Atlas van het Dialect in Nederland

“Nee, de zee is om in te zwemmen”; Dat hoorde ik steevast als klein meisje wanneer ik thuis het West-Brabantse “zee” als verleden tijd van het werkwoord “zeggen” gebruikte. Ook vormen als “ik zijn” (ik ben), “ik aar” (ik had) en “me emme” (we hebben) waren niet welkom.

Terugdekkend weet ik als 38-jarige taalwetenschapper dat deze standaardtaal-is-beter-filosofie niet helemaal consequent door mijn ouders werd gehandhaafd. Want hoe vaak heb ik mijn moeder uit de Zaanstreek niet “zij wast haar” en “ik ben zo groos” (trots) horen zeggen? Het zijn dit soort voorbeelden van mengvormen tussen dialect en Nederlands die me mateloos interesseren. Waar komen ze vandaan? En wat zeggen ze over de geschiedenis van de dialecten én van het Nederlands zelf?

In het nieuwe boek Atlas van het Dialect in Nederland waar ik samen met Kristel Doreleijers, Sterre Leufkens en Marc van Oostendorp aan heb gewerkt, geven we aansprekende en eigentijdse antwoorden op dit soort fascinerende vragen. Met prachtige taalkaarten, veel verwijzingen naar dialect in popcultuur en media en ontzettend veel mooie illustraties. Daar ben ik toch wel een beetje “groos” op!

Het boek verschijnt op 22 september, maar voordat het zover is, kun je mee doen aan de Dialectvragenlijst: een korte wetenschappelijke enquête waarmee we de huidige stand van zaken wat betreft dialect in Nederland peilen. Wat vind je van dialect? Versta je ook oudere dialectsprekers? Hoe noem jij je opa’s en oma’s? Ben je team friet of patat?
Vul hem snel in en “agge sjaans et” (West-Brabants: als je geluk hebt) hebt, win je een gratis exemplaar.

Hier kun je de enquete invullen:

Hier kun je het boek reserveren:

Deense dienstplicht in middeleeuws Nederland

Onlangs mocht ik bij de podcast Verhalen van Limburg van Kris Förster en Jody Martens vertellen over het taalkundige bewijs voor een vikingkamp bij Hasselt. Een mooie gelegenheid om het belang van de naamkunde in het zonnetje te zetten én zelf nog eens in één van de meest interessante episodes uit de geschiedenis van de Lage Landen te duiken. Eigenlijk wil ik al geruime tijd iets schrijven over de Vikingen aan de Nederlandse kust: meer precies over het vraagstuk van een mogelijk Deense invloed op de middeleeuws-Hollandse heervaart. Wat dat is, leest u in deze korte blogpost.

Replica van Viking long ship. Creative Commons.

De middeleeuwse heervaart, zeg maar gerust een soort van militaire dienstplicht, werkte als volgt: in de middeleeuwse Lage Landen konden in principe alle edelen en vrijgeboren mannen te wapen worden geroepen om te vechten voor hun landsheer. In het geval van oorlog moest je dan naar de wapenschouw komen met een schild, zwaard of speer. In Holland en West-Friesland bestond van oudsher een ander systeem voor deze middeleeuwse dienstplicht: ieder ambacht of district moest roeiers sturen voor het bemannen van de oorlogsschepen van de graaf, zogeheten riemen voor de heerkoggen

In totaal leverde dat zo’n 1600 extra manschappen voor een veldtocht op. In de late middeleeuwen werden deze ‘reservisten avant-la-lettre’ steeds minder belangrijk omdat de oorlogvoering meer een zaak voor huursoldaten werd. Toch was in het graafschap Holland de institutie van de heervaart-ter-zee nog een lang leven beschoren, al was het krijgshaftige tintje er wel van af: in de late middeleeuwen veranderden de riemen in een fiscale verdeelsleutel voor de heerlijke belastingen en in de 17de eeuw werden de riemen voornamelijk gebruikt om de onderhoudskosten voor het schoonhouden van de Haagse hofvijver en de singelgracht over de belastingplichtige huishoudens te verdelen.

Maar wat heeft dit met de Vikingen te maken? Hier komt de taalkunde om de hoek kijken; in Zeeland, dat ook bij het graafschap Holland hoorde, bestond in de middeleeuwen namelijk een soortgelijk systeem voor een dienstplicht-ter-zee, maar waar deze feodale legerdienst in Holland een riem of riemtal werd genoemd, heette die in Zeeland een hevene. Dit Middelnederlandse woord is erg interessant. Het lijkt namelijk ontzettend veel op het Ouddeense woord hafna dat in 13de-eeuws Denemarken ook een hoeveelheid roeiers voor een oorlogsschip aanduidde én gebruikt werd als verdeelsleutel voor de belastingen. Dit kan eigenlijk geen toeval zijn.

Zou het misschien kunnen dat de dienstplicht in heerkoggen uit de vikingtijd stamt en door de Denen bij ons is geïntroduceerd? Voordat het graafschap werd opgericht, maakte Zeeland, Holland en West-Friesland namelijk kort deel uit van een Deens koninkrijkje (ca. 845-885). Het is geen vreemde gedachte dat de Hollandse graven de oude dienstplicht van de vorige heersers hebben voortgezet. Uit historisch onderzoek blijkt trouwens dat de bewoners van de Noordzeekust dikwijls mee hebben gedaan aan de Vikingtochten (IJssennagger 2013).

De theorie dat de heervaart-ter-zee Deense wortels zou hebben, is afkomstig van de bekende geleerde Izaak Hendrik Gosses (1926), maar heeft sindsdien wel weerwoord gekregen van historici zoals Kees Dekker (1971) en Dirk Blok (1979). Zij brachten hier tegenin dat het Zeeuwse woord hevene ook afgeleid kan zijn van het Middelnederlandse werkwoord hevenen ‘belasting heffen’. Ik vind dat tegenargument niet erg overtuigend; het negeert de terminologische parallel tussen het Scandinavisch en het Middelnederlands en het middeleeuwse woord hevenen komt alleen voor in verwijzing naar deze specifiek Zeeuwse belastingplicht (Fruin 1902). 

Kortom, het is een kwestie waarover nog niet het laatste woord is gezegd. Misschien dat ik ooit nog eens tijd vind om het verhaal wetenschappelijk dicht te timmeren, want er zit volgens mij wel taalkundig potentieel in het idee van Gosses. Daar komt bij dat de 9de eeuw een tijdvak is waar eigenlijk te weinig mee wordt gedaan in de Nederlandse geschiedschrijving. En zou het niet ontzettend gaaf zijn als er een klein stukje Vikingtaal in de historische administratie van ons kikkerlandje bewaard was gebleven?

Bibliografie

Dekker, C. (1971). Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de middeleeuwen. Assen.

Fruin, R. (1902). “Over eenige oude rechtstermen en andere Middelnederlandsche woorden.” Verspreide geschriften. Deel 6. Studiën over staats- en rechtsgeschiedenis. 385-439.

IJssennagger, N. L. (2013). Between Frankish and Viking: Frisia and Frisians in the Viking Age. Viking and Medieval Scandinavia, 9, 69–98.

Jansen, H.P.H. & Hoppenbrouwers, Peter. (1979). “Heervaart in Holland.” Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 94, 1-26.

Etymologica: MidNL reumappel en matral

dr. Alex Kerkhof (Fryske Akademy)

(afbeelding gegenereerd mbv Microsoft Bing Image Creator)

Inleiding

Een paar eeuwen geleden was het doodnormaal. Was je verkouden, dan had je een geperforeerd bundeltje met aromatische kruiden en ambergris om je nek waaraan je af en toe kon snuiven. Een soort van neusspray avant la lettre. Tot in de zeventiende eeuw droegen rijke stedelingen dikwijls zo’n kruidenmix ingesloten in een edelmetalen houdertje (vaak een bolletje) om de nek, niet alleen voor de gezondheid maar ook om de nare geuren van de stad dragelijker te maken. Zo’n bundeltje of bolletje heette vroeger een reukappel of pomander en we komen dit medicinale object geregeld tegen in de medische literatuur van de Europese en Arabische middeleeuwen.1

Reumappel

Onlangs liep ik in een middeleeuwse rekening uit het land van Schoonhoven en Gouda een bij lexicografen onbekend Middelnederlands woord voor pomander tegen het lijf. In deze rekening die de inkomsten en uitgaven van het hof van de graven van Blois van het jaar 1379 opsomt, lezen we het Middelnederlandse woord reumappel.

Item van eenen reumappel an te ruken dien Goodscalc maken dede in een gulden hoornkin dat mijn heer hadde 24 sc. (Nationaal Archief, toegang 3.19.10, inv.nr. 44, f.42)

Dit woord dat ontbreekt in het Middelnederlands Woordenboek van Verdam en Verwijs, werd al opgemerkt door historicus H.A. Verhoef die vanuit de context begreep dat het hier om een pomander ging.  

Verhoef was echter enigszins bevreemd door de vorm reum- in reumappel waar hij verwachtte “reukappel” te moeten lezen (zie Verhoef 2016: 95), maar de etymologie van het eerste element is niet duister. Het gaat hier zonder twijfel om het Middelnederlandse woord reume (MNW s.v. reume), een leenwoord uit Oudfrans reume, dat gebruikt werd om een ziekte aan te duiden die naar men meende veroorzaakt werd door een ophoping van lichaamsvloeistoffen.

Deze link tussen het Middelnederlandse woord reume en pomanders komt uitdrukkelijk naar voren in Johan Ypermans “Medicina” uit 1351 waar we de volgende uitleg terugvinden:

Gedragen vore den nese pomum ambrum die fray es (…) desen appel dragen grote liede in de hant ende houden vor den nese jegen die reume die men heet in sulke steden matral. Dese appel geduert wel 10 jaer goet als men wel maect van nuwen specien. (Koninklijke Bibliotheek Brussel, Manuscrit nr. 15624-41, f59v.)

Hieruit blijkt dat de “reume” waartegen de “pomum ambrum” werkzaam zou zijn een soort van verkoudheid is, een betekenis die ook nog in het Modernfranse rhume behouden is (Weijnen & Ficq Weijnen 1995: 165). 

Matral

In de “Medicina” lezen we naast reume ook het woord matral dat kennelijk eveneens verkoudheid betekent (zie ook Huizinga 2003: 348). Dit woord komt driemaal in de tekst voor:

1. Corisa of catarrus. dats .1. ongemac dat men heet den matral of die reume

2. Dits oec .1. goet experiment iegen den matral die comt van couden humoren

3. iegen die reume die men heet in sulke steden matral

Leon Elaut, de uitgever van de middeleeuwse tekst, merkte in een afzonderlijk artikel uit 1972 op dat het woord matral niet in de Middelnederlandse woordenboeken staat en hij geen overtuigende etymologie kon vinden. Naar mijn mening gaat het bij matral waarschijnlijk om een uit het middeleeuwse Frans of Waals afkomstige term aangezien ook de rest van Ypermans geschriften uitbundig uit het Oudfranse medische vocabulaire lenen. We mogen dan bijvoorbeeld denken aan een afleiding bij Oudfrans maltraire “lijden, pijn hebben” waar dissimilatie is opgetreden (bv. Oudfrans maltrai “leed, pijn” > matral) of eventueel een samenhang met Oudwaals macral “tovenares” en macraller “betoveren” (zie Remacle 1967: 363; FEW s.v. makelare) middels een verlezing van <t> voor <c>  in de handschriftoverlevering. Mocht iemand een betere suggestie hebben, sta ik natuurlijk open voor alternatieve etymologieën. 

Conclusie

Tot besluit van deze korte blogpost hier nog even het volgende: het gebeurt met enige regelmaat dat historici en archivarissen in middeleeuwse rekeningen en registers woorden of samenstellingen aantreffen die niet in de woordenboeken staan. Het lijkt mij daarom een goed idee dat wij historisch-taalkundigen en Neerlandici (mbv transkribus en een digitaal meldpunt?) een nieuwe poging doen om de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne administratieve bronnen na te speuren op tot op heden onopgemerkt lexicaal materiaal. Zodoende kunnen ook nog in de éénentwintigste eeuw nieuwe delen van de historische Nederlandse woordenschat boven water komen.  

Voetnoot

1. De oudste vermelding in Noordwest-Europa van een pomander die ik heb kunnen vinden bevindt zich in de huishoudrollen van de Engelse koning Henry III waar we in 1261 over een “compotum de uno pomo de aumbre cum apparatu auri et diuersis lapidibus” lezen (Wardrobe Acc.Hen.III (PRO) [OD col.]1.m.1). In Frankrijk zelf treffen we een “pome d’ambre” aan in de boedelinventaris van de Franse koningin Clementia van Hongarije uit het jaar 1328 (InvClemD, DEAF SV pon). 

Bibliografie

  • Elaut, L. (1972a). “Etymologie en betekenis van enige leen- en bastaardwoorden in de vaktaal van Johan Ypermans Medicina.” Leuvense Bijdragen, Tijdschrift voor Germaanse filologie 61e jaargang, 1972, 13-28
  • Yperman, J., & Elaut, L. (1972b). De medicina van Johan Yperman : naar het Middelnederlands Hs. 15624-41 (14e eeuw) uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Gent: Story-Scientia.
  • Huizenga, E. (2003). Tussen autoriteit en empirie: de Middelnederlandse chirurgieën in de veertiende en vijftiende eeuw en hun maatschappelijke context. Verloren.
  • Remacle, L. (1967). Documents lexicaux extraits des archives scabinales de Roanne (La Gleize) 1492-1749, Paris.
  • Verhoef, H. A. (2016). De graven van Blois; heren van Schoonhoven en Gouda. Schoonhoven: Historische uitgaven Schoonhoven.
  • Verwijs, E., Verdam, J., & Stoett, F. A. (1882-1952). Middelnederlandsch woordenboek. ‘s-Gravenhage: Nijhoff.
  • Weijnen, A. A., & Ficq-Weijnen, A. P. G. M. A. (1995). Ziektenamen in de Nederlandse dialecten. Den Haag: SDU.

Smots en Smodzje: smeerboel in het zeventiende-eeuwse Nederlands en Fries

lithografie De Ruyter – Meijer 1878

inleiding

In het recente boekje Alle Amsterdamse Akten: Ruzie, rouw en roddels bij de notaris, 1578-1915 uit 2022 staat een prachtig artikel van Nicoline van der Sijs over scheldwoorden in de Amsterdamse notarisakten van de zestiende tot de achttiende eeuw. Hierin wordt beschreven dat vrouwen meestal met het woord “hoer” of samenstellingen met “hoer” werden uitgescholden, bv. gauwdiefshoer, allemanshoer, donderhoer en dievenhoer.

Niet heftig genoeg

Wat Nicoline van der Sijs opviel, was dat woorden zoals slons, del, dweil of slet in de Amsterdamse notarisakten nauwelijks voorkwamen terwijl ze ook in die tijd al als negatieve vrouwenbenamingen in omloop waren. Voor het woord slet is de negatieve betekenis al bekend uit de vroege zestiende eeuw in de samengestelde uitdrukking dronken slet (zie Bremmer 1996: 27). Maar mogelijk was een dergelijke belediging nog niet heftig genoeg om voorbereidingen voor een rechtszaak over te beginnen en de hulp van een notaris in te schakelen.

Smots

Dit herinnerde mij aan het volgende: in de achttiende-eeuwse getuigenissen die voor de Antwerpse vierschaar zijn afgenomen komt geregeld een scheldwoord voor vrouwen voor dat in de Amsterdamse akten ontbrak: het woord smots “zedeloze vrouw, slet, hoer”, een woord dat nog steeds in het zuidelijke Nederlands in gebruik is. Hier een voorbeeld uit de Antwerpse archieven:

“…ende aen welcken vrouw persoone geseght wiert dat sij jouff Van den Bergen, wesende de ouste doghter van weylen dhr Van den Bergen, op de straete soude geattaqueert hebben soo met injurieuse woorden haer noemende te sijn eene hoer ende smotse, als met de daet haer in het aensight gevlogen ende eenige slaegen soude toegebroght hebben…” (Antwerpen 1761)

Etymologisch houdt het woord smots verband met het Middelnederlandse modde “modder, slijk” dat bij extensie ook “vuil vrouwmens, lomp vrouwmens, onhandig vrouwmens” kon betekenen. Het Middelnederlandse woord modde is later uitgebreid met een expressieve s-beginklank waaruit Vroegmodernnederlands smodde “slordige vrouw, schoonmaaklap, servet” uit voort kwam. Deze uitbreiding is mogelijk erg oud als we de verwante woordvormingen in het Middelengels, Middelnederduits en Middelhoogduits als aanwijzingen hiervoor nemen (vgl. Middengels smut, smod, smutten, Middelnederduits smudden, Middelhoogduits smotzen). Het is dus goed mogelijk dat het woord smodde al in het Middelnederlands bestond maar door toeval pas laat is overgeleverd. Dit blijkt ook uit het feit dat het Nederlandse woord smoddich “smerig, vuil” al in de vijftiende eeuw bestond.

Aan de vorm smodde werd later nog een se-achtervoegsel toegevoegd zodat we smodse, smotse krijgen (vgl. kluns “sukkel”uit Bargoens klunte “hoer”). Ook konden van smodde iteratieven gemaakt worden die we als smoddelen, besmoddelen en besmodderen in de historische teksten tegenkomen.

Hoe oud is de woordvorming?

Over de ouderdom van de woordvorming smod + se durf ik geen zekere uitspraken te doen. Er zijn namelijk woordafleidingen met dat achtervoegsel WGm. *-isja die heel erg oud zijn, bv. Oudnederlands kevisa “bijvrouw” dat in de Leidse Williram (ca. 1080) voorkomt.

“Seszogh sint thero kuninginnan, aghtzhogh sint thero keuese, thero thiernan neis nehein zala.”

“Er zijn zestig koninginnen, er zijn tachtig bijvrouwen, er zijn meisjes zonder tal”

Ditzelfde woord komt voor als kevese in één van onze oudste Vroegmiddelnederlandse (= VMidNL) woordenlijsten van ca. 1220 (VMidNL kevese gl. concubina, fornicatio Glossarium Bernense).

Maar het is opvallend dat de vorm smotse beduidend jonger is dan modde en smodde. Men zou dus voor een vrij “nieuwe” woordvorming uit de zeventiende of achttiende eeuw kunnen pleiten.

Er is ook wel opgemerkt dat het woord smots “zedeloze vrouw” enige overlap met het Zuid-Nederlandse woord smossen “vuil maken” heeft (vgl. ModNL smos “vuile vrouw”), maar dat werkwoord lijkt toch eerder etymologisch met morsen samen te hangen. Van Veen en Van der Sijs (1997) merken in hun etymologisch woordenboek terecht op dat bij de etymologie van smots “zedeloze vrouw” de Duitse woorden schmutz en schmutzig “vies, vuil” mogelijk een rol hebben gespeeld. Deze woorden kunnen namelijk al vroeg de zuidelijke Nederlanden hebben bereikt.

Fries

Een volgende vraag is hoe het dan met de Modern Friese woorden smots “fruitmoes, smeerboel”, smodzje “modderig worden” en besmodzje, besmodzgje “besmeuren, vuil maken” zit. Moeten we die als leenwoorden uit Nederlands smodden en besmodden beschouwen?

Dat hoeft wat mij betreft niet want het is goed mogelijk dat het Oudfries een oud werkwoord *smodia “bevuilen”bezat, dat in de middeleeuwse bronnen niet bewaard is gebleven (vgl. Middelengels smod “vuiligheid”, Middelnederduits smudden “bevuilen”). In de latere ontwikkeling van het Fries wordt middeleeuws *smodia automatisch smodzje (vgl. reedzje “vertellen” < Oudfries rethia) en het Friese woord smots en smodze “smeerboel”kunnen dan secundaire afleidingen bij het werkwoord zijn.

Een interessante zijkwestie is of het Friese werkwoord smodzje “bevuilen” ook verband houdt met de Engelse werkwoorden smudge “bevuilen, besmeren”en smutch “zwart maken”. De Engelse dzj-klank in smudge wijst er namelijk op dat het oorspronkelijk geen Engels woord was. Op het eerst gezicht lijkt het Fries echter niet als donorvorm in aanmerking te komen. Desalniettemin is de gelijkenis treffend.

Conclusie

In dit artikel begonnen we bij historische scheldwoorden van vroegmodern Amsterdam en eindigden we met verschillende Friese woorden voor bevuilen. Het artikel van Nicoline van der Sijs over de historische scheldwoorden uit de Amsterdamse archieven vormde zo een mooie aanleiding om de oorsprong van de Nederlandse woordfamilie van smodden en de Friese woordfamilie van smodzje nader onder de loep te nemen. Zo houdt de smeerboel uit de zeventiende eeuw ons tegenwoordig nog steeds bezig.

Bibliografie

Ancien Régime Archief Antwerpen, Vierschaar Antwerpen (1729-1790), v. 105, 2, blz. 215-217.

Bremmer Jr Rolf H. (1996). “Schelden doet zeer: verbaal kwetsen in laat-middeleeuws Friesland”. Leidschrift. Historisch Tijdschrift 12: 2, 19-36.

Kerkhof, P. A. (2020). Vloeken in Middeleeuws Brabant. URL: https://treasuresofdutch.com/2020/07/15/vloeken-in-middeleeuws-brabant/

Van der Sijs, N. (2022). “’Injurieuse expressien’ Scheldwoorden in Amsterdamse notarisakten 1583-1796”. in: Alle Amsterdamse Akten: Ruzie, rouw en roddels bij de notaris, 1578-1915. Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, 114.

De etymologische woordenboeken van De Vries (1970) en Philippa e.a. (2009) zijn geraadpleegd via Etymologiebank.nl

De historische woordenboeken zoals MNW = Middelnederlandsch Woordenboek, WNT = Woordenboek der Nederlandse Taal en WFT = Woordenboek der Friese Taal zijn geraadpleegd via de grote taalbank van het INT: https://gtb.ivdnt.org.