
“Nee, de zee is om in te zwemmen”; Dat hoorde ik steevast als klein meisje wanneer ik thuis het West-Brabantse “zee” als verleden tijd van het werkwoord “zeggen” gebruikte. Ook vormen als “ik zijn” (ik ben), “ik aar” (ik had) en “me emme” (we hebben) waren niet welkom.
Terugdekkend weet ik als 38-jarige taalwetenschapper dat deze standaardtaal-is-beter-filosofie niet helemaal consequent door mijn ouders werd gehandhaafd. Want hoe vaak heb ik mijn moeder uit de Zaanstreek niet “zij wast haar” en “ik ben zo groos” (trots) horen zeggen? Het zijn dit soort voorbeelden van mengvormen tussen dialect en Nederlands die me mateloos interesseren. Waar komen ze vandaan? En wat zeggen ze over de geschiedenis van de dialecten én van het Nederlands zelf?
In het nieuwe boek Atlas van het Dialect in Nederland waar ik samen met Kristel Doreleijers, Sterre Leufkens en Marc van Oostendorp aan heb gewerkt, geven we aansprekende en eigentijdse antwoorden op dit soort fascinerende vragen. Met prachtige taalkaarten, veel verwijzingen naar dialect in popcultuur en media en ontzettend veel mooie illustraties. Daar ben ik toch wel een beetje “groos” op!
Het boek verschijnt op 22 september, maar voordat het zover is, kun je mee doen aan de Dialectvragenlijst: een korte wetenschappelijke enquête waarmee we de huidige stand van zaken wat betreft dialect in Nederland peilen. Wat vind je van dialect? Versta je ook oudere dialectsprekers? Hoe noem jij je opa’s en oma’s? Ben je team friet of patat?
Vul hem snel in en “agge sjaans et” (West-Brabants: als je geluk hebt) hebt, win je een gratis exemplaar.
Hier kun je de enquete invullen:
Hier kun je het boek reserveren:
