napoleontische kadaster van 1832) zien we dat het perceel toen geen binnengracht meer had en de grond inmiddels in gebruik was als boomgaard. De tijd van heren en hoven was toen echt voorbij.

het perceel van de grafelijk hof Vlaardingen in 1712 en in 1832 gekarteerd via HISGIS. De oranje kleur markeert het grondgebruik als “boomgaard”

Voetnoten

1 De Bergen-op-Zoomse historicus Van Ham (1998: 19-21) gaat er vanuit dat een deel van de goederen van Altena enkele decennia daarvoor van een andere heer, de Steenbergse grondbezitter Jacob van Grimmestein, waren overgenomen (Van Ham 1979). Een ander deel van Altena stond bekend als Laurients goed. Aangezien Laurent een jongere Franse vorm is van de naam Laureis (Oudfrans nom. laureis, obl. laurent), zou het kunnen dat hier naar hetzelfde goed als laureis hofstat van 1359 wordt verwezen.

2 Dat de naam Triest niet naar een trieste bodemgesteldheid verwees, blijkt wel uit het feit dat het hier om het meest draagkrachtige bouwland van de heerlijkheid ging. Het is daarom waarschijnlijker dat we met de Waalse ontginningsnaam triest (onbebouwd land, braakland) te maken hebben die door de tweetalige landsheren van het midden van het hertogdom naar de noordwesthoek zijn gebracht. Voor de etymologie van deze Zuid-Nederlandse veldnaam en de locatie van de hofstede, zie Kerkhof (2020).

Bibliografie

WBA, ARR BoZ = Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom, 1289-1795

– inv. 597, Legger van vaste inkomsten (landcijns, moercijns, hooitienden, lakenaccijns) in het land van Bergen op Zoom en te Brecht, 1359

– inv. 838, Akte van overdracht door Jan van Berchem van het huis Altena bij Heerle, 1392-07-25.

– inv. 1347.0 Wouw: overzichtskaart behorende bij het cijnsregister, 1758

CAV = Collectie Stadsarchief Vlaardingen inv. KLV0075, ‘De Stede van Vlaerding’ 1576.

Daniël Pletincx, Animatie Leeuwergem 1420 “Moated farm” op YouTube

Van Ham, W. (1979). Altena onder Wouw : Van Hoeve tot pompstation. Publikaties van het Archivariaat “Nassau-Brabant” 48.

Van Ham, W. (1998). Van Harella tot Heerle; geschiedenis van een West-Brabants dorp, Wouw.

Hoek, C. (1973). “De hof te Vlaardingen.” Holland; regionaal-historisch tijdschrift v, 57-91.

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). “Calwentriest en Den Trieste: vreemde veldnamen tussen Wouw en Roosendaal”. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie.

De kaart van Kruikius (1712) van het hoogheemraadschap van Delfland kan hier geraadpleegd worden.

Leenders, K.A.H.W. (2018). “Rond de oude eik”. Jaarboek De Ghulden Roos 78, 9-41.

Mol, H. (2020). “Het Napoleontisch kadaster van Holland in GIS: belang en perspectieven.” Historisch Tijdschrift Holland 52.

Nieuwenhuijsen, K., Ridder, T. & Mostert, M. (2012). Ad Flaridingun – Vlaardingen in de elfde eeuw : Middeleeuwse bronnen over de Slag bij Vlaardingen en andere Vlaardingse gebeurtenissen (Middeleeuwse studies en bronnen ; 135). Hilversum: Verloren.

Meertaligheid van een elfde-eeuwse gravin

In de taalgeschiedenis van het Nederlands is altijd een zekere mate van meertaligheid in het spel geweest. Denk aan de invloed van het Romaans (Laat-Latijn) in de oudheid, aan de invloed van het Fries in de middeleeuwen en aan die van het Frans in de pruikentijd. Hier een korte blogpost over de meertaligheid van een elfde-eeuwse dame die de machtigste vrouw van onze streek was.

Othilhilda was gravin van West-Friesland (het latere Holland) in de late elfde eeuw. Zij was mogelijk een dochter van de hertog van Saksen en zonder twijfel een hooggeboren dame.1

Zo spreek je Othilhilda uit

Ze trad omstreeks 1080 met graaf Thiederik V (Dirk) van Holland in het huwelijk. Thiederik zocht bondgenoten in Saksen en zal daarom met haar getrouwd zijn. Othilhilda zal waarschijnlijk met Oudsaksisch als taal zijn opgevoed en dat sprak ze toen ze in Kennemerland aankwam.

Zo spreek je Thiederik uit

Thiederik, haar echtgenoot, was echter opgevoed in Vlaanderen. Hij sprak dus waarschijnlijk Oudnederlands met een Vlaams accent. Aan het hof werd dan ook nog eens Fries gesproken want het gebied tussen Rijnsburg en Egmond was toen nog gedeeltelijk Friestalig.

het graafschap West-Friesland met de gouwen Kennemerland, Rijnland en Maasland

Wat zijn de verschillen? Othilhilda zal in het Oudsaksisch vogalas gezegd hebben, terwijl Thiederik in het Oudnederlands vogala zei. De Friese hovelingen zeiden dan weer fugela.

Ook waren er verschillen in de grammatica. Het Oudsaksisch van Othilhilda maakte namelijk (net zoals het Fries) geen onderscheid van getal in de meervoudsvervoeging van het werkwoord. Haar man Thiederik deed dat wel in het Oudnederlands (zie tabel).

OudsaksischOudnederlandsOudfries
ik biumic bimik ben
thu bistthu bistthu bist
he ishe ishi is
wi sindonwi sinwi sind
gi sindongi sitji sind
sia sindonsia sinthia sind
werkwoordvervoegingen van het werkwoord “zijn”

Voor de Nederlandse taalgeschiedenis is het bovendien interessant dat Othilhilda op hetzelfde moment in Egmond was als toen de Egmondse Williram, één van de belangrijkste Oudnederlandse teksten, gekopieerd werd (Sanders 1974: 25-31). De inhoud van de tekst is vrij spannend; een geleerd commentaar op het erotische Bijbelboek Hooglied.

Maar ook hier taalproblemen! De Egmondse Williram is nl een vernederlandste versie van een Beiers-Duitse tekst. Als de tekst aan haar werd voorgelezen dan waarschijnlijk door een Vlaamse monnik (Egmond zat vol met Vlamingen). Othilhilda bevond zich dus in zeer meertalige omgeving!

Graaf Thiederik stierf in 1091 op 37 jarige leeftijd. Othilhilda stierf waarschijnlijk na 1130. Zij heeft haar man dus nog vele jaren overleefd. In de jaren tachtig bij archeologische opgravingen rond de kloosterkerk van Egmond stuitte men bij toeval op haar graf. Haar stoffelijk overschot is jammer genoeg een van de weinige sporen die van deze veeltalige dame over zijn.

Tot slot: een Modernnederlandse versie van de 11e-eeuwse naam Othilhilda zou Odeld(e) zijn, net zoals de Oudnederlandse naam Machtilhilda in Machteld(e) veranderde. Ik hoor het nu al “Odeld, kom je buiten spelen?”


Noot aan de lezer

In dit artikel dient de gravin vooral als historisch voorbeeld aan de hand waarvan de meertaligheid van elfde-eeuws West-Friesland geïllustreerd kan worden. Vanuit de historische bronnen is er over Othilhilda vrijwel niks met zekerheid bekend. Ik heb de tekst van dit artikel op 28 april 2020 enigszins aangepast om deze onzekerheid beter uit de verf te laten komen.


Voetnoten

1 we mogen haar niet verwarren met gravin Othilhilda van Saksen, de vroeg-elfde-eeuwse echtgenote van de West-Friese graaf Thiederik III (993-1033) die de slag bij Vlaardingen won.

Bibliografie

Cordfunke, E.H.P. (1987). “Othilde”, in: Gravinnen van Holland; Huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse huis. De Walburg Pers, Zutphen, 53-56.

Nieuwenhuijsen, K. (2016). Strijd om West-Frisia : De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100. Omniboek, Utrecht. 

Sanders, Willy. (1974). Der Leidener Willeram, Medium Aevum 27, Wilhelm Fink Verlag, München.

Brabantse bandieten

Op Netflix is nu de Vlaamse serie “de Bende van Jan de Lichte” te zien waarin het leven van een groep Brabantse bandieten omstreeks 1740 centraal staat. Omdat de serie niet bijzonder goed is, hier een blogartikel over echte bandieten in Brabant, gebaseerd op archiefonderzoek uit 1989.

In de scriptie “Hanghen tusschen Hemel ende Eerde” van W.F.L. Reijnders worden de doodsvonnissen van de schepenbank van Wouw (een heerlijkheid tussen Bergen op Zoom en Roosendaal) tussen 1616 en 1803 besproken. Vaak betreft het zwervers, deserteurs en bandieten die met diefstallen en berovingen in hun levensonderhoud voorzagen.

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Van de Wouwse schepenbank zijn 250 procesdossiers overgeleverd: De verdachten waren door de drossaard (een soort van politiechef) gearresteerd en vaak op de pijnbank tot een bekentenis gedwongen. De drossaard formuleerde een strafeis waarna de schepenbank rechtsprak.

Vooral wanneer de zwervers van buiten Staats-Brabant kwamen, werd tot de doodstraf besloten (in 18 van de 250 processen). De scherprechter van Bergen op Zoom voerde de terechtstelling uit op het marktplein, tegenover de vierschaer (het raadhuis), waar voor zo’n gelegenheid een halve galg was getimmerd.

De verschillende kwartieren van de heerlijkheid (Spellestraat, Wouwse Hil, Oostelaar etc) leverde 80 manschappen voor een burgerwacht die een afzetting rond het schavot vormden. Na de executie werd het lichaam per kar naar het galgenveld vervoerd en daar ten toon gesteld. In de middeleeuwen stond er een gerechtsplaats bij de Wouwse oostmolen richting Roosendaal en een andere niet ver van de Wouwse baan bij de grens met Bergen op Zoom.

“Hier hebben die van Wou iustititie gedaan” (ARR BoZ inv. 599)

De exacte locatie van het na-middeleeuwse galgenveld is niet bekend. Volgens de zeventiende- en achtiende-eeuwse bronnen was het gelegen “op de heide”. Aangezien onder de Wouwse heide in latere tijd het gebied bezuiden de Wouwse hil werd verstaan, zal het dus waarschijnlijk niet hetzelfde galgenveld dat bij de Wouwse baan lag zijn geweest.1

Als voorbeeld van een interessante procesgang, hier het procesdossier van Francis de Wolf uit Brussel die in 1717 in de kraag werd gevat. Hij werd gezocht voor het doodschieten van een herbergier in Besoijen (bij Waalwijk) waarna hij op de pijnbank verscheidene andere misdrijven bekende:

  • beroving van de aanwezigen in de herberg te Besoijen
  • diefstal van lammeren in Nieuw Vosmeer
  • woningoverval in Antwerpen
  • woningoverval in Eekeren
  • winkeloverval in Antwerpen
  • diefstal van levensmiddelen en gijzeling in Stabroek
  • woningoverval in Roosendaal.

Toen hem gevraagd werd de bekentenis te ondertekenen antwoordde hij:

daartoe geen oorsaecke gehadt te hebben als wel te hebben hooren seggen, als de gevangenen teeckenen dat sij dan haer aende galgh teeckenen

(citaat uit Reijnders 1989: 42).

Het feit dat Francis in de maanden daarvoor rondzwierf en “vleselijke conversatie” had met een zekere Maria Raeff pleitte volgens de ondervragers tegen hem. Zij was volgens het dossier namelijk een “persoon vol van ondeughden en grove gebreecken“.

De eis van de drossaard loog er niet om. Francis uit Brussel zou aan een kruis worden gebonden “ende door den scherpreghter levendigh op sijn armen en beenen en voorts op sijn borst en kast met eenen eijseren kantboom” worden geradbraakt tot de dood erop volgde.

Bij wijze van alternatief stelde de drossaard voor eerst de veroordeelde de hand af te slaan en daarna op te hangen waarna de hand aan de galg zou worden genageld. De schepenbank besloot ook dit advies niet te volgen. Een gewone “ophanging” werd het vonnis.

In het dossier bevindt zich tot slot de rekening van deze executie. 39 gulden voor de bouw van het schavot, 9 gulden voor het ijzerwerk van de galg en 6 gulden voor het bier dat geschonken werd bij de ophanging. Ten slotte 48 gulden voor Hendrick Jannieck, de beul uit Bergen op Zoom.

Deze procesdossiers van de Wouwse schepenbank verschaffen een interessant beeld van hoe een kleine boerengemeenschap criminaliteit van buiten probeerde af te schrikken. Het waren nl. vooral “buitenlanders” uit Belgisch-Brabant en Limburg die zwaar werden gestraft.

Kortom; ik vond dit stukje Brabantse geschiedenis een stuk spannender dan de Netflix serie

Voetnoten

1 Daar staat tegenover dat in de zeventiende eeuw ook het gebied bij het Buitengebint en de Borgvlietse duinen bekend stond als “de Wouwse heide” (cf. Van Ham 1980: 52).

Bibliografie

Delahaye, A. (1980). “Wouw in vogelvlucht tussen 1570 en 1813.” in: Woide…die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, Gemeentebestuur Wouw.

Reijnders, W.F.L. (1989). Hanghen tusschen hemel ende eerde: themanummer doodstraf in Wouw, Heemkundekring De Vierschaer, Wouw (opvraagbaar in de KB)

Van dertiende-eeuwse hofstede tot apothekerswoning

Lang geleden, in het verre jaar 2003 , was ik een balorige scholier die tijdens een bezoek aan de Bergen-op-Zoomse Gertrudiskerk het nodig vond om tijdens de rondleiding door dit prachtige gebouw ongepaste grappen te maken. De docent die toezicht hield bestrafte deze gekkigheid met het schrijven van een strafessay over de onteigening van kerkgoederen in Westbrabant in de Reformatie en de Franse tijd. Ik kan u verzekeren, als 15-jarige is dit een dodelijk saai onderwerp.

Onlangs moest ik hier weer aan denken toen ik in de middeleeuwse archivalia de geschiedenis van enkele dorpspercelen van de oude dorpskom van het Westbrabantse Wouw probeerde na te volgen. Ik kwam ze op het spoor toen ik in het oorkondenboek van Noordbrabant naar middeleeuwse veldnamen aan het speuren was.

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Het perceel waar het om gaat is waarschijnlijk één van de oudste stukjes van het dorp dat met zekerheid geplaatst kan worden; namelijk een stuk land met hofstede, gracht en tuin bewesten het ommuurde kerkhof van de kerk van Wouw dat oorspronkelijk aan de heer van Breda, Arnoud van Leuven, en zijn vrouw Elisabeth had toebehoord. Zij schonken dit land in 1285 aan de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem (het hedendaagse Bornem bij Antwerpen).

“…abbati et conventui monasterii Loci sancti Bernardi Cysterciensis ordinis, Cameracensis dyocesis, domum sive mansionem suam, sitam in Woude iuxta planitiem, vulgariter Laer nuncupatam, non longe ab ecclesia, cum suo fundo, domistadio videlicet et orto et omnibus edificiis, iam edificatis vel in posterum edificandis, et omnibus appenditiis seu attinentiis eiusdem…”

“…aan de abt en het convent van het klooster van Sint-Bernard van de Cisterciënzer orde, van het bisdom van Kamerijk, zijn huis of hoeve, gelegen in Woude naast de vlakte die in de volkstaal laer wordt genoemd, niet ver van de kerk, met zijn grond, hofstede en tuin en alle gebouwen, zowel de reeds voltooide gebouwen als die nog gebouwd zullen worden en alle afhankelijke goederen en toebehoren” (ONB nr. 1232).

Hier is de ruwe vorm van het middeleeuwse dorp Wouw met de oude wegen, lintbebouwing en ommuurde kerkhoeve. De onderliggende kaart is een 18e-eeuws schotboekkaartje . De woning van de heer van Breda is het kadertje (rectory) ten noordwesten van de ommuring van de kerk, de tuin lag ernaast.

Dezelfde woning komt nog een aantal malen in de dertiende- en veertiende-eeuwse oorkonden (1295, 1302, 1305, 1323) voor in verband met schuldverklaringen van de Wouwse pastoor aan het klooster van Sint-Bernard. Hieruit wordt duidelijk dat het bouwland en de weides die bij de hofstede hoorden zich uitstrekten van het kerkhof tot voorbij de Wouwse beek. Dit gebied waarop zich ook een visvijver bevond, stond bekend onder de naam over den acker (ONB nr. 1347, nr. 1457). Deze naam moet niet verward worden met de Kerkoven acker ten oosten van de dorpskom (de latere Omganck) en het gehucht Acker ten zuiden van de dorpskom.

indruk van het middeleeuwse dorp gebaseerd op kloosterkaart van 1769 van Sint-Bernard aan de Schelde

In de 15e eeuw was het huis en het land van de Wouwse pastoor weer in het bezit van een lekenheer (genaamd Olaudus) gekomen die het in 1430 aan een zeker Claes Smits verkocht. Daarna is de grond opnieuw, ter aflossing van schulden, aan de abdij van Hemiksem overgedragen.

In de 17e eeuw fungeerde deze abdijbezittingen nog steeds als pastorie. in 1610 had de toenmalige pastoor, Philip Meynaert, een geestelijke van de abdij, een nieuwe huisje, schuurtje en kookhuis getimmerd. Toen was niet meer het hele gebied bewesten het ommuurde kerkhof tot en met de Wouwse beek in het bezit van de abdij van Sint-Bernard. Inmiddels lag ook het landgoed Smallebeke tussen de beek en het kerkhof en ook de markies van Bergen op Zoom had in deze hoek bezittingen. In 1636 kreeg de Wouwse pastoor Joannes van Baserode in ieder geval een klein deel van deze goederen weer terug, waaronder een hofstede en het riviertje (zie Krüger 1872: 312).

Maar het noodlot sloeg toe! In 1648 werd de vrede van Münster getekend, waarna de bezittingen van de abdij onteigend werden. De toenmalige pastoor is toen het dorp uitgejaagd. Een “geusen predicant” had daarna zijn intrek genomen in de pastorie en beschouwde het landgoed als het zijne.

Het toeval wil dat de verjaagde katholieke pastoor de vermaarde Judocus Bal was, een bekende naam in de historische cartografie, omdat deze geestelijke voor de abdij van Hemiksem prachtige landtboecken (bezitsbeschrijvingen) met kaarten vervaardigde.

kopie uit 1770 van het landboek van Judocus Bal uit 1661

In zijn bespreking van de abdijbezittingen in het dorp Wouw klinkt enige bitterheid door wanneer hij vertelt hoe hij uit zijn huis en zijn kerk is verjaagd en hoe zijn zwager, Johannes Wilhemsen, twee percelen die eens van hem waren, nu van de hervormde predikant moest pachten.

“…de twee andere, die by ons consent, om reden dat den Predikant die pretendeert, gebruykt worden by mynen swaeger Joannes Wilhelmsen, sonder nogtans eygendom daer aen te hebben, maer komen ons toe…”

Landboek Judocus Bal, AAB inv.342, f.66

De kaart die Judocus Bal in 1661 van de percelen heeft getekend stelt ons in staat dit land op de kaart van 1758 van de landmeter Henri Adan en de kaart van 1784 van J.B. Adan terug te vinden. Opvallend is dat alles er vrijwel nog precies zo bij lag (incl. vijver) als 100 tot 120 jaar daarvoor. De landafmetingen (roeden) van het perceel waren ook niet veranderd.

de kaart van 1784 naast de kaart van Judocus Bal uit 1661 (in kopie)

Maar toen in 1801 de Fransen in het land kwamen werden de heerlijke en kerkelijke goederen van Wouw onteigend en per opbod verkocht. Ook de middeleeuwse pastorij kwam onder de hamer en werd aan de chirurgijn/apotheker van het dorp, Johannes van den Elsacker, verkocht.

Waarschijnlijk werd de middeleeuwse pastorie alleen onteigend omdat het in de goederenregisters van de Abdij van Hemiksem voorkwam. Of de dorpelingen zelf nog wisten dat het land eens de dorpswoning van de pastoor was, is onduidelijk. De nieuwe pastorie lag namelijk elders.

Desalniettemin lijkt het me waarschijnlijk dat de pastoors de Wouwse dorpsnotabelen te pas en te onpas aan de onteigening van 1648 zullen hebben herinnerd. Het ging namelijk in 1803 nog steeds om “eene Huijsinge annexe gebouwen met eene Spatieusen Tuijn” (zie Hermans 2019). De vijver hoorde er inmiddels niet meer bij.

Conclusie: een speurtocht lang oorkondes en landonteigeningen verschaft zo een mooi venster op één van de oudste stukjes van het dorp Wouw. Mijn 15-jarige ik had me voor gek verklaard!

Epiloog. De twintigste-eeuwse aanleg van het “Torenplein” bij de kerktoren heeft de oude percelen jammer genoeg laten verdwijnen. Ook dook tijdens de Tweede Wereldoorlog een V1 raket de huidige Doeldreef in. Toch is nog in ruwe lijnen de oude vorm uit 1661 (en waarschijnlijk die van 1285) zichtbaar in waar en hoe de nieuwe percelen zijn verwezenlijkt.

Google Maps view

bibliografie

(AAB) = Archief Abdij van Bornem, inv. 342 Kopie door Godefridus Bouvaert van het landboek van de abdij Sint-Bernards aan de Schelde door provisor Judocus Bal betreffende de Goederen gelegen in het markiezaat Bergen-op-Zoom en de baronie Breda. “Land-boeck van het marquizaet van Bergen op Zoom en van de Baronie van Breda.”

Hermans, R. (2019). “De verkoop van de Domeingoederen onder Wouw in de Franse tijd. Een ‘nieuwe’ kaart van Adan dook op.” Tijdschrift Heemkundekring de Vierschaer, 32-50.

Krüger, J. Baptista. (1872). Kerkelyke geschiedenis van het bisdom van Breda, dat is van het Noord-Brabandsch deel van het voormalig bisdom van Antwerpen. Bergen-op-Zoom: Jan A.G. Juten.

ONB = Dillo, M., Van Synghel, G. A. M, & Van der Vlist, E. T. (2000). Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. 2: De heerlijkheden van Breda en Bergen op Zoom. Den Haag: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Meeting a Brabantine female farmer

This blogpost is about Ymme die Lems, the female matriarch of a farming family in the 15th century seigneury of Woude (present-day Wouw, Netherlands). I encountered her multiple times in my research into the settlement history of the northwestern corner of Dutch Brabant so here I put together what I know about her. This case study serves to show what information can be gleaned from a medieval tax register about a medieval commoner in a rural community.

my impression of Ymme die Lems

Ymme owned land in “Spelrestraete” a medieval street hamlet consisting of a spread out cluster of farms located along a hay-road that originally led from the village of Woude to Spelreborch, a by then obsolete manorial court, near present-day Steenbergen. Spelrestraete (just like the neighboring community of the Triest-homestead) was a satellite hamlet of Woude, the head town where the parish church was situated. As its own seigneury, Woude maintained a local law court with baillif, aldermen and a local militia. Furthermore, it was protected by a moated castle which was used by the lord of Bergen op Zoom as his personal residence.

medieval hamlets to the northeast of Woude

Ymme is mentioned in the seigneurial tax register of Bergen op Zoom of 1424 (ARR BoZ inv. 1338). It is in these kinds of sources that we find the average medieval commoners: the smith, the miller, the butcher and also Ymme herself.

In the register of 1424, she is identified as Ymme die Lems (daughter of Lems) or Ymme Lem Dierwyen dochter (daughter of Dierwye). She married a farmer called Adde van den Dale. She and her husband belonged to the tax post of Spelrestraete, so presumably that’s where they lived.

Bergen-op-Zoom tax register of 1424

The family of her husband Adde came from the farms located in the Vroenhout dale which is the geographical depression between Spelrestraete and the street settlement of Vroedenhout (present-day Vroenhout). The father of Adde was a tenant farmer called Arnout and can be found paying rent to Pieter Noriiszone in the tax register of 1359.

The hamlets of Vroedenhout and Spelrestraete are within half an hour walking distance and according to 16th century accounts often paid their taxes and tithes together. Both peasant communities had access to a local chapel where occasionally masses were held. As mentioned before, the parish church was located in the village of Woude, so for religious festivities and church services they had to walk to Woude.

A 17th century drawing of the village of Woude, seen from the area west of Spelrestraete (Grave, 1671)

Perhaps that Ymme and Adde met each other at such an occassion. Together they had six children: Claes, Jan, Arent, Godscalc, Willem & Roelant. The children owned land both to the west of Spelrestraete, in the area called “opte donck” and to the east, near Vroedenhout, in an area called “die cauwe”.

Why did Ymme stand out to me? Well, for two reasons: 1) she was taxed for land separate from that of her husband. This is not very common (only 10% of the tax posts concern women). Here it is important to remember that medieval inheritance law did allow for women to inherit land.

2) many of her sons are identified in the register as “X son of Ymme” instead of “X son of Adde”. In total, her name is mentioned over a dozen times, mainly as a parentage identifier for her six sons.

This seems to suggest that the tax collector who visited the hamlet, encountered a community to which Ymme die Lems had a lot of significance; at least more so than her husband because her name occurs more often.

Also interesting is that Ymme paid 8 Flemish pennies of tax to the lord of Bergen op Zoom whereas her husband Adde paid 7 pennies. Presumably she owned more land Of course, it would be really cool if we could identify the plots which she owned, but this seems not to be possible.

The tax register of 1424 only refers to the taxable plots by the name of the farmer and the amount of tax that was due. The boundaries of the plot are not provided in the register and only occassionally the measurements of the plot are mentioned. This means that only in the rarest of cases, a medieval plot be identified, either by its name or by its measurements.

I hope that this case of a Brabantine female farmer, who lived almost 600 years ago, shows that some interesting nuggets of information about medieval female commoners can be found in the tax registers. And however faint the traces of the life of Ymme die Lems are, it seems clear that she was a significant figure in the fifteenth century farming community in which she lived.

Bibliografie

AAR BoZ inv. 1338, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw, met de gehuchten onder Roosendaal, Kruisland en Langendijk, 15e eeuw (dated to 1424 in Kerkhof 2020)

(forthc.) Kerkhof, P.A. (2020). “Saer, Saert; een Zuid-Nederlandse veldnaam van oznekere oorsprong.” Noordbrabants Historisch Jaarboek.