Waar stond de Vinkenbroekse kapel?

Afgelopen half jaar heb ik meerdere naamkundige artikelen over de middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis en historische topografie van de Noord-Brabantse noordwesthoek geschreven. Tijdens dit onderzoek kwam ik meermaals de buurtschap Vinkenbroek tegen, een historisch straatdorp tussen Wouw en Roosendaal. In een eerder artikel heb ik laten zien dat zelfs over zulke kleine gehuchtjes behoorlijk wat historische gegevens zijn te verzamelen.

buurtschap Vinkenbroek

Hier gaat het mij om het volgende vraagstuk; in Vinkenbroek stond vanaf de late middeleeuwen (1450 – 1700) een kapel die bij de Wouwse Sint-Lenaards-processie op de zondag voor Pinksteren bezocht werd.1 De Vinkenbroekse kapel wordt in deze hoedanigheid in het oudste Wouwse schepenprotocol van 1507 voor het eerst genoemd (RAW inv. 1, f.45v). Deze processie was één van de hoogtepunten van het kerkelijk jaar voor de parochie Wouw. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van de volgende aantekening uit de vroege 17e eeuw :

anno 1619 soo heeft de groote ommeganck weder gegaen voer de ierste reyse lancx Vinckelbroeck met menichte volcx ende vier gulden, die waren den ed hantboge van Sinte Sebastiaen alhier, alsoock de cruysboge van alhier, item den hantboge van Halteren ende den cruysboge van Vroenhout…

Rijksarchief ‘s-Hertogenbosch, Wouw inv. R115; vermoedelijk RAW inv. 115

Een belangrijke kapel dus voor de middeleeuwse en vroegmoderne tijdgenoot in de parochie Wouw. Dat blijkt ook uit een aantekening uit de 18e-eeuwse (Latijnstalige) pastoorskroniek van Gerard Hoffmans (1770) waarin de kapel van Vinkenbroek als volgt wordt beschreven:

De vierde kapel was in Vinckenbroeck, waarvan in 1646 nog steeds de muren overeind stonden en het gebouwtje was vanouds geschikt om diensten in te houden2 (ed. Van Hoeck 1943: 85)

In zijn kroniek geeft Hoffmans echter geen aanwijzingen voor de ligging van het gebouw. Ook in de wetenschappelijke literatuur is deze middeleeuwse kapel nooit gelokaliseerd. In de rest van dit artikel wil ik daarom de gegevens die ik hierover heb gevonden bij elkaar zetten en zo de locatie van deze kapel nader bepalen.


De grens tussen Wouw en Vinkenbroek

Van Hasselt & Weijnen (1948: 122) stelden in het waardevolle boekje “De plaatsnamen van Roosendaal” voor dat de Vinkenbroekse kapel aan de Bulkstraat op de grens tussen Vinkenbroek en Wouw kan hebben gestaan. Dit lijkt mij echter onwaarschijnlijk want in de 15e en 16e-eeuwse visitatierapporten (1480 – 1504) waar de grenspunten tussen Wouw en Roosendaal worden besproken komt de kapel van Vinkenbroek niet voor (cf. NDR RRB inv. 110). Volgens deze rapporten liep de grens bij Vinkenbroek dwars door een hofstede die “Heijn Joos Russaerts huijsinghe” werd genoemd. In een getuigenverklaring uit 1504 beschrijft een getuige met de naam Harman Jan Lamszoon dat de schout en schepenen van Wouw voor inspecties van de wegen en wateren deze hofstede via de hedendaagse Bulkstraat bereikten en daarna dwars door de akkers over een zandpad terug naar Wouw keerden (zie Van Ham 1975: 127).

Dit alles betekent dat de kapel van Vinkenbroek oostelijker moet hebben gelegen dan de grens tussen Wouw en Vinkenbroek. Dit wordt bevestigd door een schetskaartje uit 1525 waarin de grenspunten tussen het land van Bergen en van Breda zijn ingetekend (GAR inv. M10675). Op dit kaartje zien we dat de kapel van Vinkenbroek als apart oriëntatiepunt ten oosten van Heijn Joos Russaers hofstede staat aangegeven.

De cappelle van Vijnckenbroeck” Gemeente-archief Roosendaal M10675

Het cijnsregister van 1560

Andere aanwijzingen voor de locatie van de Vinkenbroekse kapel komen uit een Bergen-op-Zooms cijnsregister uit 1560. Hierin vinden we vier cijnsposten plus perceelbeschrijvingen met de kapel van Vinkenbroek als bijgegeven plaatsbepaling. Het gaat hier om landbouwpercelen die bij de hoeves aan de Bulkstraat hoorden, allen tussen de één en anderhalve Roosendaalse gemet groot (0,43 ha en 0,645 ha). Hieronder een voorbeeld:

Uijt geert de tappers thijSen comende van Jan de tapper huijs ende hoff te Vinckenbroeck bij de capelle met een gemet landts daer aene” (ARR BoZ inv. 1350, 53r)

Het kadaster van 1832 laat zien dat de Vinkenbroekse percelen op de grens tussen Wouw en Roosendaal dan afvallen omdat de meeste te groot zijn. Bij de kruising van de Bulkstraat met het Kreukelstraatje en de vlak daarachter liggende kruising met de Boeiinksestraat bevinden zich daarentegen wel meerdere percelen van ruwweg de grootte die in het register van 1560 gegeven wordt. Dit zou daarom dan ook een veel aantrekkelijkere locatie voor de Vinkenbroekse kapel zijn.

Percelen van ongeveer 1 of 1,5 gemet groot. tekening: Kerkhof. Onderlaag kadaster 1832

De kaart van 1769

Doorslaggevend bewijsmateriaal voor deze aanname komt uit een kaart van de Sint-Bernardussabdij te Hemiksem die in 1769 getekend is en waarvan een kopie uit 1817 bewaard is gebleven. Deze Sint-Bernardusabdij bezat de kerkelijke tienden (een soort belasting) van de parochie Wouw alsook enkele belangrijke dorpspercelen. De bovengenoemde kaart is vervaardigd ten tijde van de parochiekroniek van Hoffmans dus we mogen verwachten dat de kapel erop staat afgebeeld. En ja hoor; op de kaart van 1769 staat ten noordoosten van de kruising van de Bulkstraat met de Boeiinksestraat het woord “capel” geschreven.

Kaart van de tiende van Sint-Bernard, BHIC 343, inv. 2466

Aangezien dit in overeenstemming is met de boven gegeven overwegingen, kunnen we vrij zeker zijn dat hier de correcte locatie van de Vinkenbroekse kapel staat aangegeven en zo zijn we een waardevolle aanwijzing over de middeleeuwse topografie van de parochie Wouw rijker.

locatie kapel. tekening: Kerkhof. Onderlaag kadaster 1832

Tot slot nog het volgende; een paar weken geleden realiseerde ik mij dat ik jarenlang elke dag door Vinkenbroek heen ben gefietst, op weg om mijn dementerende grootmoeder te bezoeken. Al die jaren heb ik nooit geweten dat die min of meer willekeurige verzameling boerderijen vroeger een heus dorp was. Ik vind het daarom best bijzonder dat ik nu, bijna twintig jaar later, in eeuwenoude registers en kaarten toch iets nieuws over deze plek heb weten te ontdekken.


Voetnoten

1 In de Wouwse parochiekroniek van Gerard Hoffmans (1770) lezen we over het feest van Sint-Lenaard: “elk jaar op de zondag voor Pinksteren was er zo’n grote toeloop van volk (bij de kerk van Wouw) dat die dag wel veertig en meer karren met aardewerk en steengoed (in de volkstaal aardewerck of gelyewerck) zwaar beladen aankwamen en een soort van markt hielden“, vertaald uit “quotannis Dominica ante Pentecostem tantus erat concursus populi ut eo die quadraginta currus et ultrae solis in instrumentis vel mobilibus ex luto et latere confectis (vulgo aardewerck vel gelyewerkc) onusti adventarent et speciem nundinarium constituerent” (Van Hoeck 1943: 32)

2 “Quartum sacellum fuit in Vinckenbroeck, cujus adhuc muri et parietes anno 1646 existebant, eratque formatum ab antiquo ut divina in eo celbrarentur.” (Van Hoeck 1943: 85)

Bibliografie

ARA BoZ = Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom
inv. 1350, legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Roosendaal, Kruisland en Langendijk.

Brabants Historisch Informatie Centrum, toegangsnummer 343 Collectie kaarten en tekeningen van het Rijksarchief in Noord-Brabant, ca. 1500- ca. 2000, inv. 2466, kaart of tweede deel van de tiende onder Wouw, Heirel, Moerstraten, Nassau en Cruyslandt toebehorende aan de abdij van sint Bernard

Gemeentearchief Roosendaal, inv. M10675, manuscriptkaart van het noordwestelijk gedeelte van het hertogdom Brabant

Van Ham, W. (1975). ‘Breda contra Bergen op Zoom: vijf eeuwen strijd om de grenzen (II)’. Jaarboek de Oranjeboom 28, 95-134.

Van Hasselt, R. & A.A. Weijnen (1948). De Plaatsnamen van Roosendaal. Jaarboek De Ghulden Roos 8, Roosendaal.

Van Hoek, F. (1943). ‘Jaarboeken der parochie Wouw II,’ Taxandria; tijdschrift voor Noord-Brabantse geschiedenis en volkskunde 50, 73-95.

NDR = Nassause Domeinraad: Raad en Rekenkamer te Breda I, Inv. 110, Stukken aangaande de regeling van de grens tusschen het land van Breda en dat van Bergen op Zoom, van Halsteren tot Sprundel

RAW = West-Brabants archief 0388, Rechterlijk archief Wouw inv. 1, Schepenprotocol 1507-1511

Hoe klonk de Oudnederlandse th-klank?

Naar aanleiding van het Rotta-filmpje (een educatief filmpje waarin elfde-eeuws Nederlands wordt gesproken) heb ik veel vragen gekregen over hoe taalreconstructie precies werkt. Taalreconstructie is een verdienste van de vergelijkende taalwetenschap die hiervoor gebruik maakt van een gevestigde taalwetenschappelijke methode; het achterhalen van de historische wetmatigheden waarmee de klanken van een taal door de eeuwen heen zijn veranderd. Door deze wetmatigheden terug te volgen (van de moderne dialecten via de middeleeuwse dialecten tot de voorhistorische taalfase) en te vergelijken met de wetmatigheden in verwante talen kan de klankstand van een niet overgeleverde taal gereconstrueerd worden.

Hoe de methode precies werkt is een beetje ingewikkeld, maar kan geïllustreerd worden aan de hand van een versimpeld voorbeeld; in de Oudnederlandse teksten vinden we bijvoorbeeld een klank die geschreven werd met de lettercombinatie th, bijvoorbeeld in het Oudnederlandse woord thing (=ding). In de latere Nederlandse dialecten vindt men een d op de plek waar vroeger deze th stond. Daarom luidt het Modernnederlandse woord: ding, met een d-klank aan het begin.


Th in verwante talen

In het Engels en het IJslands begint ditzelfde woord met een th-klank (Engels thing, IJslands thing), een klank die gemaakt wordt door met je tong tussen je tanden een sissend geluid te maken. Opvallend is dat Engels-IJslandse woorden met th-klank nooit corresponderen met Oudnederlandse woorden die met d of t beginnen. Andersom correspondeert een Oudnederlandse th altijd met een Engels-IJslandse th; de klankreeksen worden in de verschillende talen dus perfect uit elkaar gehouden!

NederlandsOudnederlandsEngelsIJslands
dingthingthingthing
dochterdochtardaughterdóttir
tientententíu

Hieruit volgt dat het onderscheid tussen deze klanken erg oud is en teruggaat tot een fase waarin het Nederlands, Engels en Scandinavisch nog niet uit elkaar zijn gegaan. In deze prehistorische Germaanse vooroudertaal had men dus drie verschillende klanken die corresponderen met de bovengegeven drie klankreeksen.

De vraag is nu hoe deze klanken uitgesproken werden. De d-reeks en de t-reeks bieden dan geen probleem, want zij wijzen allen naar dezelfde klank. Alleen de th-reeks is problematisch want het Nederlands heeft een d waar de andere talen (waaronder het Oudnederlands!) een th hebben.

Het is daarom aantrekkelijk om aan te nemen dat het oudste Germaans ook de Engels-IJslandse th-klank had en dat deze oude th-klank, net zoals in het Engels en het IJslands, bewaard is gebleven in het Oudnederlands. Later pas is deze Oudnederlandse th in een Nederlandse d veranderd, waardoor deze klank samenviel met de oudere Germaanse d die we in dochter zien.

GermaansOudnederlandsModernnederlands
th> th> d
d> d> d
t> t> t

De klanken van het Oudnederlands lagen dus erg dicht bij de klanken van het Engels en het IJslands; in al deze talen begon het woord voor “ding” met een th-klank, het woord voor “dochter” met een d en het woord voor “tien” met een t.

In de loop van de twaalfde eeuw heeft in het Nederlands de klankontwikkeling van th naar d plaats gehad. De plaatsnaam Dordrecht werd in de twaalfde eeuw namelijk nog als Thuredrith geschreven, maar in de dertiende eeuw als Dordrecht. Deze veranderde spelling vindt men natuurlijk niet alleen in het geval van Dordrecht maar in alle namen die eertijds met th begonnen (zo ook bv. Thelden naar Delden). In de dertiende eeuw hebben we dan het tijdvak van het Oudnederlands verlaten en zijn we in de Middelnederlandse taalfase terechtgekomen.

Belangrijk om te onthouden is dat elke oude th in deze positie (begin van het woord) in deze periode in een d veranderde. Alleen zo is te verklaren dat de vergelijking van klankreeksen tussen de verschillende verwante talen regelmatige overeenkomsten oplevert.


Latijns schrift en Runenschrift

Dezelfde conclusie (dat de Germaanse th-klank apart stond van de Germaanse d of t) kan ook afgeleid worden uit de middeleeuws spelling van het Oudnederlands in Latijns schrift. Deze spelling is namelijk gebonden aan de specifieke uitspraakregels die voor het Latijn golden. Het Latijn had namelijk wel een d-klank en een t-klank, maar geen klank zoals de Engelse th. Hiervoor had de klerk dus een creatieve oplossing nodig en werd de th-lettercombinatie uitgevonden.

Voor hun eigen runenalfabet hadden de Germaanssprekende volkeren trouwens een andere oplossing bedacht; ze hadden een letter ontworpen die precies deze th-klank weergaf, namelijk de runeletter , ook wel thorn genaamd (naar de doorn-vorm van het runeteken). In de middeleeuwen hadden de Engelse monniken dit runeteken opgenomen in het Latijnse alfabet; het bood namelijk een makkelijkere oplossing dan de omslachtigere th-spelling!

de thorn-letter þ in het woord theod op het eerste blad van het Oudengelse Beowulfgedicht

Leenwoorden in het Nederlands

Ook de overdracht van leenwoorden kan wat vertellen over de Nederlandse uitspraak van duizend jaar geleden. Dat kan door het klanksysteem van de gevende taal en de ontvangende taal met elkaar te vergelijken en vast te stellen hoe deze klanksystemen zich tot elkaar verhielden.

Hier een voorbeeld uit de negende en tiende eeuw toen Vikingen onuitgenodigd de Lage Landen bezochten. Deze Scandinaviërs spraken een taal die de voorouder was van het IJslands. De Vikingen hadden namen waarin ook diezelfde th-klank voorkwam die we in het IJslandse woord thing tegenkwamen. Omdat sommige van hen in de Lage Landen zijn blijven wonen, zijn Noorse Vikingnamen zoals Thorgeir, Thorgisl en Thorolfr in latere Nederlandstalige bronnen terug te vinden als Dorgher, Dorghis en Dorolf. Hieruit blijkt dat de Oudnoorse th-klank onze taal is binnengekomen toen ook het Nederlands nog de th-klank had zodat de ontleende namen dezelfde th > d klankontwikkeling van de twaalfde eeuw door konden maken.


Conclusie

Door al deze puzzelstukjes met elkaar te combineren kunnen we dus met grote zekerheid zeggen hoe de Oudnederlandse klank die geschreven werd met de th lettercombinatie daadwerkelijk uitgesproken werd. En diezelfde puzzel kan voor élke klank van het Oudnederlands gemaakt worden zodat we na meer dan een eeuw wetenschappelijke bestudering van de taalgeschiedenis van het Nederlands een goed overzicht hebben van hoe onze taal duizend jaar geleden geklonken moet hebben.

Deze bijzondere verdienste van de historische taalwetenschap is in 1952 door de Amsterdamse taalwetenschapper Mina Colis als volgt beschreven:

“Taalgeschiedenis is in beginsel de zwartste der zwarte kunsten! Het enige middel om de geesten van verdwenen eeuwen opnieuw tot leven te wekken!”

Het moge hiermee duidelijk zijn dat we in de vergelijkende taalwetenschap een belangrijke historische discipline hebben die een uitzonderlijk venster op het verleden verschaft.


Bibliografie

Beekes, R.S.P. (1990). Vergelijkende Taalwetenschap; Tussen Sanskriet en Nederlands. Zeist: Spectrum.

Van Bree, C. (1977). Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands; deel 1 Gotische Grammatica, Inleiding, Klankleer, Universiteit Leiden.

Leys, O. (1955). “Namen van Skandinavische oorsprong in West-Vlaanderen”, in: Mededelingen van de Ver. voor Naamkunde te Leuven en de Comm. voor Naamkunde te Amsterdam 31 (1955), 172-174.

Weijnen, A.A. (1968). Het schema van de klankwetten, Nederlandse taalgeschiedenis, Assen: Van Gorcum & Comp.


Noot aan de lezer

Let op! De vergelijkende methode is een nauwkeurig proces dat alleen werkt als we de klanken van een woord in hun oudste vorm in een precies omschreven fonologische omgeving vergelijken! Voor een doorwrochte inleiding tot de methode van klankreconstructie kan ik Robert Beekes’ boek uit 1990 aanbevelen (Vergelijkende taalwetenschap: een inleiding in de vergelijkende Indo-europese taalwetenschap).

Wie een goed overzicht wil hebben van de klankwetten die van het Oudgermaans naar het Nederlands leiden kan het mooie boekje van A. Weijnen “het schema van de klankwetten” uit 1968 raadplegen. Ook het recent (2016) herziene “Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands” van Cor van Bree (1ste ed. 1977) is zeer de moeite waard.