Gevecht in de herberg van Heerle in 1610

soldaten voor een herberg door Jan Martszen de Jonge 1633

Inleiding

In het rechterlijk archief van Wouw (West-Brabant) bevindt zich een vroeg-zeventiende-eeuws processtuk dat een handgemeen tussen de drossaard (Cornelis de Peeters, de zeventiende-eeuwse politiechef) en de valkenier (een soort van jachtopzichter) beschrijft.[1] Dit processtuk kwam ik toevallig tegen en was zo saillant dat ik het de lezers van dit blog niet wilde onthouden.

De schermutseling vond plaats bij de herberg van Goort Corneliszoon Bollaerts, een landeigenaar met bezittingen in Heerle (het dorpje naast Wouw). Zijn herberg stond waarschijnlijk aan het noordeinde van Heerle (voorbij buurtschap de Hazelaar) aangezien Goort daar zijn hofstede had.[2]

We hebben weet van de schermutseling dankzij een verklaring die door Dinge Willems, de barvrouw van de herberg, voor de Wouwse schepenbank was afgegeven. In de volgende alinea’s heb ik de inhoud van het archiefstuk naar modern-Nederlands hertaald en in een minder ambtelijke stijl proberen weer te geven.


Inhoud

“Op een koude januaridag in het jaar 1610 kwamen twee heerschappen de herberg van Goort Cornelis Bollaerts in Heerle binnen. Een van de heren had een lang geweer bij zich.

 Eenmaal in de herberg, gingen de twee de trap op naar de kamer van Goort Bollaerts waar zich een zekere Gabriel bevond. De arme Gabriel werd door de mannen naar beneden gesleurd en op een bankje bij het vuur geplaatst. Deze heerschappen waren Evert de valkenier en Jacques Andriessen de vorster, de eerste een jachtopziener, de tweede een gerechtsdienaar van het Wouwse gerecht.

Nadat Gabriel beneden was neergezet, ging Jacques weg. Jacques wilde kennelijk niet verder bij de zaak betrokken zijn en vond dat Evert het verder zelf wel af kon. Toen de moeder van Gabriel, die ook in de herberg woonde, het kabaal hoorde, kwam ze van haar kamer en bood Evert aan borg te staan voor haar zoon. Zo was Evert er zeker van dat Gabriel er niet van door kon gaan.

Goort Bollaerts, de schoonvader van Gabriel en de eigenaar van de herberg, was niet blij met de huisvredebreuk en was van plan de drossaard te halen. Hij ging naar buiten om te kijken of hij de drossaard toevallig kon zien maar wellicht vanwege het koude januariweer bedacht hij zich snel. Hij kwam de woning weer binnen en nam de voornoemde Evert terzijde om de zaak te bespreken.

Wat er ook besproken werd, de discussie liep uit de hand. Ze kregen ruzie en Evert ging woedend de gelagkamer weer in. Goort besloot dat het nu toch echt tijd was de drossaard er bij te betrekken. Hij zette zich schrap voor de koude en vertrok naar de Ridderhoek aan de noordkant van Wouw waar de drossaard, niet ver van het kasteel, zijn woning had.

Even later kwam Goort Bollaerts weer terug bij de herberg met de drossaard en een van zijn knechten op sleeptouw. De drie heren kwamen de woning binnen. Het gezelschap in de gelagkamer keek bezorgd. Het gezicht van de drossaard stond op onweer. “Wat is er aan de hand,” gromde de drossaard naar Evert. Evert antwoordde dat hij Gabriel betrapt had op het vangen van kippen. “Wat gaat jou dat aan?” vroeg de drossaard. Evert antwoorde dat hij belast was om hier op toe te zien en toonde hem daar een bewijs van. “Wat wil je nu van Gabriel dan?” vroeg de drossaard. “Zestig gulden!” was het antwoord van Evert.

  Wat volgde was een heftige discussie waarin veel kwade woorden over en weer werden geslingerd. De drossaard besloot om het vuurwapen van Evert te confisqueren. Evert zei tegen de drossaard: “Ge blijft er van af! Ge hebt er geen recht op!” De drossaard antwoordde: “waar heb ik geen recht op?” en trok het wapen uit Everts handen om vervolgens met de kolf van het wapen naar hem te slaan. Meer geschreeuw volgde. De drossaard zette het vuurwapen buiten Everts bereik in het hofje. Daarna wilde de drossaard Evert de herberg uit hebben en beval hem naar buiten te gaan om (letterlijk) af te koelen maar Evert had daar totaal geen oren naar. De drossaard trok toen zijn zwaard en sloeg Evert ongenadig hard met het botte eind.

Zo werd Evert naar buiten gejaagd maar niet lang daarna kwam hij weer binnen om opnieuw om zijn vuurwapen te vragen. De drossaard riep toen luid: “Nu heb ik er genoeg van!” en beval zijn knecht om Evert hardhandig de herberg uit te gooien.”

Epiloog

Hier houdt het verslag van Dinge Willems op. Ik heb tot nu toe geen andere dossierstukken die met de zaak samenhangen kunnen vinden zodat veel van de toedracht ongewis blijft. Waar had bijvoorbeeld de vermeende diefstal plaats gehad? Op het erf van de woning van Goort Bollaerts? Dat lijkt onwaarschijnlijk aangezien Goort de schoonvader van Gabriel was en Gabriel kennelijk bij hem in de hofstede woonde. Was Gabriel door de valkenier op de domeinen van de heer van Bergen op Zoom gezien of was er wellicht een andere reden waarom hij gearresteerd was?

Persoonlijk stel ik me zo voor dat er meer aan de hand moet zijn en dat het een privézaak tussen Evert en Gabriel betrof. Daar komt bij dat bovenaan het stuk de woorden “op seekeren moetwil bedreven bij evart den valckenier ten huijse van Govaert Cornls Bollt” staan. Het oude woord “moetwil” betekende zoveel als willekeur. Dat er willekeur van de valkenier in het spel was, zou ook verklaren waarom Jacques Andriessen na de arrestatie zo gauw mogelijk de herberg weer verlaat en de drossaard geen medewerking aan de zaak wil verlenen. Hoe het ook precies in elkaar zat, zonder aanvullende archiefstukken is de ware toedracht niet meer te achterhalen.


Dankbetuiging

Dank aan Susan Suèr (Erfgoed Leiden) voor haar opmerkingen en raadgevingen over de inhoud van het processtuk


Voetnoten

[1] West-Brabants Archief (= WBA), Rechterlijk Archief Wouw, inv. 115, Evert de Valckenier.

[2] WBA, Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom (= ARR BoZ), inv. 1345 Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw, ca.1609-ca.1650, f. 225r.

De hofstede van Goort Bollaarts lag volgens deze legger ten westen van de weg en besloeg 8 gemeten bouwland (34000 m2). Verder bezat Goort percelen bij Altena en ten westen van de waterloop Running. Uitgaande van de heerlijkheidskaart van 1758 vermoed ik daarom dat de hofstede/herberg niet ver van de kruising van de “Ouweherenbaan” naar Altena met de sHeerenstraat (de Herelsestraat) lag.

Hoe oud is de burcht van Oegstgeest?

In het Nederlandse landschap zijn sporen van kastelen en burchten uit verschillende periodes van de middeleeuwen te vinden. In het Rijnmondgebied stonden verscheidene ronde burchten die teruggaan tot rond het jaar duizend. De burcht van Leiden en de burcht van Rijnsburg zijn hier mooie voorbeelden van. Ook in Oegstgeest heeft een middeleeuwse ronde burcht gestaan; een burcht met maar liefst drie concentrische grachten. In dit artikeltje verken ik de vraag hoe oud deze burcht is, een kwestie die tot dusver onopgelost is.

impressie van de burcht te Oegstgeest (tekening: Kerkhof)

Oegstgeest in de vroege middeleeuwen

De geschiedenis van het dorpje Oegstgeest gaat zeker dertienhonderd jaar terug. Rondom het dorp zijn verschillende nederzettingsresten uit de Vroege Middeleeuwen gevonden. Ten zuiden van het dorp bij Nieuw-Rijngeest Zuid bevinden zich sporen van Merovingische bewoning (ca. 600, zie De bruin, Lippok & Zon 2015). Aan de noordkant van het dorp stond vanaf de achtste eeuw een kerkje op een terrein dat later Kerkwerve werd genoemd.1 De middeleeuwse burcht van Oegstgeest, die later aangeduid werd met “Oude Hof”, stond daar niet ver vandaan.

GIF-animatie van de locaties van Nieuw Rijngeest Zuid, Kerkwerve en de Oudenhof in Oegstgeest tov een landschapsreconstructie (gebaseerd op Dijkstra 2011)

Opgravingen

Sporen van deze middeleeuwse burcht werden in 1938 door een medewerker van de topografische dienst toevallig op een luchtverkenningsfoto gevonden. In 1940 is het terrein in opdracht van het RMO verkend en zijn opgravingen verricht (zie Braat 1941: 94-104). Op een verkenningsvlucht van de Britse luchtmacht uit 1945 werd de plek nogmaals gefotografeerd en ook op deze foto zijn de grondsporen van de concentrische grachten goed zichtbaar.

luchtfoto’s 1938 en 1945 (overgenomen uit Van den Bosch 1999)

Het kasteelterrein ligt niet ver van de oude strandwal waar ook de middeleeuwse kerk en de omliggende boerderijen van Oegstgeest lagen. Het terrein behoorde oorspronkelijk toe aan de heer van Oegstgeest en wordt in een goederenlijst uit 1339 als volgt beschreven:

Item in Oestgeest die woninghe mitten weydelande die hout 25 morghen of alsoe veel. Item in die selve woninghe dat daer toe behoert 11 morghen an gheest die ghelden nu ter tijt te samen2

(Huisarchief van het kasteel Twickel, cartularium AA van Wassenaar, f. 10-11.

Het gaat dus om 36 morgen land (ca. 25 ha) dat aan het kasteel verbonden was, waarbij we het kasteelterrein zelf nog mogen optellen (ca. 5 morgen).3 De historicus A. Janse heeft aannemelijk gemaakt dat dit hof en de bijbehorende landerijen teruggaan op een oud bezitscomplex uit de Vroege Middeleeuwen (Janse 2001: 14). Vanuit deze plek bestierde de heer van Oegstgeest zijn domein en hofhorige onderdanen. De vraag is nu hoe lang daar al een ronde burcht had gestaan.


Ringwalburcht of mottekasteel?

De archeologie biedt hier geen eenduidig antwoord. Bij de opgravingen in 1940 is gebleken dat het kasteelterrein in ieder geval van de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw in gebruik was (zie Braat 1941). Ook werden er bakstenen gevonden die zouden kunnen wijzen op een bakstenen ringmuur, vergelijkbaar met die van het mottekasteel van Leiden.4

Impressie van het Leidse mottekasteel rond de twaalfde eeuw. Een motte is een aangelegde aarden heuvel (tekening: Kerkhof)

Verder werd op het terrein een scherf Badorfaardewerk gevonden die uit de Karolingische periode stamt. Deze scherf kan echter ook bij het ophogen van de motteheuvel in de grond terecht zijn gekomen. Toch wordt in een vrij recente archeologische rapportage gesteld dat de burcht van Oegstgeest in de negende of tiende eeuw zou zijn opgericht (Van den Bosch 1999: 29). Dit zou ook blijken uit de ongewone inrichting met drie grachten, een inrichting die vrij uniek is in Nederland (zie ook Braat 1941: 103).

De archeoloog M. Dijkstra is het hier niet mee eens. In zijn proefschrift “Rondom de mondingen van Rijn en Maas” (2011) betoogt hij dat de burcht aanzienlijk jonger is. Het principe “zonder vondsten geen datering” is voor hem leidend; de voornoemde aardewerkvondsten wijzen richting de dertiende eeuw dus de burcht zal dan ook niet veel ouder zijn. Ook de ligging op een strandvlakte en de nabijheid van de tiende-eeuwse Rijnsburg zijn voor Dijkstra belangrijke argumenten tegen een vroegmiddeleeuwse oorsprong (Dijkstra 2011: 302).4 Als Dijkstra gelijk heeft moeten we uitgaan van een relatief laat dertiende-eeuws mottekasteel (zie ook Lugt 2009: 70-73).

impressie van de ringwalburcht van Rijnsburg (tekening: Kerkhof)

Daar staat tegenover dat de heerlijkheid van Oegstgeest ouder is dan de dertiende eeuw.6 Dit blijkt onder meer uit het feit dat de heer van Oegstgeest over een oud visrecht en de inning van de botting beschikte (zie Fockema 1935: 250). De botting is een vroegmiddeleeuwse belasting die mogelijk ouder is dan het graafschap Holland zelf (zie ook Van der Vlist 2001: 27-28). Het lijkt mij daarom aannemelijk dat de heer van Oegstgeest vóór het jaar 1000 ook al een versterkte hofstede had. Die hofstede stond dan waarschijnlijk op de plek waar later de bakstenen burcht werd gebouwd.

Volgens mij mogen we het volgende scenario overwegen; in de twaalfde eeuw was de hofheer van Oegstgeest tevens de burchtvoogd van de burcht van Rijnsburg en de burcht van Leiden (Dijkstra 2011: 302). De heer van Oegstgeest was toen één van de machtigste mannen van het graafschap. Het is denkbaar dat hij in deze periode zijn hofstede uit liet bouwen tot een heuse burcht met stenen ringmuur.

Vóór de twaalfde eeuw mogen we dan wellicht uitgaan van een versterkte vroonhoeve met ronde ringgracht en houten palissades. Van een burcht in de strikte zin van het woord was dan misschien nog geen sprake, maar wel van een domaniaal centrum (dat tevens als militair steunpunt fungeerde) waar de heer en zijn familie resideerden.


Oudenhof na de middeleeuwen

In de late middeleeuwen raakte het kasteelterrein in verval; dit zou verklaren waarom in het vijftiende-eeuwse schoorsteenregister van 1452 “de woninghe” van “de hof” ontbreekt, maar het kasteel van Eindegeest wel staat genoteerd (cf. Fockema 1935: 268).7

In de vijftiende eeuw was ook voor het verwijzen naar het oude grafelijke landgoed de naam “oude hof” in gebruik geraakt. We komen de naam voor het eerst tegen in een verordening van het hoogheemraadschap Rijnland uit het jaar 1425:

voirt so sollen sii van oestgeester kerck ziidwert tot des burgrave coniins campe toe vanden ouden hove coeren ende scouwen mogen voir een waterkeer…”

“Verder zo zullen zij van de kerk van oegstgeest zijwaarts tot het konijnenveld van de burggraaf toe, van het oude hof, keuren en schouwen mogen voor een waterkeer…”

OAR inv.nr. ii, f.20r. ca. 1425

In andere vijftiende-eeuwse bronnen vinden we nog een aantal andere verwijzingen naar de voormalige hofstede van de graaf, maar zonder aanwijzing dat ze toen nog bewoond was (zie Lugt 2009: 90-91).

Op een landmeterskaart uit 1550 van Jacob Coenszoon zien we hoe het kasteelterrein er in de zestiende eeuw bijlag; het staat afgebeeld als een ronde beboste plek midden in het weiland. Ten westen van dit terrein staat een eikenboom getekend, voorzien van de beschrijving “den heilichen eyck”. Vermoedelijk gaat het hier om een oude vergaderplaats, wat zou passen in het scenario dat op het terrein al voor de twaalfde eeuw de hofstede van de heer stond.8

“Kaart van een deel lants ghelegen inden ambacht van Oestgheest aan den Heerwech en den Lijdwech”, Jacob Coensz. 1550, ELO-PV80500

Op een vroeg zeventiende-eeuwse kaart van Oegstgeest van Jan Pieterszoon Dou ontbreekt het ronde terrein maar de naam “het oude hoff” staat er wel op aangegeven (inv. ELO-PV80506). Deze kaart hangt waarschijnlijk samen met de verkoop van de landerijen van “het oude hoff” in 1615 door de toenmalige eigenaar (de heer van Wassenaar) aan de stad Leiden.

Kaart van landerijen tussen den Heerwech van Oestgeest naar Leiden de Vliet en den Warmonder wech“, ca. 1615, ELO-PV80506

In het proces-verbaal van deze verkoop (SV inv. 789, f.vi) lezen we over “een campe lants genaemt het oude hoff groot vijff morgen achtentachtig roeden” (ongeveer 4,4 ha). Daarna werd het land per opbod aan particulieren doorverkocht. Enige tijd later, voor het midden van de zeventiende eeuw, werd het weiland ingepolderd en bemalen door een klein molentje dat al op de kaart van 1615 is ingetekend. Sindsdien maakte het terrein deel uit van de Oudenhofpolder waar nu nog steeds de achttiende-eeuwse Oudenhofmolen staat.


Epiloog

Op de weilanden van de Oudenhofpolder werd na de oorlog de Bloemenbuurt gebouwd. Bij de aanleg van de rioolsleuven voor de woonwijk werd aanzienlijke schade toegebracht aan het onderliggende terrein. Daar staat tegenover dat er toen wel nieuwe archeologische gegevens boven de grond kwamen; nieuwe aardewerkscherven en de resten van een houten brugjuk dat een deel van de ophaalbrug kan zijn geweest (zie Braat 1961).

Op een luchtfoto uit 1962 zijn nog de laatste grondsporen van de middeleeuwse burcht te zien, maar daarna verdween het terrein definitief onder het nieuw aangelegde Irispark.

In 2006 is bij de herinrichting van het Irispark de ronde vorm van de binnenste gracht opnieuw zichtbaar gemaakt. Te midden van een cirkel van hoge iepen staat nu een moderne sculptuur genaamd “de verhalenverteller”, een man die ondersteboven zijn oor te luister legt op de grond van het kasteelterrein. Een herinnering aan de tijd dat deze plek het middelpunt van de heerlijkheid was.

Irispark anno 2020 (fotograaf: Jorik Groen)

Voetnoten

1 de oudste vindplaats van de naam kerkwerve bevindt zich in een visitatielijstje van de abdij van Echternach uit de elfde eeuw (BnF Lat. ms 9433) waar de naam als kiric ¶ uuereue (dus niet kirichuuereue zoals soms in de literatuur geschreven wordt) is neergepend.

2 Deze beschrijving staat opgetekend in een goederenlijst uit 1339 die opgemaakt was ter gelegenheid van de overdracht van de ambachtsheerlijkheid van Oegstgeest aan de heer van Wassenaar (zie de uitgave van Hoeck 1973: 84-85). De ambachtsheerlijkheid is jonger dan de heerlijkheid en komt pas in de dertiende eeuw in de bronnen voor.

3 Fockema stelde vast dat in het morgenboek van het hoogheemraadschap Rijnland van het jaar 1544 hetzelfde goed voorkomt. Het is mij onduidelijk hoe Fockema (1935: 266) op 40 morgen voor de grootte van het goed komt aangezien de precieze ligging van de percelen niet gegeven wordt. Een inkomstenpost genaamd Dat hoff, tussen de vliet en de hofdijk, “bij oesten de heerwech“, is volgens het morgenboek 2 morgen en 50 roeden groot (OAR inv. 6123, f. xii). Misschien is dat het kasteelterrein.

4 De ouderdom van de Leidse burcht is omstreden. Van den Ende (2007: 25-29) gaat uit van een negende-eeuwse oorsprong als kleine ringwalburcht. Dijkstra (2011: 302) is het daar niet mee eens en pleit voor een jongere oprichting. Koolstofdateringen maken het desalniettemin aannemelijk dat het burchteiland in ieder geval rond het jaar 1000 bewoond was.

5 Dijkstra (2011: 302) noemt ook het ontbreken van een burg-toponiem verbonden aan het “hof” van Oegstgeest als argument tegen een hoge ouderdom van de inrichting van het kasteelterrein. Dit lijkt mij echter een zwak argument. “Hof”-toponiemen kunnen immers ook ouder zijn dan het jaar 1000 en het is zeker denkbaar dat naar een sterkte met meerdere benamingen kon worden verwezen.

6 In een oorkonde van 1201 komen we pas voor het eerst een edelman tegen wiens naam met Oegstgeest verbonden is (een zekere Willem de Ostgest), maar de heerlijkheid en het daarbij horende bezitscomplex reikt verder terug (cf. Janse 2001: 18).

7 In de Middeleeuwen kon behalve de belasting op het grondbezit ook een belasting op huizen worden geheven. Ten behoeve van de heffing van dit “schoorsteengeld” zijn zogenaamde schoorsteenregisters aangelegd. Hierin stond de grootte van het ‘huis’, uitgedrukt in de hoeveelheid schoorstenen, genoteerd (zie ook Van Synghel 2001: 11).

8 De aanname van Dijkstra (2011: 288) dat het hier om een laatmiddeleeuwse invention of tradition zou gaan, is niet dwingend. Het gebruik om bij heilige eiken te vergaderen of recht te spreken is zeer oud; de ouderdom van deze traditie in Oegstgeest is niet na te gaan, maar dat betekent niet dat ze noodzakelijkerwijs jong moet zijn. Ook Lugt (2009: 35-36) gaat uit van een jongere plek die onterecht aangeduid zou zijn als “heiliche eyck” met als argument dat de locatie (zoals gegeven op de kaart) geen logische vergaderplaats zou zijn. Dit is een beter argument, maar evenmin doorslaggevend als het inderdaad om een oude plek van grote significantie gaat. Ook kapellen of heilige kruizen stonden dikwijls op onlogische plekken.


Dankbetuigingen

Dank aan Erfgoed Leiden voor het beschikbaar maken van een voorheen afgegrendelde landmeterskaart. Dank aan Rob Verhoeven voor zijn goede raad om GIF’s van historische kaarten te maken en aan Jorik Groen voor de foto van het Irispark. Dank aan Wilfred Simons voor het bij me onder de aandacht brengen van dit onderwerp.


Bibliografie

Blok, P.J. (1910). Geschiedenis eener hollandsche stad; eene hollandsche stad in de middeleeuwen met twee kaarten, ‘s-Gravenhage; Nijhof.

Van den Bosch, J.E. (1999). Archeologisch Onderzoek Kasteel de Ouden Hof, Oegstgeest: Tussenrapportage, Heinenoord (SOB-research).

Van den Bosch, J.E. (2005). Aanvullend Veldonderzoek door middel van proefsleuven Irispark, Oegstgeest. Evaluatierapport, Heinenoord (SOB-research).

Braat, W.C. (1941). “De Ouden-Hof te Oegstgeest.” Leidsch Jaarboekje 33,94-104.

Braat, W.C. (1962). “Nogmaals de Oudenhof te Oegstgeest”. Leidsch Jaarboekje 54, 37-40.

De Bruin, J. Lippok, F. & Zon. M. (2015). Definitieve opgraving (DO) Oegstgeest Bio Science Park, Campagnes 2009 t/m 2014 Evaluatierapport versie 2.1.

Dijkstra, M.F.P. (2011). Rondom de mondingen van Rijn & Maas: landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek, Leiden: Sidestone Press.

ELO = Erfgoed Leiden en Omstreken
PV80500, Kaart van een deel lants ghelegen inden ambacht van Oestgheest aan den Heerwech en den Lijdwech
PV80506, Kaart van landerijen tussen den Heerwech van Oestgeest naar Leiden de Vliet en den Warmonder wech

Fockema, S.J.A. (1935). “Middeleeuwsch Oegstgeest”. Tijdschrift voor Geschiedenis 50, 256-275.

Hoek, C. (1973). “De Hof te Vlaardingen.” Holland; regionaal-historisch tijdschrift 5e jaargang 2, 57-92

Huisarchief Twickel inv. nr. 7394-1, Cartularium AA.

Janse, A. (2001). Wie was Willem van Oegstgeest (1201)? Een zoektocht naar aanleiding van een 800 jaar oude oorkonde. Vereniging Oud Oegstgeest extra nummer jaargang nr. 13, Oegstgeest.

Kerkhof, P.A. (2014). “Hoe de Friezen Oegstgeest hebben gesticht.” NEMO Kennislink.

Lugt, F. (2009). Het goed van Oestgeest. De Middeleeuwen in Oegstgeest, Poelgeest, Kerkwerve, Rijnsburg en Nieuw-Rhijngeest, Leiden (1e druk).

OAR = Oud Archief Rijnland, Hoogheemraadschap van Rijnland.
inv. nr. 11, “Register X no. XII”. Register van bestuurshandelingen en belangrijke stukken, uitgegaan van het bestuur van Rijnland of dat bestuur betreffende. Aangelegd c. 1443, vervolgd tot in 1449. Met een tafel.
inv. nr. 6123, Morgenboeken van Oegstgeest, 1544

SV = Archief Stadsheerlijkheden en Vroonwateren
inv. 789, Proces-verbaal van de verkoping van landerijen in Oegstgeest door de stad Leyden, 1616

Van Synghel, G.A.M. (ed.). (2001). “inleiding”. in: Broncommentaren 4; Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de Middeleeuwen en Ancien Régime. Den Haag: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 7-20.

Van der Vlist, E. (2001). De Burcht van Leiden, Leidse Historische Reeks 14, Leiden: Primavera Press.


© Peter Alexander Kerkhof and Treasures of Dutch, 2020. Unauthorised use and/or duplication of this material without express and written permission from this site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Peter Alexander Kerkhof and Treasures of Dutch with appropriate and specific direction to the original content.

Brabantse bandieten

Op Netflix is nu de Vlaamse serie “de Bende van Jan de Lichte” te zien waarin het leven van een groep Brabantse bandieten omstreeks 1740 centraal staat. Omdat de serie niet bijzonder goed is, hier een blogartikel over echte bandieten in Brabant, gebaseerd op archiefonderzoek uit 1989.

In de scriptie “Hanghen tusschen Hemel ende Eerde” van W.F.L. Reijnders worden de doodsvonnissen van de schepenbank van Wouw (een heerlijkheid tussen Bergen op Zoom en Roosendaal) tussen 1616 en 1803 besproken. Vaak betreft het zwervers, deserteurs en bandieten die met diefstallen en berovingen in hun levensonderhoud voorzagen.

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Van de Wouwse schepenbank zijn 250 procesdossiers overgeleverd: De verdachten waren door de drossaard (een soort van politiechef) gearresteerd en vaak op de pijnbank tot een bekentenis gedwongen. De drossaard formuleerde een strafeis waarna de schepenbank rechtsprak.

Vooral wanneer de zwervers van buiten Staats-Brabant kwamen, werd tot de doodstraf besloten (in 18 van de 250 processen). De scherprechter van Bergen op Zoom voerde de terechtstelling uit op het marktplein, tegenover de vierschaer (het raadhuis), waar voor zo’n gelegenheid een halve galg was getimmerd.

De verschillende kwartieren van de heerlijkheid (Spellestraat, Wouwse Hil, Oostelaar etc) leverde 80 manschappen voor een burgerwacht die een afzetting rond het schavot vormden. Na de executie werd het lichaam per kar naar het galgenveld vervoerd en daar ten toon gesteld. In de middeleeuwen stond er een gerechtsplaats bij de Wouwse oostmolen richting Roosendaal en een andere niet ver van de Wouwse baan bij de grens met Bergen op Zoom.

“Hier hebben die van Wou iustititie gedaan” (ARR BoZ inv. 599)

De exacte locatie van het na-middeleeuwse galgenveld is niet bekend. Volgens de zeventiende- en achtiende-eeuwse bronnen was het gelegen “op de heide”. Aangezien onder de Wouwse heide in latere tijd het gebied bezuiden de Wouwse hil werd verstaan, zal het dus waarschijnlijk niet hetzelfde galgenveld dat bij de Wouwse baan lag zijn geweest.1

Als voorbeeld van een interessante procesgang, hier het procesdossier van Francis de Wolf uit Brussel die in 1717 in de kraag werd gevat. Hij werd gezocht voor het doodschieten van een herbergier in Besoijen (bij Waalwijk) waarna hij op de pijnbank verscheidene andere misdrijven bekende:

  • beroving van de aanwezigen in de herberg te Besoijen
  • diefstal van lammeren in Nieuw Vosmeer
  • woningoverval in Antwerpen
  • woningoverval in Eekeren
  • winkeloverval in Antwerpen
  • diefstal van levensmiddelen en gijzeling in Stabroek
  • woningoverval in Roosendaal.

Toen hem gevraagd werd de bekentenis te ondertekenen antwoordde hij:

daartoe geen oorsaecke gehadt te hebben als wel te hebben hooren seggen, als de gevangenen teeckenen dat sij dan haer aende galgh teeckenen

(citaat uit Reijnders 1989: 42).

Het feit dat Francis in de maanden daarvoor rondzwierf en “vleselijke conversatie” had met een zekere Maria Raeff pleitte volgens de ondervragers tegen hem. Zij was volgens het dossier namelijk een “persoon vol van ondeughden en grove gebreecken“.

De eis van de drossaard loog er niet om. Francis uit Brussel zou aan een kruis worden gebonden “ende door den scherpreghter levendigh op sijn armen en beenen en voorts op sijn borst en kast met eenen eijseren kantboom” worden geradbraakt tot de dood erop volgde.

Bij wijze van alternatief stelde de drossaard voor eerst de veroordeelde de hand af te slaan en daarna op te hangen waarna de hand aan de galg zou worden genageld. De schepenbank besloot ook dit advies niet te volgen. Een gewone “ophanging” werd het vonnis.

In het dossier bevindt zich tot slot de rekening van deze executie. 39 gulden voor de bouw van het schavot, 9 gulden voor het ijzerwerk van de galg en 6 gulden voor het bier dat geschonken werd bij de ophanging. Ten slotte 48 gulden voor Hendrick Jannieck, de beul uit Bergen op Zoom.

Deze procesdossiers van de Wouwse schepenbank verschaffen een interessant beeld van hoe een kleine boerengemeenschap criminaliteit van buiten probeerde af te schrikken. Het waren nl. vooral “buitenlanders” uit Belgisch-Brabant en Limburg die zwaar werden gestraft.

Kortom; ik vond dit stukje Brabantse geschiedenis een stuk spannender dan de Netflix serie

Voetnoten

1 Daar staat tegenover dat in de zeventiende eeuw ook het gebied bij het Buitengebint en de Borgvlietse duinen bekend stond als “de Wouwse heide” (cf. Van Ham 1980: 52).

Bibliografie

Delahaye, A. (1980). “Wouw in vogelvlucht tussen 1570 en 1813.” in: Woide…die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, Gemeentebestuur Wouw.

Reijnders, W.F.L. (1989). Hanghen tusschen hemel ende eerde: themanummer doodstraf in Wouw, Heemkundekring De Vierschaer, Wouw (opvraagbaar in de KB)