Meertaligheid van een elfde-eeuwse gravin

In de taalgeschiedenis van het Nederlands is altijd een zekere mate van meertaligheid in het spel geweest. Denk aan de invloed van het Romaans (Laat-Latijn) in de oudheid, aan de invloed van het Fries in de middeleeuwen en aan die van het Frans in de pruikentijd. Hier een korte blogpost over de meertaligheid van een elfde-eeuwse dame die de machtigste vrouw van onze streek was.

Othilhilda was gravin van West-Friesland (het latere Holland) in de late elfde eeuw. Zij was mogelijk een dochter van de hertog van Saksen en zonder twijfel een hooggeboren dame.1

Zo spreek je Othilhilda uit

Ze trad omstreeks 1080 met graaf Thiederik V (Dirk) van Holland in het huwelijk. Thiederik zocht bondgenoten in Saksen en zal daarom met haar getrouwd zijn. Othilhilda zal waarschijnlijk met Oudsaksisch als taal zijn opgevoed en dat sprak ze toen ze in Kennemerland aankwam.

Zo spreek je Thiederik uit

Thiederik, haar echtgenoot, was echter opgevoed in Vlaanderen. Hij sprak dus waarschijnlijk Oudnederlands met een Vlaams accent. Aan het hof werd dan ook nog eens Fries gesproken want het gebied tussen Rijnsburg en Egmond was toen nog gedeeltelijk Friestalig.

het graafschap West-Friesland met de gouwen Kennemerland, Rijnland en Maasland

Wat zijn de verschillen? Othilhilda zal in het Oudsaksisch vogalas gezegd hebben, terwijl Thiederik in het Oudnederlands vogala zei. De Friese hovelingen zeiden dan weer fugela.

Ook waren er verschillen in de grammatica. Het Oudsaksisch van Othilhilda maakte namelijk (net zoals het Fries) geen onderscheid van getal in de meervoudsvervoeging van het werkwoord. Haar man Thiederik deed dat wel in het Oudnederlands (zie tabel).

OudsaksischOudnederlandsOudfries
ik biumic bimik ben
thu bistthu bistthu bist
he ishe ishi is
wi sindonwi sinwi sind
gi sindongi sitji sind
sia sindonsia sinthia sind
werkwoordvervoegingen van het werkwoord “zijn”

Voor de Nederlandse taalgeschiedenis is het bovendien interessant dat Othilhilda op hetzelfde moment in Egmond was als toen de Egmondse Williram, één van de belangrijkste Oudnederlandse teksten, gekopieerd werd (Sanders 1974: 25-31). De inhoud van de tekst is vrij spannend; een geleerd commentaar op het erotische Bijbelboek Hooglied.

Maar ook hier taalproblemen! De Egmondse Williram is nl een vernederlandste versie van een Beiers-Duitse tekst. Als de tekst aan haar werd voorgelezen dan waarschijnlijk door een Vlaamse monnik (Egmond zat vol met Vlamingen). Othilhilda bevond zich dus in zeer meertalige omgeving!

Graaf Thiederik stierf in 1091 op 37 jarige leeftijd. Othilhilda stierf waarschijnlijk na 1130. Zij heeft haar man dus nog vele jaren overleefd. In de jaren tachtig bij archeologische opgravingen rond de kloosterkerk van Egmond stuitte men bij toeval op haar graf. Haar stoffelijk overschot is jammer genoeg een van de weinige sporen die van deze veeltalige dame over zijn.

Tot slot: een Modernnederlandse versie van de 11e-eeuwse naam Othilhilda zou Odeld(e) zijn, net zoals de Oudnederlandse naam Machtilhilda in Machteld(e) veranderde. Ik hoor het nu al “Odeld, kom je buiten spelen?”


Noot aan de lezer

In dit artikel dient de gravin vooral als historisch voorbeeld aan de hand waarvan de meertaligheid van elfde-eeuws West-Friesland geïllustreerd kan worden. Vanuit de historische bronnen is er over Othilhilda vrijwel niks met zekerheid bekend. Ik heb de tekst van dit artikel op 28 april 2020 enigszins aangepast om deze onzekerheid beter uit de verf te laten komen.


Voetnoten

1 we mogen haar niet verwarren met gravin Othilhilda van Saksen, de vroeg-elfde-eeuwse echtgenote van de West-Friese graaf Thiederik III (993-1033) die de slag bij Vlaardingen won.

Bibliografie

Cordfunke, E.H.P. (1987). “Othilde”, in: Gravinnen van Holland; Huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse huis. De Walburg Pers, Zutphen, 53-56.

Nieuwenhuijsen, K. (2016). Strijd om West-Frisia : De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100. Omniboek, Utrecht. 

Sanders, Willy. (1974). Der Leidener Willeram, Medium Aevum 27, Wilhelm Fink Verlag, München.

Brabantse bandieten

Op Netflix is nu de Vlaamse serie “de Bende van Jan de Lichte” te zien waarin het leven van een groep Brabantse bandieten omstreeks 1740 centraal staat. Omdat de serie niet bijzonder goed is, hier een blogartikel over echte bandieten in Brabant, gebaseerd op archiefonderzoek uit 1989.

In de scriptie “Hanghen tusschen Hemel ende Eerde” van W.F.L. Reijnders worden de doodsvonnissen van de schepenbank van Wouw (een heerlijkheid tussen Bergen op Zoom en Roosendaal) tussen 1616 en 1803 besproken. Vaak betreft het zwervers, deserteurs en bandieten die met diefstallen en berovingen in hun levensonderhoud voorzagen.

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Van de Wouwse schepenbank zijn 250 procesdossiers overgeleverd: De verdachten waren door de drossaard (een soort van politiechef) gearresteerd en vaak op de pijnbank tot een bekentenis gedwongen. De drossaard formuleerde een strafeis waarna de schepenbank rechtsprak.

Vooral wanneer de zwervers van buiten Staats-Brabant kwamen, werd tot de doodstraf besloten (in 18 van de 250 processen). De scherprechter van Bergen op Zoom voerde de terechtstelling uit op het marktplein, tegenover de vierschaer (het raadhuis), waar voor zo’n gelegenheid een halve galg was getimmerd.

De verschillende kwartieren van de heerlijkheid (Spellestraat, Wouwse Hil, Oostelaar etc) leverde 80 manschappen voor een burgerwacht die een afzetting rond het schavot vormden. Na de executie werd het lichaam per kar naar het galgenveld vervoerd en daar ten toon gesteld. In de middeleeuwen stond er een gerechtsplaats bij de Wouwse oostmolen richting Roosendaal en een andere niet ver van de Wouwse baan bij de grens met Bergen op Zoom.

“Hier hebben die van Wou iustititie gedaan” (ARR BoZ inv. 599)

De exacte locatie van het na-middeleeuwse galgenveld is niet bekend. Volgens de zeventiende- en achtiende-eeuwse bronnen was het gelegen “op de heide”. Aangezien onder de Wouwse heide in latere tijd het gebied bezuiden de Wouwse hil werd verstaan, zal het dus waarschijnlijk niet hetzelfde galgenveld dat bij de Wouwse baan lag zijn geweest.1

Als voorbeeld van een interessante procesgang, hier het procesdossier van Francis de Wolf uit Brussel die in 1717 in de kraag werd gevat. Hij werd gezocht voor het doodschieten van een herbergier in Besoijen (bij Waalwijk) waarna hij op de pijnbank verscheidene andere misdrijven bekende:

  • beroving van de aanwezigen in de herberg te Besoijen
  • diefstal van lammeren in Nieuw Vosmeer
  • woningoverval in Antwerpen
  • woningoverval in Eekeren
  • winkeloverval in Antwerpen
  • diefstal van levensmiddelen en gijzeling in Stabroek
  • woningoverval in Roosendaal.

Toen hem gevraagd werd de bekentenis te ondertekenen antwoordde hij:

daartoe geen oorsaecke gehadt te hebben als wel te hebben hooren seggen, als de gevangenen teeckenen dat sij dan haer aende galgh teeckenen

(citaat uit Reijnders 1989: 42).

Het feit dat Francis in de maanden daarvoor rondzwierf en “vleselijke conversatie” had met een zekere Maria Raeff pleitte volgens de ondervragers tegen hem. Zij was volgens het dossier namelijk een “persoon vol van ondeughden en grove gebreecken“.

De eis van de drossaard loog er niet om. Francis uit Brussel zou aan een kruis worden gebonden “ende door den scherpreghter levendigh op sijn armen en beenen en voorts op sijn borst en kast met eenen eijseren kantboom” worden geradbraakt tot de dood erop volgde.

Bij wijze van alternatief stelde de drossaard voor eerst de veroordeelde de hand af te slaan en daarna op te hangen waarna de hand aan de galg zou worden genageld. De schepenbank besloot ook dit advies niet te volgen. Een gewone “ophanging” werd het vonnis.

In het dossier bevindt zich tot slot de rekening van deze executie. 39 gulden voor de bouw van het schavot, 9 gulden voor het ijzerwerk van de galg en 6 gulden voor het bier dat geschonken werd bij de ophanging. Ten slotte 48 gulden voor Hendrick Jannieck, de beul uit Bergen op Zoom.

Deze procesdossiers van de Wouwse schepenbank verschaffen een interessant beeld van hoe een kleine boerengemeenschap criminaliteit van buiten probeerde af te schrikken. Het waren nl. vooral “buitenlanders” uit Belgisch-Brabant en Limburg die zwaar werden gestraft.

Kortom; ik vond dit stukje Brabantse geschiedenis een stuk spannender dan de Netflix serie

Voetnoten

1 Daar staat tegenover dat in de zeventiende eeuw ook het gebied bij het Buitengebint en de Borgvlietse duinen bekend stond als “de Wouwse heide” (cf. Van Ham 1980: 52).

Bibliografie

Delahaye, A. (1980). “Wouw in vogelvlucht tussen 1570 en 1813.” in: Woide…die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, Gemeentebestuur Wouw.

Reijnders, W.F.L. (1989). Hanghen tusschen hemel ende eerde: themanummer doodstraf in Wouw, Heemkundekring De Vierschaer, Wouw (opvraagbaar in de KB)

Van dertiende-eeuwse hofstede tot apothekerswoning

Lang geleden, in het verre jaar 2003 , was ik een balorige scholier die tijdens een bezoek aan de Bergen-op-Zoomse Gertrudiskerk het nodig vond om tijdens de rondleiding door dit prachtige gebouw ongepaste grappen te maken. De docent die toezicht hield bestrafte deze gekkigheid met het schrijven van een strafessay over de onteigening van kerkgoederen in Westbrabant in de Reformatie en de Franse tijd. Ik kan u verzekeren, als 15-jarige is dit een dodelijk saai onderwerp.

Onlangs moest ik hier weer aan denken toen ik in de middeleeuwse archivalia de geschiedenis van enkele dorpspercelen van de oude dorpskom van het Westbrabantse Wouw probeerde na te volgen. Ik kwam ze op het spoor toen ik in het oorkondenboek van Noordbrabant naar middeleeuwse veldnamen aan het speuren was.

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Het perceel waar het om gaat is waarschijnlijk één van de oudste stukjes van het dorp dat met zekerheid geplaatst kan worden; namelijk een stuk land met hofstede, gracht en tuin bewesten het ommuurde kerkhof van de kerk van Wouw dat oorspronkelijk aan de heer van Breda, Arnoud van Leuven, en zijn vrouw Elisabeth had toebehoord. Zij schonken dit land in 1285 aan de Sint-Bernardsabdij van Hemiksem (het hedendaagse Bornem bij Antwerpen).

“…abbati et conventui monasterii Loci sancti Bernardi Cysterciensis ordinis, Cameracensis dyocesis, domum sive mansionem suam, sitam in Woude iuxta planitiem, vulgariter Laer nuncupatam, non longe ab ecclesia, cum suo fundo, domistadio videlicet et orto et omnibus edificiis, iam edificatis vel in posterum edificandis, et omnibus appenditiis seu attinentiis eiusdem…”

“…aan de abt en het convent van het klooster van Sint-Bernard van de Cisterciënzer orde, van het bisdom van Kamerijk, zijn huis of hoeve, gelegen in Woude naast de vlakte die in de volkstaal laer wordt genoemd, niet ver van de kerk, met zijn grond, hofstede en tuin en alle gebouwen, zowel de reeds voltooide gebouwen als die nog gebouwd zullen worden en alle afhankelijke goederen en toebehoren” (ONB nr. 1232).

Hier is de ruwe vorm van het middeleeuwse dorp Wouw met de oude wegen, lintbebouwing en ommuurde kerkhoeve. De onderliggende kaart is een 18e-eeuws schotboekkaartje . De woning van de heer van Breda is het kadertje (rectory) ten noordwesten van de ommuring van de kerk, de tuin lag ernaast.

Dezelfde woning komt nog een aantal malen in de dertiende- en veertiende-eeuwse oorkonden (1295, 1302, 1305, 1323) voor in verband met schuldverklaringen van de Wouwse pastoor aan het klooster van Sint-Bernard. Hieruit wordt duidelijk dat het bouwland en de weides die bij de hofstede hoorden zich uitstrekten van het kerkhof tot voorbij de Wouwse beek. Dit gebied waarop zich ook een visvijver bevond, stond bekend onder de naam over den acker (ONB nr. 1347, nr. 1457). Deze naam moet niet verward worden met de Kerkoven acker ten oosten van de dorpskom (de latere Omganck) en het gehucht Acker ten zuiden van de dorpskom.

indruk van het middeleeuwse dorp gebaseerd op kloosterkaart van 1769 van Sint-Bernard aan de Schelde

In de 15e eeuw was het huis en het land van de Wouwse pastoor weer in het bezit van een lekenheer (genaamd Olaudus) gekomen die het in 1430 aan een zeker Claes Smits verkocht. Daarna is de grond opnieuw, ter aflossing van schulden, aan de abdij van Hemiksem overgedragen.

In de 17e eeuw fungeerde deze abdijbezittingen nog steeds als pastorie. in 1610 had de toenmalige pastoor, Philip Meynaert, een geestelijke van de abdij, een nieuwe huisje, schuurtje en kookhuis getimmerd. Toen was niet meer het hele gebied bewesten het ommuurde kerkhof tot en met de Wouwse beek in het bezit van de abdij van Sint-Bernard. Inmiddels lag ook het landgoed Smallebeke tussen de beek en het kerkhof en ook de markies van Bergen op Zoom had in deze hoek bezittingen. In 1636 kreeg de Wouwse pastoor Joannes van Baserode in ieder geval een klein deel van deze goederen weer terug, waaronder een hofstede en het riviertje (zie Krüger 1872: 312).

Maar het noodlot sloeg toe! In 1648 werd de vrede van Münster getekend, waarna de bezittingen van de abdij onteigend werden. De toenmalige pastoor is toen het dorp uitgejaagd. Een “geusen predicant” had daarna zijn intrek genomen in de pastorie en beschouwde het landgoed als het zijne.

Het toeval wil dat de verjaagde katholieke pastoor de vermaarde Judocus Bal was, een bekende naam in de historische cartografie, omdat deze geestelijke voor de abdij van Hemiksem prachtige landtboecken (bezitsbeschrijvingen) met kaarten vervaardigde.

kopie uit 1770 van het landboek van Judocus Bal uit 1661

In zijn bespreking van de abdijbezittingen in het dorp Wouw klinkt enige bitterheid door wanneer hij vertelt hoe hij uit zijn huis en zijn kerk is verjaagd en hoe zijn zwager, Johannes Wilhemsen, twee percelen die eens van hem waren, nu van de hervormde predikant moest pachten.

“…de twee andere, die by ons consent, om reden dat den Predikant die pretendeert, gebruykt worden by mynen swaeger Joannes Wilhelmsen, sonder nogtans eygendom daer aen te hebben, maer komen ons toe…”

Landboek Judocus Bal, AAB inv.342, f.66

De kaart die Judocus Bal in 1661 van de percelen heeft getekend stelt ons in staat dit land op de kaart van 1758 van de landmeter Henri Adan en de kaart van 1784 van J.B. Adan terug te vinden. Opvallend is dat alles er vrijwel nog precies zo bij lag (incl. vijver) als 100 tot 120 jaar daarvoor. De landafmetingen (roeden) van het perceel waren ook niet veranderd.

de kaart van 1784 naast de kaart van Judocus Bal uit 1661 (in kopie)

Maar toen in 1801 de Fransen in het land kwamen werden de heerlijke en kerkelijke goederen van Wouw onteigend en per opbod verkocht. Ook de middeleeuwse pastorij kwam onder de hamer en werd aan de chirurgijn/apotheker van het dorp, Johannes van den Elsacker, verkocht.

Waarschijnlijk werd de middeleeuwse pastorie alleen onteigend omdat het in de goederenregisters van de Abdij van Hemiksem voorkwam. Of de dorpelingen zelf nog wisten dat het land eens de dorpswoning van de pastoor was, is onduidelijk. De nieuwe pastorie lag namelijk elders.

Desalniettemin lijkt het me waarschijnlijk dat de pastoors de Wouwse dorpsnotabelen te pas en te onpas aan de onteigening van 1648 zullen hebben herinnerd. Het ging namelijk in 1803 nog steeds om “eene Huijsinge annexe gebouwen met eene Spatieusen Tuijn” (zie Hermans 2019). De vijver hoorde er inmiddels niet meer bij.

Conclusie: een speurtocht lang oorkondes en landonteigeningen verschaft zo een mooi venster op één van de oudste stukjes van het dorp Wouw. Mijn 15-jarige ik had me voor gek verklaard!

Epiloog. De twintigste-eeuwse aanleg van het “Torenplein” bij de kerktoren heeft de oude percelen jammer genoeg laten verdwijnen. Ook dook tijdens de Tweede Wereldoorlog een V1 raket de huidige Doeldreef in. Toch is nog in ruwe lijnen de oude vorm uit 1661 (en waarschijnlijk die van 1285) zichtbaar in waar en hoe de nieuwe percelen zijn verwezenlijkt.

Google Maps view

bibliografie

(AAB) = Archief Abdij van Bornem, inv. 342 Kopie door Godefridus Bouvaert van het landboek van de abdij Sint-Bernards aan de Schelde door provisor Judocus Bal betreffende de Goederen gelegen in het markiezaat Bergen-op-Zoom en de baronie Breda. “Land-boeck van het marquizaet van Bergen op Zoom en van de Baronie van Breda.”

Hermans, R. (2019). “De verkoop van de Domeingoederen onder Wouw in de Franse tijd. Een ‘nieuwe’ kaart van Adan dook op.” Tijdschrift Heemkundekring de Vierschaer, 32-50.

Krüger, J. Baptista. (1872). Kerkelyke geschiedenis van het bisdom van Breda, dat is van het Noord-Brabandsch deel van het voormalig bisdom van Antwerpen. Bergen-op-Zoom: Jan A.G. Juten.

ONB = Dillo, M., Van Synghel, G. A. M, & Van der Vlist, E. T. (2000). Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. 2: De heerlijkheden van Breda en Bergen op Zoom. Den Haag: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

Meeting a Brabantine female farmer

This blogpost is about Ymme die Lems, the female matriarch of a farming family in the 15th century seigneury of Woude (present-day Wouw, Netherlands). I encountered her multiple times in my research into the settlement history of the northwestern corner of Dutch Brabant so here I put together what I know about her. This case study serves to show what information can be gleaned from a medieval tax register about a medieval commoner in a rural community.

my impression of Ymme die Lems

Ymme owned land in “Spelrestraete” a medieval street hamlet consisting of a spread out cluster of farms located along a hay-road that originally led from the village of Woude to Spelreborch, a by then obsolete manorial court, near present-day Steenbergen. Spelrestraete (just like the neighboring community of the Triest-homestead) was a satellite hamlet of Woude, the head town where the parish church was situated. As its own seigneury, Woude maintained a local law court with baillif, aldermen and a local militia. Furthermore, it was protected by a moated castle which was used by the lord of Bergen op Zoom as his personal residence.

medieval hamlets to the northeast of Woude

Ymme is mentioned in the seigneurial tax register of Bergen op Zoom of 1424 (ARR BoZ inv. 1338). It is in these kinds of sources that we find the average medieval commoners: the smith, the miller, the butcher and also Ymme herself.

In the register of 1424, she is identified as Ymme die Lems (daughter of Lems) or Ymme Lem Dierwyen dochter (daughter of Dierwye). She married a farmer called Adde van den Dale. She and her husband belonged to the tax post of Spelrestraete, so presumably that’s where they lived.

Bergen-op-Zoom tax register of 1424

The family of her husband Adde came from the farms located in the Vroenhout dale which is the geographical depression between Spelrestraete and the street settlement of Vroedenhout (present-day Vroenhout). The father of Adde was a tenant farmer called Arnout and can be found paying rent to Pieter Noriiszone in the tax register of 1359.

The hamlets of Vroedenhout and Spelrestraete are within half an hour walking distance and according to 16th century accounts often paid their taxes and tithes together. Both peasant communities had access to a local chapel where occasionally masses were held. As mentioned before, the parish church was located in the village of Woude, so for religious festivities and church services they had to walk to Woude.

A 17th century drawing of the village of Woude, seen from the area west of Spelrestraete (Grave, 1671)

Perhaps that Ymme and Adde met each other at such an occassion. Together they had six children: Claes, Jan, Arent, Godscalc, Willem & Roelant. The children owned land both to the west of Spelrestraete, in the area called “opte donck” and to the east, near Vroedenhout, in an area called “die cauwe”.

Why did Ymme stand out to me? Well, for two reasons: 1) she was taxed for land separate from that of her husband. This is not very common (only 10% of the tax posts concern women). Here it is important to remember that medieval inheritance law did allow for women to inherit land.

2) many of her sons are identified in the register as “X son of Ymme” instead of “X son of Adde”. In total, her name is mentioned over a dozen times, mainly as a parentage identifier for her six sons.

This seems to suggest that the tax collector who visited the hamlet, encountered a community to which Ymme die Lems had a lot of significance; at least more so than her husband because her name occurs more often.

Also interesting is that Ymme paid 8 Flemish pennies of tax to the lord of Bergen op Zoom whereas her husband Adde paid 7 pennies. Presumably she owned more land Of course, it would be really cool if we could identify the plots which she owned, but this seems not to be possible.

The tax register of 1424 only refers to the taxable plots by the name of the farmer and the amount of tax that was due. The boundaries of the plot are not provided in the register and only occassionally the measurements of the plot are mentioned. This means that only in the rarest of cases, a medieval plot be identified, either by its name or by its measurements.

I hope that this case of a Brabantine female farmer, who lived almost 600 years ago, shows that some interesting nuggets of information about medieval female commoners can be found in the tax registers. And however faint the traces of the life of Ymme die Lems are, it seems clear that she was a significant figure in the fifteenth century farming community in which she lived.

Bibliografie

AAR BoZ inv. 1338, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw, met de gehuchten onder Roosendaal, Kruisland en Langendijk, 15e eeuw (dated to 1424 in Kerkhof 2020)

(forthc.) Kerkhof, P.A. (2020). “Saer, Saert; een Zuid-Nederlandse veldnaam van oznekere oorsprong.” Noordbrabants Historisch Jaarboek.