Processies en boete doen in middeleeuws Brabant

Inkijkje in een middeleeuws dorp

Afgelopen jaar ben ik tijdens mijn onderzoek in de Antwerpse en Bergen-op-Zoomse archivalia een aantal keren verwijzingen naar de middeleeuwse kapelletjes en gebedsplaatsen rondom het West-Brabantse dorp Wouw tegengekomen. Alhoewel het hier lokale geschiedenis betreft, bieden deze verwijzingen toch een bijzonder inkijkje in het middeleeuwse dorpsleven van een gewone boerengemeenschap. Dit komt doordat veldkapelletjes zelden in middeleeuwse bronnen worden genoemd en we de religieuze topografie van een middeleeuwse plattelandsparochie dus uit indirecte puzzelstukjes moeten reconstrueren.[1] In dit artikeltje wil ik twee van dit soort puzzelstukjes (afkomstig uit een vroeg-zestiende-eeuws schepenprotocol) presenteren, toelichten en vertalen.[2]

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Schepenprotocol

Het Wouwse schepenprotocol van 1507-1511 bevat aantekeningen van de schepenbank van Wouw over de rechtspraak en de overdracht van onroerend goed in de heerlijkheid Wouw.[3] De aantekeningen over de rechtspraak zijn natuurlijk het spannendst. Zo lezen we op de eerste pagina van het protocol:

op de negende dag van 1511 zo beloofde Willem Simonssen te betalen aan de schout negen oude schilden ten derde rekening om die reden dat Danckaert zijn zoon een zekere Koeman de Haas met een kan heeft geslagen en ons (de schepenbank) de vrede heeft betaald.”[4]

Hier hebben we dus te maken met de nasleep van een kroegruzie waarbij het tot een handgemeen was gekomen. In de meeste gevallen gaan de schepenbrieven echter om verpachtingen, schuldbekentenissen en verervingskwesties. Dergelijke aantekeningen zijn een stuk minder aangrijpend dan de voornoemde knokpartij van 1511 maar bevatten middeleeuwse veldnamen en gebiedsnamen die hoognodig eens verzameld moeten worden. Om deze reden is een integrale uitgave van deze oudste Wouwse bron zeker een wetenschappelijk desideratum.[5]

band van RAW inv. 1, Wouws Schepenprotocol 1507-1511

De boetegang van 1508

De eerste aantekening van het protocol waarin de Wouwse veldkapellen voorkomen, betreft een belofte tot boetegang tijdens de Sint-Lenardsomgang en de Sacramentsprocessie.[6] Deze boetegangen moesten gedaan worden vanwege het niet kunnen betalen van een gerechtelijke boete en bestonden uit het barrevoets meelopen van de processie met ontbloot hoofd en een wassen paaskaars in de hand.[7] De Sint-Lenardsomgang komen we voor het eerst tegen in een Bergen-op-Zoomse rentmeesterrekening uit 1491 en vond plaats op de zondag voor Pinksteren.[8] Het was een behoorlijke wandeling van vijf kilometer waarin de schuttersgilden van Wouw, Vroenhout en Halsteren meeliepen. Tijdens deze processie werd het heilige sacrament langs de verschillende gebedsplaatsen van de parochie rondgedragen.[9] Bij de gebedsplaatsen moest de boeteling op de grond gaan liggen tot de processie gepasseerd was. Behalve de Sint-Lenardsomgang wordt in de aantekening ook de Wouwse Sacramentsomgang besproken die op de tweede donderdag na Pinksteren plaats had.

De aantekening uit het protocol, waarin de twee boetegangen beschreven worden, luidt als volgt:

Op de 15e april 1508 kwam Adriaan Nelissen als hoofdschuldenaar en Jacop Kourvoet als borgsteller voor de schepenbank en bekende om geheel en ogenblikkelijk de volgende akte gepasseerd te hebben ten overstaan van de drossaard van mijn heer van Bergen. Dit omwille van de volgende zaak dat de drossaard aanspraak maakte op tien zilvermunten ten derde rekening als schuld aan de heer.

En aangezien de drossaard vond dat er niet voldoende betaald is, zo hebben zij beloofd de paaskaars van negen pond te geven. En hij heeft verder nog beloofd dat hij zal komen op de dag van de omgang van Sint-Leonardus in zijn ondergoed en met bloot hoofd en met bloten voeten en hij heeft beloofd dat hij zal liggen op zijn tocht met een wassen kaars in zijn hand eerst op de brede brug (over het Holriet) tot het sacrament gepasseerd is en op dezelfde manier bij de kapel aan het Wouwse veld (bij Spellestraat) en op dezelfde manier bij de kapel van Vinkenbroek en op dezelfde manier bij de kapel waar Anthonis Geertsen woont en dan aan de kerkdeur.

En als het sacrament binnen is dan zal de voornoemde Adriaan binnen gaan met de kaars voor het sacrament en de heiligen die daar zijn en daar opzeggen vijf onze vaders en vijf weesgegroetjes en hetzelfde zal hij doen op de daarop volgende Sacramentsdag, met de kaars te voet het eerste stuk naar de kapel bij Anthonis Geertsen, en het tweede stuk naar (de kapel bij) de weduwe van Anthonis Joosen, en het volgende stuk bij de voornoemde kerkdeur en hij zal weer een kaars van drie pond voor het heilige sacrament zetten met vijf onze vaders en vijf weesgegroetjes of dit te vergoeden.

Dat heeft Adriaan beloofd op het verbeuren van twintig zilvermunten en Jacop Kourvoet als borgsteller en daar belooft Jacop zijn borg schadeloos te stellen.[10]

Alhoewel ook in andere bronnen naar de Wouwse Sint-Lenardsomgang verwezen wordt, biedt deze aantekening ons toch waardevolle nieuwe gegevens.[11] Zo leren we dat de Sint-Lenardsomgang met de klok mee rond de oude Kerkhoven-akker (de latere Omgangsakker) leidde en de eerste stop de brede brug over het Holriet was. Vermoedelijk werd hier halt gehouden vanwege de Kruisstraat (de hedendaagse Donkenweg) die vlakbij deze brug op de Spellestraat uitliep en waar mogelijk toen al een stenen kruis stond.[12] De volgende stop was de kapel bij het Wouwse veld die volgens de parochiekroniek van Hoffman uit 1770 vlak voor de splitsing van de Spellestraat met de Boterstraat stond.

Vervolgens kwam de processie bij de kapel van Vinkenbroek die volgens een kaart uit 1769 op de splitsing van de Boeiinksestraat met de Vinkenbroeksestraat was gelegen.[13] Vanaf Vinkenbroek ging de processie weer richting Wouw, waarna de volgende stop wordt aangeduid als de kapel bij Anthonis Geertsen.[14] Vermoedelijk gaat het hier om de kapel op de kruising van de Bergsestraat met de Plantagebaan die eveneens in de parochiekroniek van 1770 wordt vermeld.[15] Ten slotte eindigde de processie bij de kerkdeur van de Sint-Lambertuskerk.

Sint-Lenardsomgang, Kerkhof 2020. Rivierlopen volgens Leenders.

De tweede boetegang vond plaats op Sacramentsdag en was kennelijk een stukje kleiner dan de Sint-Lenardsomgang.[16] In de aantekening wordt deze processie in drie stukken opgedeeld en worden de gebedsplaatsen kennelijk in een andere volgorde bezocht. De kapel bij de Plantagebaan wordt namelijk hier als eerste punt genoemd en niet als laatste zoals in de Sint-Lenardsomgang. Het tweede genoemde punt wordt aangeduid als “bij de weduwe van Anthonis Joosen”. Vermoedelijk wordt hiermee de kapel bij Vinkenbroek bedoeld alhoewel dat niet helemaal zeker is. Vanaf de kapel van Vinkenbroek kon men in ieder geval via een zandpad dwars door de Kerkhoven-akker terug naar de kerk van Wouw lopen.

Sacramentsomgang, Kerkhof 2020. Rivierlopen volgens Leenders.

De verzoening van 1509

De tweede aantekening uit het Wouwse protocol van 1507-1511 waarin de Wouwse veldkapellen worden genoemd betreft een nog serieuzere zaak; een verzoening na een doodslag. Het volledige verhaal achter de doodslag wordt ons in deze aantekening niet meegedeeld. Wat wel duidelijk wordt is dat deze verzoening na bemiddeling van scheidsmannen tot stand kwam.

Op de 20ste mei (van 1509) zo zijn de scheidsmannen met de familieleden voor de schepenbank gekomen en hebben de verzoening van Geert Wouterssen van Brande bekend gemaakt. Zij zijn minnelijk de volgende verzoening overeengekomen dat er, na aftrek van de uitvaart en alles dat daaraan kleeft, 33 gulden geofferd is.

Hiervan heeft Jan Wouterssen, broer van de dode, dertien gulden aanvaard en Geert Andrijssen als voogd zeven gulden. Verder gaan vijf stuivers naar de kapel aan het veld, vijf stuivers naar de kapel in Haiink en vijf stuivers op de kruisstraat. De resterende vijf en halve gulden die zal de kerk van Wouw hebben. Aanwezig waren de schepenen Adriaan Theunissen en Cornelis Goortsen.[17]

Het feit dat de dader en de broer van de overledene dezelfde toenaam Wouterssen delen, zou kunnen betekenen dat het hier om een uit de hand gelopen broederruzie gaat. Dit zou bovendien verklaren waarom de verzoening zonder tussenkomst van de drossaard plaats kon hebben. De betrokkenen waren dan Geert, Jan en de derde broer als slachtoffer. Vermoedelijk waren de ouders van deze broers niet meer in leven aangezien Jan bij de verzoening vertegenwoordigd werd door Geert Andrijssen als voogd.

                Uit de aantekening leren we dat het zoengeld niet alleen naar de nabestaanden ging maar een deel aan enkele gebedsplaatsen in de parochie toekwam. Genoemd worden de kapel bij het Wouwse veld, de kapel bij Haiink, de Kruisstraat en de kerk van Wouw.[18]

Opvallend is dat in deze schepenaantekening de kapel van Vinkenbroek en de kapel aan de zuidkant van het dorp ontbreken. Dat is vreemd want deze kapellen speelden in de kerkelijke processies van de vorige aantekening nog zo’n grote rol. Dit zou verklaard kunnen worden door aan te nemen dat de offerandes betrekking hebben op een grotere boetegang dan de Sint-Lenardsomgang wat gezien de ernst van het misdrijf begrijpelijk is.[19] Het zou ook kunnen dat het de kapellen zijn waar het zoengeld op de verschillende zoendagen werd betaald.[20] Zeker weten doen we het dus niet aangezien verdere details ontbreken.


De gebedsplaatsen van de parochie Wouw

Dankzij het Wouwse schepenprotocol van 1507-1511 weten we nu dus zeker dat aan het begin van de zestiende eeuw de volgende Wouwse veldkapellen bestonden:

  • De kapel aan het Wouwse veld (bij de Spellestraat)
  • De kapel van Vinkenbroek
  • De kapel aan de zuidkant van het dorp (op de kruising van de Bergsestraat met de Plantagebaan)
  • De kapel van Haiink

Daar kunnen we de kapel van Vroenhout en de kapel van Moerstraten aan toevoegen aangezien deze gebouwtjes op vroeg-zestiende-eeuwse kaarten staan afgebeeld.[21] Ook de kapel van Zaafsel moet ten tijde van het protocol van 1507-1511 al hebben bestaan. We komen het gebouwtje tegen in een Antwerpse schepenaantekening uit 1463 en is daarmee de enige kapel in de parochie Wouw waarvoor we over vijftiende-eeuws gegevens beschikken.[22] Volgens de parochiekroniek van Hoffman stonden er ook veldkapellen bij Westelaar en Wouwse Hil maar of die in deze periode ook al gebouwd waren, is tot dusver ongewis. Ondenkbaar is het echter zeker niet.[23]

Kerkhof 2020. rivierlopen volgens Leenders.

De kapellen vervulden een belangrijke rol in het religieuze leven van de middeleeuwse en vroegmoderne Wouwenaren. In deze kapellen werd op feestdagen de mis gelezen zodat de inwoners van de rond Wouw gelegen gehuchten niet helemaal naar de parochiekerk toe hoefden te lopen.[24] Zeker voor de parochianen die in Moerstraten, Vroenhout of Wouwse Hil woonden, zal dat uitermate welkom zijn geweest.

In de aantekeningen uit het protocol komt ook het belang van de historische Kruisstraat naar voren. Deze straat komen we voor het eerst tegen in een Antwerpse schepenaantekening uit 1438 en had waarschijnlijk in de middeleeuwen al een religieuze betekenis.[25] Dit blijkt ook uit het feit dat zowel een perceel bij het kruis als de percelen van de tegenover gelegen Hoge Braak vrijgesteld waren van het betalen van de kerkelijke tiende-belasting.[26] Volgens een bericht uit 1660 waren de Wouwse parochianen in het midden van de zeventiende eeuw van mening dat hier in vroeger tijd de kerk van Wouw zou hebben gestaan, maar dat lijkt op archeologische gronden onwaarschijnlijk.[27]


Conclusie

Vanuit de boven besproken aantekeningen uit het Wouwse schepenprotocol krijgen we een uniek inkijkje in het dorpsleven van het laatmiddeleeuwse Wouw. We vinden er een beschrijving van de looproute van twee kerkelijke processies en verwijzingen naar de rol die de kapellen speelden bij de afhandeling van wereldlijke boetes en verzoeningen. Het beeld dat we hieruit krijgen is dat van een uitgestrekte parochie waarvan de Sint-Lambertuskerk het middelpunt vormde maar de verscheidene veldkapellen eveneens groot belang werd toegedicht. En iets dat nog een stukje bijzonderder is; we zijn deelgenoot geworden van enkele dramatische episodes uit het leven van West-Brabanders die meer dan 500 jaar geleden geboren waren.

West-Brabants veldkapelletje op een kaart van het markiezaat, ca. 1550

Noot aan de lezer en dankbetuigingen

Dit artikeltje verschijnt ook in het septembernummer van 2020 van het Wouwse heemkundetijdschrift “Heemkundekring Wouw De Vierschaer”.

Bijzondere dank aan K.A.H.W. Leenders voor onze correspondentie over dit onderwerp. Dank aan R. Hermans en J. Spijkers voor commentaar en advies.


Bibliografie

ARAA = Ancien Régime Archief van de stad Antwerpen, Schepenregisters, inv. SR 25, Schepenregister 1438
inv. SR 66, Schepenregister 1463.

CKRA NB = Collectie Kaarten van het rijksarchief Noord-Brabant, inv. 163, Kaart van het tweede deel van de tiende onder Wouw, Heirel, Moerstraten, Nassau en Cruysland toebehorende aan de abdij van sint Bernard.

Delahaye, A. (1975). ‘Hoffmans’ vertellingen over de parochie van Wouw’. Publikaties van het archivariaat “Nassau-Brabant” 29.

Glaudemans, C. (2004). Om die wrake wille : eigenrichting, veten en verzoening in laat-middeleeuws Holland en Zeeland. Haarlem: Historische vereniging Holland.

Van Ham, W.A. (1979). ‘Dorp en dorpsleven in middeleeuws Wouw’. In: De Heren XVII van Nassau Brabant; publikaties van het archivariaat “Nassau-Brabant”, 315-336.

Van Ham, W.A. (1980). ‘II. Wouw in de Middeleeuwen’. in: A. Delahaye, W.A. Van Ham en J.H.F. Bos (eds.), Woide…die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, 41-152.

Van Ham, W.A. & J.H.F. Bos. (1980). ‘IV. Geschiedenis van de St. Lambertus-kerk.’ In: A. Delahaye, W.A. Van Ham en J.H.F. Bos (eds.), Woide…die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, 265-351.

Van Hoek, F. (1943). ‘Jaarboeken der parochie Wouw II.’ Taxandria; tijdschrift voor Noord-Brabantse geschiedenis en volkskunde 50, 73-95.

Kerkhof, P.A. (2020). ‘Waar stond de Vinkenbroekse kapel.’ Schatten van het Nederlands

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). ‘De middeleeuwse veldnaam abdije tussen Wouw en Roosendaal en het klooster van Sint-Catharinadal’. Jaarboek De Ghulden Roos.

KRR BoZ = Kaarten raad en rekenkamer Bergen op Zoom, Inv. ARR-D1 Figuratieve kaart van West-Brabant, midden 16e eeuw (ca. 1545-1550).

KRR BoZ = Kaarten raad en rekenkamer Bergen op Zoom, Inv. ARR-D4 Kaart van de grenspalen tussen Halsteren, Moerstraten en Wouw enerzijds en Steenbergen en Roosendaal anderzijds.

Mosmans, A.G.J. (1938). ‘Processie te Wouw in 1619’. Taxandria; Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis en Volkskunde 45, 46.

RAW = Rechterlijk archief Wouw, inv. 1, Schepenprotocol 1507 (1 jan)-1511 (9 oktober).

RAW = Rechterlijk Archief Wouw, Processtukken, 1601-1803, inv. 115 Evert Valckenier, 1610 – .

Schijven, J. (1988). ‘De St. Bernaardsabdij en het Landboek van Judocus Bal (II).’ Tijdschrift Heemkundekring de Vierschaer Wouw, Jaargang 6, aflevering 3, 23-30.


Eindnoten

[1] Het eerste min of meer volledige overzicht van de religieuze topografie van de parochie Wouw komt uit de Latijnstalige pastoorskroniek van Hoffman (1770), uitgegeven door Van Hoek (1943) en later vertaald door Delahaye (1975). Hoffman bericht dat de veldkapellen in zijn tijd in verwaarloosde staat verkeerden wat begrijpelijk is na de wegval van het onderhoud na 1648.

[2] Dit document bevindt zich in het West-Brabants Archief en staat gearchiveerd onder RAW (Rechterlijk Archief Wouw) inv. 1.

[3] Aangezien Wouw een eigen heerlijkheid was, beschikte de dorpsgemeenschap over een eigen schepenbank. De schepenbank sprak recht op de ‘vierschaer’, een rechtbank die zich op dezelfde plek als het achttiende-eeuwse raadhuis bevond.

[4] Deze aantekening bevindt zich op f. 1 verso van GAW inv. 1.

[5] In deze behoefte hoop ik op korte termijn te kunnen voorzien. De transcriptie is vermoedelijk voor het einde van 2020 voltooid.

[6] Van Ham heeft in een artikel uit 1979 (332-333) al kort op het bestaan van deze aantekening en de relevantie voor de aanwezigheid van de middeleeuwse kapellen gewezen zonder in te gaan op de details.

[7] Van Ham (1979: 332) lijkt vanwege de moeilijke leesbaarheid aangenomen te hebben dat de boetegang met een blok aan het been plaats had. Aan deze veronderstelling ligt een verkeerde lezing ‘blocken’ ipv. ‘bloeten’ ten grondslag.

[8] Volgens de rekening had in 1491 de heer van Bergen op Zoom de processie met zijn gevolg meegelopen en de paaskaars geofferd (zie Van Ham 1980: 124).

[9] Een andere verwijzing naar de Sint-Lenardsomgang bevindt zich in een vroeg-zeventiende-eeuws processtuk: “anno 1619 soo heeft de groote ommeganck weder gegaen voer de ierste reyse lancx Vinckelbroeck met menichte volcx ende vier gulden, die waren den ed hantboge van Sine Sebastiaen alhier, alsoock de cruysboge van alhier, item den hantboge van Halteren ende den cruysboge van Vroenhout..” (geciteerd in Mosmans 1938: 46)

[10] Deze aantekening bevindt zich op f. 45 recto van GAW inv. 1.

[11] Voor de vroeg-zeventiende-eeuwse beschrijving van de processie zie noot 10. De processie wordt ook beschreven in het landboek van Judocus Bal uit 1660 (bewaard in een 18e-eeuwse kopie) waar het volgende wordt gesteld: “In het 15 parceel thienden onder Wouwe, genaemt den Ommeganck ofte Kerck-hoven-acker, uijt reden dat de Kerckce hier eertijden heeft gestaen, gelijck voorschreven is ende dat Sincte Lenaerts Processie ’t Sondags voor Sinxen rontsom dese Tiende plachte te gaen, sijn Thiende-vrije de naer-beschreven partijen van landen.” (voor de uitgave van de tekst, zie Schijven 1988: 35).

[12] In de parochiekroniek van 1770 wordt gesproken over een kruis van witte steen tussen de kruising met de Boterstraat en het dorp (zie Delahaye 1975: 27).

[13] Deze kapel staat afgebeeld op een kaart van de tiende van Sint-Bernard uit 1769 die overgeleverd is in een kopie uit 1817 (CKRA NB inv. 163). Zie ook Kerkhof (2020).

[14] De tocht van Vinkenbroek naar Wouw over het zandpad van de historische Bulkstraat was doorgaans een modderige bedoening, zoals blijkt uit de volgende beschrijving van de processie in het eerder geciteerde bericht uit 1619: “..ende de straten waeren (in 1619) soo drooch midts de voors droochte dat men droochschoens doer den Bolcke conste gaen.”

[15] Zie Delahaye (1975: 26-27).

[16] Vermoedelijk werd daarom de Sint-Lenardsomgang “de groote ommeganck” genoemd (zie noot 10).

[17] Deze aantekening bevindt zich op f. 96 recto van RAW inv. 1.

[18] Volgens dezelfde kaart uit 1769, waarop de Vinkenbroekse kapel staat afgebeeld, bevond de kapel van Haiink zich op de kruising van de Huibergsestraat met de Bulkenaarsestraat. Uit de parochiekroniek van Hoffman leren we dat het gebouwtje in de achttiende eeuw onder een lindeboom stond (zie Delahaye 1975: 25).

[19] Uit een protocolaantekening van de 9e mei 1507 leren we dat de zoon van Herman Noyts als boetedoening voor een doodslag op bedevaart naar Rome moest (RAW inv. 1, f. 16r). Dan lijkt een boetegang langs de Wouwse kapellen voor een doodslag binnen de familie opvallend mild.

[20] Zie Glaudemans (2004: 227) voor de relatie tussen de kerk en het zoengeld.

[21] Voor de vroegmoderne verwijzingen naar de kapel van Vroenhout, zie mijn artikel over het klooster van Sint-Catharinadal dat dit jaar in Jaarboek de Ghulden Roos verschijnt (Kerkhof 2020). De kapel van Moerstraten staat afgebeeld op KRR BoZ ARR D-1 en de kapel van Vroenhout op KRR BoZ ARR D-4.

[22]Op I stede met huijse hove lant gront etc houdende tsamen omtrent iii gemeten gestaen tsaeftels voirs bijde capelle aldaer”, Zie ARAA inv. SR 66, f. 007r.

[23] Van Ham (1980: 127) maakt verder nog gewag van een Wouwse kapel gewijd aan Sint-Quirinus bij een verder ongespecificeerde “Capellehoek” maar geeft geen referentie naar een middeleeuwse bron waarin deze kapel of het microtoponiem gevonden kunnen worden.

[24] Hoffman bericht in zijn parochiekroniek (1770) dat het de gewoonte was om in de kapellen van Oostelaar, Westelaar en Zaafsel dikwijls de mis te lezen of kerkdiensten te houden. In de kapel van Haiink werd volgens Hoffman op feestdagen de mis gelezen en over de kapel van Vroenhout wordt vermeld dat ze in ieder geval geschikt was voor dergelijke diensten (zie Delahaye 1975: 25-26).

[25] Verkoopacte in het Antwerps Schepenregister van het jaar 1438 (ARAA SR 25, f. 613).

[26] In het landboek van Judocus Bal lezen we: “Hoe desen vrijdom gekomen is, en weet men niet vast. D’Opinie is, ’t selve geschiet te sijn door het versetten van de Kercke. Dese Kercke, soo wordt gesustineert heeft eertijts gestaen op d’Hooge Braecke, sijnde een groot stuck lants, gelegen aan de noord-sijde van het Dorp aan de herbaene van Roosendael, bij de Linde-boom in ‘t hoogste van Wouw…” (zie Schijven 1988: 34).

[27] Zie Van Ham & Bos (1980: 267) voor de beschrijving van de vondsten van een oudere voorganger van de Sint-Lambertuskerk bij het herstel van de kerk in 1947. Het is echter wel mogelijk dat op de Hoge Braak in vroegere tijden een oudere kapel heeft gestaan die later vervangen is door de kapel bij het Wouwse veld van Spellestraat. De plaats van de oude kapel zou sindsdien gemarkeerd kunnen zijn door een stenen kruis. Bij wijze van alternatief is het ook voorstelbaar dat het stenen kruis op de kapelrie van het Heilige Kruis is gebouwd dat ook in deze hoek bij Spellestraat lag.

Verdwenen kasteel in een eeuwenoude polder

Het Hollandse landschap bestaat voor een groot deel uit kilometers lange stroken weiland die door rechte sloten van elkaar gescheiden worden. Maar niet iedereen weet dat die sloten soms wel duizend jaar geleden gegraven zijn. In dit artikeltje wil ik u kennis laten maken met de Zuid-Hollandse Dijkpolder, gelegen tussen Maassluis en Maasland, en uitleggen hoe het eeuwenoude landschap hier is ontstaan.

Luchtfoto van de Dijkpolder. bron: Google

Koningsdomein

De Maaslandse Dijkpolder is een hoogmiddeleeuwse ontginning die waarschijnlijk tussen de 10e en 11e eeuw zijn huidige vorm heeft gekregen. Daarvoor lag er aan de oever van de Maas, vermoedelijk niet ver van de huidige Maasdijk, een laat-Karolingisch koningsdomein. Dit betekent dat de Frankische koning (en later de Duitse keizer) hier een landgoed bezat waaruit hij directe inkomsten genoot.

Dit koningsdomein, dat de Oudnederlandse naam Masalant droeg, werd in 985 aan graaf Thiederik II van West-Friesland (het latere Holland) in leen overgedragen (OHZ nr. 55). Mogelijk ontving Diederik tegelijkertijd met dit landgoed ook het recht om het achtergelegen krekengebied en de veenmoerassen te ontginnen.


De Grote Ontginning

Men ging aan de slag! Er werd een dijk opgeworpen waarna men lange kaarsrechte sloten groef die in noordoostelijke richting het krekengebied inliepen. Elke strook was zo’n 80 meter breed. Door deze sloten en afwateringskanalen (wateringen) werd de natte bodem ontwaterd.

Dijkpolder ca. 1150. Landschapsreconstructie gebaseerd op Bult 1986. Onderlaag: kadaster 1832 Fryske Akademy. Tekening: Kerkhof 2020

Maar door inklinking en overstromingen kon het zo veroverde land ook weer verloren gaan. Dat gebeurde in 1134 toen de grafelijke hof van Maasland en een groot deel van de nieuwe dijkpolder tijdens een grote watersnood wegspoelden. Omstreeks 1164 gebeurde dit opnieuw.

In ditzelfde jaar (1164) op het feest van de heilige apostel Thomas is op veel plaatsen een grote overstroming geweest zodat in veel dorpen in Holland die te dichtbij de zee waren geen enkel huis meer overeind staat…

Annales Egmundenses (Oppermann 1933: 169)

In de decennia die volgden bouwden de Maaslanders die de ramp overleefd hadden een nieuwe Maasdijk verder landinwaarts. Ook verhuisde men de dorpskerk en de bijbehorende dorpshoeves drie kilometer naar het oosten aan een middelgrote kreek die men uitdiepte tot waterweg.

Die uitgediepte kreek noemde men vanaf toen gawech dat wellicht een Fries-Nederlandse mengnaam is die uit Oudfries ga (= regio) en Oudnederlands wech (= vervoersweg) is opgebouwd. Op deze plek aan de Gaag (< Gawege) ligt nu nog steeds het hedendaagse dorp Maasland.


De graaf en zijn vazallen

Na het herstel van de Dijkpolder in de 12e eeuw gaf de graaf delen van het ontginningsgebied aan zijn vazallen in leen (en een deel hield hij zelf). De begunstigden in de Dijkpolder waren de heer van Voorne , de heer van de Lek en de Duitse Orde te Utrecht.

Deze “ridders” bouwden ridderhofsteden midden in het weiland, d.w.z. een houten kasteel op een woonheuvel met woontoren omringd door een gracht, met daarnaast een ontginningshoeve van waaruit ze hun landgoed bestuurden.

In 1267 schonk de heer van Voorne zijn eigen ridderhofstede in de Dijkpolder aan Floris van de Velde wiens familie (als kasteelheren?) daar kennelijk al een generatie woonde (OHZ nr. 1447). Bij deze schenking was 43 Delflandse morgen aan land gemoeid (ca. 37 ha grond).

OHZ nr. 1447

Het leuke is dat deze schenking aan de hand van latere perceelbeschrijvingen in grafelijke leenregisters en 16e-eeuwse belastingcohiers goed na te volgen is. Zo weten we dat het leen van Floris van de Velde in de 23ste en 24ste strook weiland (toentertijd “weren” genoemd) van de dijkpolder lag.


Kasteel in de polder

Spannend is ook dat we na kunnen gaan waar het middeleeuwse kasteel heeft gestaan en waar de ontginningshoeve. In het leenregister van de graaf van Holland lezen we namelijk dat in 1465 een zekere meester Jacob Mathijsz. van Wena in het 24ste weer het “steenhuijs” te Velde bezat (RGLM leen 58D).

Op een kaart van het hoogheemraadschap Delfland van 1611 van Floris Balthasar staat het huis te Velde duidelijk afgebeeld in het noordelijke deel van de “Dijck Polder”. We zien een hoeve en een omgracht perceel! Daar heeft waarschijnlijk in de middeleeuwen het oude kasteel gestaan.

Huis te Velde in de Dijkpolder van 1611 met omgracht perceel

In een latere kaart (1712) van Kruikius van het hoogheemraadschap zien we de hofstede ook ingetekend, voorzien van de naam “Hoeve”. Ten zuiden daarvan ligt een omgracht perceel dat “oude Schans” wordt genoemd. Zonder twijfel hetzelfde perceel als op de kaart van 1611.

Kruikiuskaart (1712) kaartblad Schipluijden

Volgens een tekst uit 1746 was er in het midden van de achttiende eeuw vrijwel niks van het oude kasteel over; alleen de grachten en enkele fundamenten konden nog waargenomen worden (Wagenaar 1746: 533).

In 1832 toen het napoleontische kadaster werd opgesteld ligt de boerderij nog op dezelfde plek als in 1712. Het omgrachtte perceel was inmiddels wel verdwenen. Alleen de westelijke grachtvorm is nog zichtbaar als kromme perceelscheiding.

Boerdije “de Hoeve” in de Dijkpolder. Onderlaag: kadaster 1832 Fryske Akademy

“Hoeve” en het “Huis te Velde”

Op de Topografische Kaart van 1850-1864 zien we echter iets geks. Een boerderij die ongeveer 600 meter zuidwestelijker ligt wordt hier als “Huis te Velde” aangeduid. Uit de middeleeuwse boekhouding en 16e-eeuwse landmeterskaarten weten we zeker dat hier geen kasteel stond.

TMK 1850-1864

Hoe kunnen we dat verklaren? Zoals we eerder op de kaart van Kruikius (1712) zagen, heette de boerderij bij de middeleeuwse ridderhofstad van “Florens vanden Velde” later “de Hoeve” en niet langer “Te Velde”.

In het zelfde bewoningslint een paar honderd meter noordelijker aan de Spartel-Gaag-vaart lag in de middeleeuwen een tweede ridderhofstad die in 1281 aan Johan van der Hoeve had toebehoord (RGLM leen 52). Deze hofstede had oorspronkelijk de naam “de Hoeve” gedragen. Vermoedelijk zijn in de vroegmoderne tijd de boerderijnamen “Hoeve” en “Te Velde” met elkaar verward.

De oude naam “de Hoeve” is toen overgedragen op de ridderhofstad “Te Velde” en de naam “”Te Velde” op de eerste boerderij die men vanuit het dorp gezien op het kerkpad naar “De Hoeve” tegenkwam. Dergelijke verwarringen en verkeerde benamingen komen vaker voor bij de volkse benoeming van oude landgoederen.


de schenking van 1267

Geschiedenisnerd als ik ben, heb ik geprobeerd om op basis van 16e-eeuwse perceelbeschrijvingen de oude schenking van 1267 in te tekenen op de kadastrale minuutplannen van Maasland van 1832. Opgeteld is het gemarkeerde vlak ongeveer 37 ha groot (= 43 morgen).

Dijkpolder. Onderlaag: kadaster 1832 Fryske Akademy. Tekening: Kerkhof 2020.

Vergeefs heb ik nog op een luchtverkenningsfoto uit 1944 gekeken of er bij “de Hoeve” in de Dijkpolder nog grondsporen van de vroegere gracht en het kasteel te zien waren. Maar de zichtbare bodemverstoring ligt op de verkeerde plek. Jammer genoeg geen sporen van de grachten.

RAF geoportal WUR, library ID 306652, 1944-03-15

Ook op de hoogtekaart van het AHN (Algemeen Hoogtebestand Nederland) zijn geen grachten van het oude kasteelcomplex of de oude terp meer te ontwaren. Jammer maar zo is het natuurlijk wel meer historische kastelen vergaan.

Hillshade afbeelding AHN 3 (maaiveld), Huis te Velde

Conclusie

Alhoewel het dertiende-eeuwse kasteel al eeuwenlang verdwenen is, kunnen we het middeleeuwse landschap met zijn kaarsrechte sloten tot op de dag van vandaag bewonderen. Op deze manier zijn de sloten van de Dijkpolder stille getuigen van een bijzonder stukje cultuur- en landschapsgeschiedenis en kijken wij min of meer uit over hetzelfde landschap waar in 1267 Floris te Velde zijn kasteel had staan.


Bibliografie

Bult, E.J. (1986). “Ontginning en bewoning ten noorden van de Maasmond en de landschappelijke veranderingen die daarbij optraden’. in: Rotterdam Papers V A contribution to prehistoric, roman and medieval archaeology. M.C. van Trierum & H.E. Henkes eds. Rotterdam, 115-136.

E. Bult e.a. (2012). Historie en Landschap van de Dijkpolder, de commandeurspolder en de duifpolder, stichting Midden-Delfland is Mensenwerk.

Dijkstra, M. (2012). Rondom de mondingen van Rijn en Maas. Leiden: Sidestone Press.

Kruikiuskaart (1712) TUD

OHZ = Koch, A. C. F, Kruisheer, J. H, Dijkhof, E. C, Burgers, J. W. J, & Sparreboom, J. (1970). Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299. Assen: Van Gorcum.

Oppermann, O. Alexander. (1933). Fontes egmundenses. Utrecht: Kemink.

RGLM = C. Hoek, Repertorium op de grafelijke lenen in Maasland, 1258-1648. Eerder gepubliceerd in ‘Ons Voorgeslacht’, jrg. 25 (1970), een uitgave van de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie.

Roorda van Eysinga, N. (1988). De geboorte van het Hoogheemraadschap van Delfland: Ontginning en bedijking in de vroege middeleeuwen. Alphen a/d Rijn: Canaletto.

bekijk ook eens de Westlandkaart met prachtige landschapsreconstructies!

Wagenaar, J. (1746). Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden van Holland; zesde deel. Behelzende het Vervolg der beschryvinge van Holland met nieuwe kaarten en kunstige Print-verbeeldingen versierd. Amsterdam: Isaak Tirion.

De duidelijke taal van Wilders 1000 jaar geleden

Tweede Kamer-lid Geert Wilders staat bekend om zijn begrijpelijke taal zonder ingewikkelde woorden of omfloerste retoriek. Het was daarom wachten op het moment dat één van zijn uitspraken zich zou lenen voor de Versta-je-oertaal-prijsvraag. Deze week was het zover.

Voor wie niet bekend is met deze prijsvraag; het radioprogramma De Taalstaat (NPO 1) heeft als zomerrubriek een Versta-je-oertaal-prijsvraag in het leven geroepen; het concept voor deze prijsvraag is dat een zin uit de actualiteit door mij omgezet wordt naar het Nederlands van 1000 jaar geleden. Dit is zelf nog een stukje ouder dan het hebban-olla-vogala-gedichtje! Dat we de taal van toen kunnen reconstrueren, is een verdienste van de historische wetenschap waar je hier meer over kunt lezen.


Rechtbank

De actuele uitspraak die ik verleden week gekozen had, kwam uit het slotpleidooi van Geert Wilders bij de afloop van de rechtszitting op de 8e juli 2020. Als slotwoorden sprak Wilders de rechtbank als volgt toe:

“ik dank u voor uw aandacht en ik wens u veel wijsheid toe bij uw beraadslagingen in de raadskamer”

Deze zin is om meerdere redenen uitermate geschikt voor vertaling naar het Oudnederlands. Ten eerste gaat het om een zin zonder moderne terminologie zoals “pensioensakkoord” of “corona-maatregelen”. Ten tweede gaat de zin inhoudelijk om de rechtspraak en de rechtsgang, een institutie die ook 1000 jaar geleden al een belangrijke plaats innam in onze samenleving. Sterker nog, één van de oudste teksten waarin Oudnederlandse woorden voorkomen is een wetstekst uit de vroege negende eeuw, de zogeheten “Ewa ad Amorem” (= de wet bij de rivier de Eem).1


Wilders in het Oudnederlands

De uitspraak van Wilders had ik als volgt naar het Oudnederlands vertaald:

ic thankon iu vor iuwer scouwunga endi ic wenskon iu vilo wisduomes bi rāt wirkenne in themo girādi

In deze vertaling zijn de werkwoorden thankon en wenskon vrij gemakkelijk herkenbaar als onze woorden “danken” en “wensen”. Voor het moderne woord “aandacht” had ik het middeleeuwse woord scouwunga gekozen dat de betekenis “oplettendheid” met zich mee droeg en waarin we het moderne werkwoord schouwen herkennen.

De persoonlijke voornaamwoorden iu (= u/jullie) en iuwer (= van u/jullie) zullen niet al teveel problemen hebben geboden aangezien zij met het Modernnederlandse u en uwer te verbinden zijn. In ouderwets Nederlands van zo’n honderd jaar geleden zou min of meer hetzelfde woordmateriaal gebruikt zijn:

ik dank u voor uwer aandacht


Vergeten grammatica

Dan nu het tweede deel van de zin: het woord wisduomes voor “wijsheid” laat zich oplossen door de vergelijking met het Engelse “wisdom”. Dit woord staat in de genitief-naamval (met uitgang –es) vanwege het voorgaande bijwoord vilo (= veel).

vilo wisduomes

Dat klinkt exotisch maar een restant van deze constructie vinden we nog steeds in het Nederlandse “veel goeds“. Daarin is dezelfde genitief-uitgang te zien!

Waarschijnlijk het moeilijkste deel van de Oudnederlandse zin is de constructie “bi rat wirkenne” waarmee ik “bij uw beraadslagingen” had vertaald. In het Oudnederlands is geen woord overgeleverd voor “beraadslaging” maar wel de uitdrukking “rat wirken” (= beraadslagen, letterlijk dus “raad werken”).

Om een werkwoordelijk gezegde dat “beraadslagen” uitdrukt dezelfde betekenis te geven als “beraadslaging”, heb ik gebruik gemaakt van een oud stukje grammatica;2 een middeleeuwse constructie die voor moderne taalgebruikers een beetje vreemd aandoet, maar begrijpelijker wordt wanneer we een soortgelijke middeleeuwse constructie met het voorzetsel te bekijken:

“ende de keyser ontboedt den coninc Philips van Vrankeryke (…) bij hem te comene

Kronyk van Vlaenderen

In onze hedendaagse taal zouden we deze zin namelijk op bijna precies dezelfde manier maken met als verschil dat de middeleeuwse vorm comene in de Modernnederlandse vertaling komen zou luiden en identiek zou zijn aan het hele werkwoord “komen”.

“En de keizer ontbood koning Filips van Frankrijk (…) bij hem te komen

Historisch gaat het hier echter niet om een heel werkwoord maar om een verbogen vorm van een van het werkwoord afgeleid zelfstandig naamwoord (ook wel “verbaal substantief” genaamd). Omdat het voorzetsel te vroeger de datief-naamval regeerde (vgl. te velde, te lande) staat in het middeleeuwse Nederlands het woord comen ook in de datief-naamval. Dezelfde constructie met te kon je vroeger ook met bij maken om zo aan te geven dat de werkwoordshandeling een bijwoordelijke bepaling bij het eerder gezegde weergeeft.

In het moderne Nederlands kunnen we dit trouwens ook maar dan moet je wel het lidwoord “het” gebruiken. Het Oudnederlandse zinsdeel “bi rāt wirkenne” kan dan letterlijk naar het moderne Nederlands “bij het beraadslagen” worden vertaald.


Raadkamer

Dan tot slot de Oudnederlandse vertaling voor het woord “raadskamer”. Dit moderne woord veronderstelt dat de rechtsgang binnenskamers plaatsvindt, maar dat was in het jaar 1000 ondenkbaar.

Recht sprak men buiten op de gerechtsplaats die vaak dingstat, maelstat of vierschaer werd genoemd.3 Maar de uitspraak van Wilders had niet zozeer betrekking op de fysieke plaats waar de beraadslaging plaats zou hebben maar meer op het feit dát de beraadslaging plaats zou hebben.

Daarom heb ik voor “raadskamer” de vertaling girādi gekozen dat zoveel als “raadszitting” betekent. Zo kon afstand worden gehouden van de Oudnederlandse woorden die expliciet naar een locatie buitenshuis verwezen maar wel hetzelfde idee worden weergegeven.


Conclusie

Wat deze vertaling van de slotzin van Geert Wilders mooi laat zien is dat het Nederlands de afgelopen duizend jaar ingrijpend is veranderd; niet alleen woorden en klanken verschillen, maar ook stukjes grammatica die in de middeleeuwen nog erg gewoon waren, zijn inmiddels uit onze taal verdwenen.

Toch is de inhoud van de slotzin tijdloos; want 1000 jaar geleden zou een voor het gerecht gedaagde ook zomaar de rechtsprekende schout en schepenen aldus toegesproken kunnen hebben…


Voetnoot

1 Sommige geleerden noemen zelfs enkele Germaanse woorden uit de Lex Salica, een zesde-eeuwse wetstekst al Oudnederlands.

2 deze constructie wordt aangeduid met verbogen infinitief maar is ook bekend onder de term gerundium.

3 naar de vier banken (schaerne) die de rechtszitting afbakenden

Vloeken in middeleeuws Brabant

De Arte Gladiatoria Dimicandi, MS Vitt.Em.1324, f. 18r

Hoe beledigde je iemand in het hertogdom Brabant van de late dertiende eeuw? Of liever gezegd, welke woorden moest je vermijden om te voorkomen dat een Brabander goed kwaad werd? We weten het antwoord dankzij middeleeuwse wetsteksten (zogeheten stadsprivileges of “keuren”) die in de periode 1270-1302 door de hertog ten behoeve van verscheidene Brabantse steden waren opgesteld.

Wat blijkt nu uit deze middeleeuwse bronnen? Waar de moderne Brabander volgens de sketches van New Kids vooral “verrekte k*t” roept, ging dat 700 jaar geleden net wat anders en waren de gevolgen behoorlijk serieus.


Leugenaar

Wilde je in dertiende-eeuws Brabant iemand echt boos maken dan kon je hem best een leugenaar te noemen. In het stadsprivilege van Grimbergen (Vlaams-Brabant) van 1275 wordt dit vergrijp zelfs als eerste wetsartikel van de tekst genoemd.

Wie andren loghenstreept ochte leleke wart ane sprake, hi hadde verbort ieghen den here V s. lovenscer penninghe cleinre munten

“Al wie een ander leugenaar noemt of lelijke woorden toesprak, hij heeft verbeurd tegen de heer 4 leuvense penningen in kleine munten”

Keure van Grimbergen

Waarom was dat nou zo’n serieuze zaak? Dat komt omdat het besmeuren van iemands goede naam aanleiding was voor wraakneming. Een ruzie kon dan zó uitlopen in het trekken van messen, zwaarden of knuppels (zie ook Bremmer 1996). Het was daarom belangrijk dit soort ruzies in de kiem te smoren want dat scheelde weer openbare geweldplegingen en bloedvlekken uit je wambuis wassen. Maar iemand oneerlijkheid verwijten was niet de enige strafbare belediging volgens de Brabantse bronnen…


Scheldwoord

Een andere opvallende belediging in de dertiende-eeuwse Brabantse wetsteksten is de verwensing “gotsat“. Zo lezen we in de Oude Keure van Steenbergen uit 1272:

Quicunque alium maledixerit, id est gotsatte, emendabit ei tres solidos et domino tres solidos

“Al wie een ander heeft vervloekt, dit is ‘gotsatte’, zal aan hem 3 schelling en aan de heer 3 schelling betalen”

Oude keure van Steenbergen

Zes schellingen in totaal dus. Dat was iets minder dan de boete voor het iemand aan de haren trekken (10 schelling) en gelijk aan de boete voor het niet vergoeden van de schade voor het vertrappen van iemands land door jouw runderen (6 schelling).1

Iets zuidelijker in het hertogdom komen we dezelfde verwensing tegen; in de stadskeur van Antwerpen van 1292 worden, net zoals in de keur van Grimbergen, beledigingen en verwensingen als eerste wetsbepaling van de tekst besproken:

wie andren loghenstreept; ogte segt; gotsat hebbe di. Gonneert werdi. Ogte ghi siit een quaet; met felheiden. hi es om .v. s. louensche cleinre monten. jeghen den here

“Wie een ander met boosaardige bedoelingen leugenaar heeft genoemd of zegt: “gotsat hebbe je.” “Onteerd zijt gij” of “gij zijt een kwaad” moet 5 Leuvense schellingen in kleine munten aan de heer betalen”

Keure van Antwerpen

Samen met de beschuldigingen van leugenachtigheid, oneerbaarheid en kwaadaardigheid was het toeroepen van het woord “gotsat” dus ook in Antwerpen een serieus vergrijp.


Etymologie

Maar wat betekende nu precies “gotsat“? Hiervoor moeten we een kijkje nemen in de literaire teksten waarin het woord voorkomt. Zo lezen we in de Rijmbijbel van Jacob van Maerlant:

Ende gaf den monde venijn mede
van hoenten at eenen godtsat”

“En (God) gaf de mond (van de slang) venijn mee,
door zijn bedrog had het een vervloeking”

Rijmbijbel van Jacob van Maerlant 19:25-28

Dat het hier om een samenstelling gaat die voor de middeleeuwse Brabander direct doorzichtig was, leert ons een iets andere variant van dezelfde tekst uit de Rijmbijbel (hs A). Daar lezen we:

Ende ghaf den monde venijn mede
Van hoonne hadt enen Gods hat

Het los geschreven woord hat is hierin herkenbaar als een voorloper van ons woord “haat”. Ook in andere Middelnederlandse teksten komen we dit woord in de betekenis “vervloeking” tegen.2

Dat de klinker van het woord hat kort is, komt door een eigenaardigheid uit de historische grammatica van het Nederlands. In het Laat-Oudnederlands kon een zelfstandig naamwoord in de nominatief-naamval namelijk een korte klinker hebben en in de genitief-naamval een lange klinker.3

Laat-OudnederlandsMiddelnederlands
nominatiefhat>> hat ~ haet
genitiefhātes> haetes

We hebben in de vervloeking gotsat dus te maken met de samenstelling “Gods haat” die gebruikt werd in de volledige verwensing “gotsat hebbe di” (= “Gods haat hebbe je”, cf. de stadskeur van Antwerpen). Met deze uitroep verweet de middeleeuwse tijdgenoot zijn tegenstander “goddeloosheid” en “verdoemenis”. Geen wonder dat de uitgescholden partij dan al gauw naar een moordwapen greep!


Eufemisme

Maar zoals wel vaker voorkomt bij scheldwoorden en verwensingen, viel ook deze vloek ten prooi aan taboe-vervorming. Op dezelfde manier dat nu potverdomme als opgeschoonde (eufemistische) versie van g*dverdomme wordt gebruikt, gebeurde er iets soortgelijks met de middeleeuwse vloek gods hat.

Dit zien we al terug in Jacob van Maerlant’s Rijmbijbel waar op een andere plek in de tekst niet godsat wordt geschreven maar gatsat. De o-klinker van het woord God is hierin vervangen door een a-klinker.

Titus die leecht vor die stad
Deus hoe suaer es sijn gatsat

“Titus is voor de stad gelegerd,
en O God, hoe zwaar is zijn vervloeking!”

Rijmbijbel (766: 22-23)

Opvallend genoeg is dat redelijk parallel aan de ontwikkeling van godverdorrie naar getverderrie en gatverdarrie, waarin ook de klinker van het woord ‘god’ aangepast werd om de religieuze connotatie te vermijden.

Deze vervorming trof niet alleen het woord gotsat maar ook het afgeleide werkwoord gotsatten dat “smaden” en “beschimpen” betekende. In het andere grote werk van Jacob van Maerlant, de “Spieghel Historiael”, vinden we dit werkwoord namelijk in de vorm gatsatten!

dat die Jueden altehant bespottet hadden ende geplat, bespuwet ende gegatsat

“Dat de Joden bespot hadden en geslagen, bespuwd en vervloekt”

Spieghel Historiael (LV, 35)

Conclusie

Dit brengt ons terug bij het middeleeuwse stadsprivilege van Steenbergen waarmee we onze verkenning van de middeleeuwse vloek begonnen waren.

In de vroege veertiende eeuw, zo’n dertig jaar na het opstellen van het eerste stadsprivilege (de oude keure), werd door Raas van Gavere (heer van Breda) en Gerard van Wesemael (heer van Bergen op Zoom) in 1308 een nieuw stadsprivilege aan Steenbergen verleend. Ook in deze tekst werd het wetsartikel over het schelden opgenomen, hetzij in aangepaste vorm.

Wie dat enen mensche te Steenberghe heet lieghen ofte godshat, hi verboert ieghen denghenen diere ghelogenstreept es oft diere ghegodshat es V s. ende ieghen de heren V s.

“Al wie iemand in Steenbergen zegt te liegen of vervloekt, hij verbeurt tegen diegene die hij leugenaar genoemd heeft of vervloekt heeft 5 schelling en 5 schelling voor de heer.”

(ONB nr. 1492)

De boete was dus omhoog gegaan! En niet zo’n beetje ook want voor 10 schellingen kon je een jaar lang een mooi stukje grond huren. Waarschijnlijk wilden de schepenen van Steenbergen zo voor eens en voor altijd duidelijk maken dat je in hun stad niet zomaar “GODSAT HEBBE DI!” kon roepen. De stadsvrede was dus letterlijk een kostbaar goed. Want ook de schepenen wisten; bloedvlekken zijn moeilijk uit je wambuis te wassen.


Biografie

Bremmer Jr Rolf H. (1996). “Schelden doet zeer: verbaal kwetsen in laat-middeleeuws Friesland”. Leidschrift. Historisch Tijdschrift 12: 2, 19-36.

MNW = Verwijs, E., Verdam, J., & Stoett, F. A. (1882-1952). Middelnederlandsch woordenboek. ‘s-Gravenhage: Nijhoff.

ONB = Dillo, M., G.A.M. Van Synghel & E.T. van der Vlist (2000). Oorkondenboek Noord-Brabant tot 1312. Deel II. De Heerlijkheden Breda en Bergen op Zoom (2 delen). Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Instituut voor Nederlandse Geschiedenis: Den Haag.

VMNW = Pijnenburg, W. Johannes Juliana, & Gysseling, M. (2001). Vroegmiddelnederlands woordenboek : woordenboek van het Nederlands van de dertiende eeuw in hoofdzaak op basis van het Corpus-Gysseling. Groningen: Gopher publishers.

Voetnoten

1 De Oude Keure van Steenbergen kennen we ook uit een latere Middelnederlandse vertaling (ca. 1409). Daar lezen we:
Die ten anderen seghet dat hii lieghet, hii moet hem betren III s. ende den heere III s. Soe wie eenen anderen godscatte, hii moet hem betren III s. ende den heere III s.” (ONB nr. 1111, p. 482)
“Die tegen een ander zegt dat hij liegt, hij moet hem drie schelling betalen en drie schelling aan de heer. Al wie een ander “gotsat” toezegt, hij moet hem hetzelfde betalen.”

2 Ook in de middeleeuwse tekst Sente Lutgart (ca. 1270) waarin het leven van de heilige Lutgardis wordt verhaald, komt deze vloek voor. Hierin slaat de duivel de arme Lutgardis met allerlei verwensingen om de oren en bijt hij haar tot slot toe:
“Al ouer waer seggic di dat
oc moten hebben din gods hat
die andre nonnen altesamen”
“Voorwaar zeg ik u dat
ook alle andere nonnen
vervloekt zijn”
Sente Lutgart (124: 31-32)

3 Dit fenomeen wordt in de taalkundige literatuur ook wel “allomorfie” genoemd.



Waar stond de Vinkenbroekse kapel?

Afgelopen half jaar heb ik meerdere naamkundige artikelen over de middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis en historische topografie van de Noord-Brabantse noordwesthoek geschreven. Tijdens dit onderzoek kwam ik meermaals de buurtschap Vinkenbroek tegen, een historisch straatdorp tussen Wouw en Roosendaal. In een eerder artikel heb ik laten zien dat zelfs over zulke kleine gehuchtjes behoorlijk wat historische gegevens zijn te verzamelen.

buurtschap Vinkenbroek

Hier gaat het mij om het volgende vraagstuk; in Vinkenbroek stond vanaf de late middeleeuwen (1450 – 1700) een kapel die bij de Wouwse Sint-Lenaards-processie op de zondag voor Pinksteren bezocht werd.1 De Vinkenbroekse kapel wordt in deze hoedanigheid in het oudste Wouwse schepenprotocol van 1507 voor het eerst genoemd (RAW inv. 1, f.45v). Deze processie was één van de hoogtepunten van het kerkelijk jaar voor de parochie Wouw. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van de volgende aantekening uit de vroege 17e eeuw :

anno 1619 soo heeft de groote ommeganck weder gegaen voer de ierste reyse lancx Vinckelbroeck met menichte volcx ende vier gulden, die waren den ed hantboge van Sinte Sebastiaen alhier, alsoock de cruysboge van alhier, item den hantboge van Halteren ende den cruysboge van Vroenhout…

Rijksarchief ‘s-Hertogenbosch, Wouw inv. R115; vermoedelijk RAW inv. 115

Een belangrijke kapel dus voor de middeleeuwse en vroegmoderne tijdgenoot in de parochie Wouw. Dat blijkt ook uit een aantekening uit de 18e-eeuwse (Latijnstalige) pastoorskroniek van Gerard Hoffmans (1770) waarin de kapel van Vinkenbroek als volgt wordt beschreven:

De vierde kapel was in Vinckenbroeck, waarvan in 1646 nog steeds de muren overeind stonden en het gebouwtje was vanouds geschikt om diensten in te houden2 (ed. Van Hoeck 1943: 85)

In zijn kroniek geeft Hoffmans echter geen aanwijzingen voor de ligging van het gebouw. Ook in de wetenschappelijke literatuur is deze middeleeuwse kapel nooit gelokaliseerd. In de rest van dit artikel wil ik daarom de gegevens die ik hierover heb gevonden bij elkaar zetten en zo de locatie van deze kapel nader bepalen.


De grens tussen Wouw en Vinkenbroek

Van Hasselt & Weijnen (1948: 122) stelden in het waardevolle boekje “De plaatsnamen van Roosendaal” voor dat de Vinkenbroekse kapel aan de Bulkstraat op de grens tussen Vinkenbroek en Wouw kan hebben gestaan. Dit lijkt mij echter onwaarschijnlijk want in de 15e en 16e-eeuwse visitatierapporten (1480 – 1504) waar de grenspunten tussen Wouw en Roosendaal worden besproken komt de kapel van Vinkenbroek niet voor.

Volgens deze rapporten liep de grens bij Vinkenbroek dwars door een hofstede die “Heijn Joos Russaerts huijsinghe” werd genoemd. In een getuigenverklaring uit 1504 beschrijft een getuige met de naam Harman Jan Lamszoon dat de schout en schepenen van Wouw voor inspecties van de wegen en wateren deze hofstede via de “kerkwech” (het latere Kerkpad) bereikten en daarna over de Bulkstraat terug naar Wouw keerden (zie Van Ham 1975: 127).

Harman Jan Lamssen tuycht als de schoutet van Wouwe met sijnre schepenen omginc dat hij endelinge in quam vanden kerkwech vorbij Hein Jas Rutsarts huys ende dan gingen zij opt strate tegen tweechsken ende van dair te Wouwe wart

cf. NDR RRB inv. 110

Dit alles betekent dat de kapel van Vinkenbroek oostelijker moet hebben gelegen dan de grens tussen Wouw en Vinkenbroek. Dit wordt bevestigd door een schetskaartje uit 1525 waarin de grenspunten tussen het land van Bergen en van Breda zijn ingetekend (GAR inv. M10675). Op dit kaartje zien we dat de kapel van Vinkenbroek als apart oriëntatiepunt ten oosten van Heijn Joos Russaers hofstede staat aangegeven.

De cappelle van Vijnckenbroeck” Gemeente-archief Roosendaal M10675

Het cijnsregister van 1560

Andere aanwijzingen voor de locatie van de Vinkenbroekse kapel komen uit een Bergen-op-Zooms cijnsregister uit 1560. Hierin vinden we vier cijnsposten plus perceelbeschrijvingen met de kapel van Vinkenbroek als bijgegeven plaatsbepaling. Het gaat hier om landbouwpercelen die bij de hoeves aan de Bulkstraat hoorden, allen tussen de één en anderhalve Roosendaalse gemet groot (0,43 ha en 0,645 ha).3 Hieronder een voorbeeld:

Uijt geert de tappers thijSen comende van Jan de tapper huijs ende hoff te Vinckenbroeck bij de capelle met een gemet landts daer aene” (ARR BoZ inv. 1350, 53r)

Het kadaster van 1832 laat zien dat de Vinkenbroekse percelen op de grens tussen Wouw en Roosendaal dan afvallen omdat de meeste te groot zijn. Bij de kruising van de Bulkstraat met het Kreukelstraatje en de vlak daarachter liggende kruising met de Boeiinksestraat bevinden zich daarentegen wel meerdere percelen van ruwweg de grootte die in het register van 1560 gegeven wordt. Dit zou daarom dan ook een veel aantrekkelijkere locatie voor de Vinkenbroekse kapel zijn.

Percelen van ongeveer 1 of 1,5 gemet groot. tekening: Kerkhof. Onderlaag kadaster 1832

De kaart van 1769

Doorslaggevend bewijsmateriaal voor deze aanname komt uit een kaart van de Sint-Bernardussabdij te Hemiksem die in 1769 getekend is en waarvan een kopie uit 1817 bewaard is gebleven. Deze Sint-Bernardusabdij bezat de kerkelijke tienden (een soort belasting) van de parochie Wouw alsook enkele belangrijke dorpspercelen. De bovengenoemde kaart is vervaardigd ten tijde van de parochiekroniek van Hoffmans dus we mogen verwachten dat de kapel erop staat afgebeeld. En ja hoor; op de kaart van 1769 staat ten noordoosten van de kruising van de Bulkstraat met de Boeiinksestraat het woord “capel” geschreven.

Kaart van de tiende van Sint-Bernard, BHIC 343, inv. 2466

Aangezien dit in overeenstemming is met de boven gegeven overwegingen, kunnen we vrij zeker zijn dat hier de correcte locatie van de Vinkenbroekse kapel staat aangegeven en zo zijn we een waardevolle aanwijzing over de middeleeuwse topografie van de parochie Wouw rijker.

locatie kapel. tekening: Kerkhof. Onderlaag kadaster 1832

Tot slot nog het volgende; een paar weken geleden realiseerde ik mij dat ik jarenlang elke dag door Vinkenbroek heen ben gefietst, op weg om mijn dementerende grootmoeder te bezoeken. Al die jaren heb ik nooit geweten dat die min of meer willekeurige verzameling boerderijen vroeger een heus dorp was. Ik vind het daarom best bijzonder dat ik nu, bijna twintig jaar later, in eeuwenoude registers en kaarten toch iets nieuws over deze plek heb weten te ontdekken.


Voetnoten

1 In de Wouwse parochiekroniek van Gerard Hoffmans (1770) lezen we over het feest van Sint-Lenaard: “elk jaar op de zondag voor Pinksteren was er zo’n grote toeloop van volk (bij de kerk van Wouw) dat die dag wel veertig en meer karren met aardewerk en steengoed (in de volkstaal aardewerck of gelyewerck) zwaar beladen aankwamen en een soort van markt hielden“, vertaald uit “quotannis Dominica ante Pentecostem tantus erat concursus populi ut eo die quadraginta currus et ultrae solis in instrumentis vel mobilibus ex luto et latere confectis (vulgo aardewerck vel gelyewerkc) onusti adventarent et speciem nundinarium constituerent” (Van Hoeck 1943: 32)

2 “Quartum sacellum fuit in Vinckenbroeck, cujus adhuc muri et parietes anno 1646 existebant, eratque formatum ab antiquo ut divina in eo celbrarentur.” (Van Hoeck 1943: 85)

3
– Vuijt jan claes vrients chijns goederen van pierman peckstock gelegen achter zijn huijs bij de cappelle te vinckebroeck grot anderhalf gemet , xxi r (ARR Boz inv. 1350, 51r)
– Vuijt chijns van nelken jans dochter weerden van claes ans ervs aen comende van goort willem henderixs erv soe met ander haelf gemet lands ende erve geleghen te Vinckenbroeck bij de cappelle oist der sheeren straet staende fo vv? verso (ARR BoZ inv. 1350, 52r)
– Adam adriaen comende van adriaen jans ende heerman van claes jans ende pecstock ende willemd dirxc een stede te vinckenbroeck bij de cappelle met een halff gemet landts (ARR BoZ inv. 1350, 52r)
– Uijt geert de tappers thijs comende van Jan de tapper huijs ende hoff te Vinckenbroeck bij de capelle met een gemet landst daer aene (ARR BoZ inv. 1350, 53r)

Bibliografie

ARA BoZ = Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom
inv. 1350, legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Roosendaal, Kruisland en Langendijk.

Brabants Historisch Informatie Centrum, toegangsnummer 343 Collectie kaarten en tekeningen van het Rijksarchief in Noord-Brabant, ca. 1500- ca. 2000, inv. 2466, kaart of tweede deel van de tiende onder Wouw, Heirel, Moerstraten, Nassau en Cruyslandt toebehorende aan de abdij van sint Bernard

Gemeentearchief Roosendaal, inv. M10675, manuscriptkaart van het noordwestelijk gedeelte van het hertogdom Brabant

Van Ham, W. (1975). ‘Breda contra Bergen op Zoom: vijf eeuwen strijd om de grenzen (II)’. Jaarboek de Oranjeboom 28, 95-134.

Van Hasselt, R. & A.A. Weijnen (1948). De Plaatsnamen van Roosendaal. Jaarboek De Ghulden Roos 8, Roosendaal.

Van Hoek, F. (1943). ‘Jaarboeken der parochie Wouw II,’ Taxandria; tijdschrift voor Noord-Brabantse geschiedenis en volkskunde 50, 73-95.

NDR = Nassause Domeinraad: Raad en Rekenkamer te Breda I, Inv. 110, Stukken aangaande de regeling van de grens tusschen het land van Breda en dat van Bergen op Zoom, van Halsteren tot Sprundel

RAW = West-Brabants archief 0388, Rechterlijk archief Wouw inv. 1, Schepenprotocol 1507-1511

Verdwenen hoeves op het Brabantse platteland

Wanneer je op een topografische kaart van Nederland kijkt, zul je zien dat rond veel dorpen kleinere gehuchtsnamen ingetekend staan. Deze gehuchten zijn tegenwoordig vaak al verdwenen of niet veel groter dan een paar boerderijen langs een boerenweg. In dit artikel verken ik de oorsprong van een gehucht dat ten zuiden van het Oost-Brabantse dorp Haps ligt. Uit deze verkenning zal blijken dat we aan de hand van zo’n gehuchtsnaam ver terug de plattelandsgeschiedenis in kunnen.


ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Haps eigenlijk ligt

In het noordoosten van het oude hertogdom Brabant niet ver van de Maas, in de oude heerlijkheid Cuijk, lag het middeleeuwse dorpje Hoeps, het tegenwoordige Haps.1 Dit dorpje bestond uit een aantal boerderijen rond een centrale driehoekige weide, gelegen aan een noord-zuid lopende weg van Cuijk naar Wanroij. Ten westen van de weide stond een middeleeuwse kapel (de latere parochiekerk) en ten oosten lag het kasteel van de heer van Haps. Om de dorpskom heen lagen verschillende boerenhoeves met hun akkercomplexen.

pentekening Sint-Nicolaaskerk te Haps. Volgens R. van den Brand van ca. 1750
tekening overgenomen van BHIC-website zonder verwijzing

In de pre-industriële tijd waren deze omringende hoeves minstens net zo belangrijk als de dorpskom zelf. De boerderijcomplexen van de Laaracker, de Steenacker, de Hueff en de Alde Singhe (het latere Cinquant) boden onderdak aan honderden cijnsboeren en gaan in ieder geval terug tot de late middeleeuwen (1300-1500). Deze middeleeuwse boerenhoeves vormden heuse woonkernen waaruit later de dorpsgehuchten (ook wel buurtschappen genaamd) ontstonden. Eveneens gelegen op een oud stuk cultuurland, ten zuiden van de dorpskom, vinden we het gehucht Putselaar. In de rest van dit artikel zal ik proberen wat licht te werpen op de raadselachtige oorsprong van dit gehucht.

Historische buurtschappen rond Haps op een moderne topografische kaart

Het Putsel

De bouwlandkavels waaromheen het gehucht Putselaar ontstond, krijgen we pas relatief laat in beeld; in een vroeg-achttiende-eeuwse notarisaantekening uit 1711 vinden we een boerderij gelegen in “het Putsel” aangeduid als een huis met moestuin waarbij 4 morgen bouwland hoorden (ca. 4 ha).2 Dit landgoed behoorde toe aan de broers Pouwel Jans en Jan Gerrits en was hen toegekomen via hun moeder, een zekere Heiltje Jans. Volgens de kerkelijke begraafboeken van Haps werd Heijlkens Jans “op het Putsel” op 10 juli 1694 begraven.3 Dit is daarmee ook de oudste vindplaats van de naam.

oudste vindplaats “Het Putsel”

De naam komt daarna geregeld in notaris- en schepenaantekeningen uit de achttiende eeuw voor; zo wordt in een aantekening uit 1783 een bouwhoeve in “het putsel” omschreven als een huis met opberghok, bakoven, put en moestuin ter grootte van ongeveer 100 roeden (= 1 hond, ca. 200 m2).4 Denkelijk is dit dezelfde boerenhoeve als die van 1711.

Uit latere aantekeningen leren we dat het land van “het putsel” geclassificeerd stond als vrij allodiaal erf, wat betekent dat de eigenaar geen “belasting” betaalde aan de heer van Haps (zie ook Van Den Brand 2009: 405). Deze eigendomssituatie is vrij uitzonderlijk en duidt meestal op een oude middeleeuwse ontginning. Omdat “het putsel” dus buiten de heerlijkheid Haps lag, hoeft het niet te verbazen dat op de oudste kaart van de heerlijkheid, gemaakt in 1738, de hofstede niet staat afgebeeld.

kaart van de heerlijkheid Haps, door Joh. Brückner (1738). Noorden is rechtsonder. kaart overgenomen uit Van den Brand (2009: 66-67)

Op de Tranchotkaart uit 1804 staat het gebied rond het huidige Putselaar wel ingetekend. Bij de driesprong van de weg naar Cuijk met de relatief jonge doorlopende weg van Wanroij naar Beugen vinden we een akkercomplex waarbij de naam “Het Putselle Rumen” staat geschreven . Deze naam moet waarschijnlijk gelezen worden als Putseller Rumen, dat wil zeggen “het Putselaar Ruim”.5

“Het Putselle Rumen” op de Tranchotkaart (1804)

De notarisaantekening uit 1711 maakt duidelijk dat het goed waarop de bouwhoeve“het Putsel” gelegen was, bestond uit het boerderijerf plus vier morgen land (ca. 40000 m2). Op de Tranchotkaart van 1804 vinden we in het zuidwesten van “het Putsele Rumen” een rechthoekig perceel dat aan de gegeven areaalgrootte voldoet. Aangezien de andere percelen met huis en hof die we op de Tranchotkaart herkennen een stuk kleiner zijn, is het waarschijnlijk dat dit het perceel van 1711 is.6

GIF-animatie van het erf met bouwland van 1711; van 1832 tot 2019

Het middeleeuwse blok

Op dezelfde kaart zien we rondom het voornoemde perceel de omtrek van een oud blok bouwland, omzoomd door bomen, dat ongeveer 35 hectare groot is en ten oosten van de oude zandweg van Cuijk naar Wanroij ligt. Met dit blok zal ergens in de hoge of late middeleeuwen de ontginning van “het putsel” begonnen zijn.

Waar de middeleeuwse hofstede heeft gestaan is onduidelijk. Het is mogelijk dat op het perceel van 1711 ook de middeleeuwse hofstede lag. Het is echter ook denkbaar dat de hofstede dichter bij de noord-zuid weg van Cuijk naar Wanroij lag. Interessant is in ieder geval dat volgens het oudste kadastrale minuutplan de bouwhoeve van 1711 niet direct met deze noord-zuid weg verbonden was, maar via een kleinere zandweg die vanuit het zuiden kwam. Dat zou een aanwijzing kunnen zijn dat het blok ouder is dan de weg van Cuijk naar Wanroij en de weg zodoende om het blok heen is geleid.

In de loop der tijd is het blok opgedeeld in kleinere percelen met verscheidene afhankelijke boerderijtjes. Doordat het goed niet leenroerig was aan de heerlijkheid van Haps hebben we geen oude gegevens uit de Hapse dorpsarchieven over wie het allodiale goed van “het Putsel” vóór het einde van de zeventiende eeuw bezat. Wellicht dat een gerichte zoektocht door de inkomstenregisters van het land van Cuijk nieuwe gegevens over dit vraagstuk oplevert.7

het oude blok van “het Putsel”

Etymologie

Dat het hier om oud bouwland gaat, blijkt ook uit de naamgeving. Zoals vermeld geven de oudste vindplaatsen de naam “het Putsel” maar vanaf 1761 komen we ook de naam “Putselaer” tegen.8 De wisseling tussen Putsel en Putselaer is te verklaren vanuit een dubbelbenaming Putsele Putselaer. De taalkundige elementen -le (een verkorte vorm van loo) en –laer zijn beiden veldnamen die wijzen op een bosrijke omgeving, wat past met de ligging op een terrasrestvlakte aan de rand van de heide (zie Theunissen & Spek 2009: 21). Gezien het feit dat “het putsel” in de historische bronnen de oudere van de twee namen is, zou men de samenstelling Putselaer als een secundaire woordvorming naar het voorbeeld van andere laar-namen kunnen beschouwen.9   

Maar wat betekent dat eerste element putse- nu precies? Dat is tot op heden een onopgeloste kwestie. De naamkundige Dittmaier (1963: 80) stelde voor dat het om een relatief jonge afleiding bij het woord put zou kunnen gaan gebaseerd op de genitief puts. Een samenstelling die jonger is dan de late middeleeuwen zou echter hoogst ongebruikelijk zijn voor het veelal oude naamkundige element laer. Ook het Modernnederlandse woord putse “leren emmer” waar Samplonius en Berkel (2018) aan denken is pas vanaf de late zestiende, vroege zeventiende eeuw overgeleverd en dus geen waarschijnlijke kandidaat (zie ook MNW s.v. putse).

Ik wil voorstellen dat het element putse– in Putselaar ontleend is aan het middeleeuws Waalse woord voor “put”. In het Waals was het woord voor put namelijk precies “putse” (Oudwaals puche, vgl. Modernfrans puits), een woord dat als naamkundig element ook benoorden de taalgrens te vinden is (zie Van Durme 1996: 108). In Vlaanderen vinden we dan ook namen als Putse (Hemelveerdegem), Putsenborre (Moerbeke), Putsenbroek (Moerbeke) en Putsemein (Geraardsbergen). Dat een Waals woord opduikt als veldnaam in Noord-Brabant klinkt wellicht raar, maar eerder onderzoek heeft uitgewezen dat via de tweetalige kanselarijen van de Brabantse landsheren wel meer Waalse veldnamen in Noord-Brabant terecht zijn gekomen.10

Hier is het belangrijk om op te merken dat de heren van Cuijk nauwe banden onderhielden met adellijke families uit België en Luxemburg waarmee geregeld huwelijken werden aangegaan.11 Ook was Albert van Cuijk, de zoon van heer Hendrik II van Cuijk, bisschop van Luik van 1194 tot 1200. Deze link met Luik verklaart ook hoe Wilhemus de Hops, de eerste ons bekende edelman van het geslacht van Haps, in 1201 in Luik kanunnik aan het Sint-Lambertuskapittel was geworden (zie ook Van den Brand 2009: 77-78). Er waren dus zeker connecties tussen het land van Cuijk en Waalstalig gebied en het is daarom geen vergezochte aanname dat de Cuijkse landsheren in hun kanselarij over tweetalige volgelingen beschikten.

Als deze etymologie correct is, hebben we ook een aanwijzing voor de ouderdom van de naam Putselaar. Het zou dan aannemelijk zijn dat de naamgeving samenhangt met de vroege landsheren van Cuijk uit de late twaalfde en vroege dertiende eeuw.12 Mogelijk heeft in deze periode een telg van de Cuijkse dynastie deze ontginning in eigendom gekregen en is het landgoed daarna apart gehouden van de rest van de heerlijkheid Haps.

GIF-animatie van Haps volgens de Tranchotkaart van 1804 en de OSM kaart van 2020

Conclusie

De vroegste middeleeuwse geschiedenis van het dorp Haps is in nevelen gehuld. Tot op heden is deze geschiedenis verteld zonder daarbij het gehucht Putselaar te betrekken om de begrijpelijke reden dat de naam pas laat in de bronnen opduikt. Ik hoop in dit artikeltje duidelijk te hebben gemaakt dat zowel de naam als het blok wijzen op een hoge ouderdom van de ontginning. Én dat achter alledaagse gehuchtsnamen op het platteland vaak een fascinerend stukje middeleeuwse geschiedenis schuilgaat.

Verder zou het zomaar kunnen dat onder het perceel van 1711 een belangrijk puzzelstukje van de middeleeuwse geschiedenis van het dorp Haps verborgen ligt. De oorsprong van het gehucht “Putselaar” nodigt in ieder geval uit tot vervolgonderzoek.13


voetnoten

1 Voor de verklaring van de etymologie van Haps is de vergelijking met het Oudengelse woord hōp “natuurlijke ophoging in het landschap” het meest overtuigend (Van Veen & Van der Sijs 1997; 385). De spelling met lange /ā/ <ai> kan uitgelokt zijn door de samenval van /ā/ en /ō/ in het Oost-Brabants.

2 zie Index notarieel protocol Cuijk (7127.1)

3 De overlijdensaantekening is te vinden op p.147 van Rooms-Katholiek begraafboek 1655-1723 Gemeente Haps (inv.2).

4 zie Index schepenprotocol Cuijk (7040.419)

5 Samplonius en Berkel (2018) lezen “het Putselte” op de Tranchotkaart maar deze lezing lijkt onwaarschijnlijk. Zij veronachtzaamt bovendien het daarop volgende “Rumen“.

6 In 1711 kwam het perceel van Heiltje Janss, de moeder van de voornoemde twee broers die het perceel later verdelen. Wellicht is het relevant dat de familie Jans blijkens de Tranchotkaart in 1804 ook het stuk land ingeklemd tussen het Putselaar en de Alvoortseweg bezat.

7 in het kadaster van 1832 behoort het grootste deel van “het Putselaar” toe aan Gerrit Jacobs, waarbij het perceel van 1711 als zijn “huis en hof” wordt aangemerkt (kadastrale kaart 1811-1832, aanwijzende tafel, sectie B, blad O17).

8 Zie Index schepenprotocol Cuijk (7040.441)

9 Voor de vroegste periode kan dit zeker correct zijn, want het komt vaker voor dat oude le-namen vervangen worden door jongere laar-namen. Toch zal ook de samenstelling met –laer oud zijn; bezuiden “het Putselaar” vinden we namelijk de veldnaam “het Beddelaar”, een belangrijke aanwijzing dat deze omgeving al lange tijd aangeduid werd met een laer-naam.

10 In eerdere artikelen (Kerkhof 2020a; 2020b) heb ik reeds de Waalse oorsprong van de Brabantse veldnamen saer en triest behandeld. Ook in Kerkhof (2018) wordt gesproken over hoe veldnamen door tweetalige elites over de taalgrens werden gebracht.

11 Denk aan de huwelijken van de heren van Cuijk met het huis Van Chiny en het Huis van Zelhem (zie Van den Brand 2009: 86).

12 Een andere oplossing zou zijn om de naam Putselaar te verbinden met grondbezit dat samenhangt met het vroeg-dertiende-eeuwse huwelijk van Hendrik III van Cuijk met de dochter van Jan van Put (de heer van de Zuid-Hollandse heerlijkheid Putten). Dit lijkt echter weinig waarschijnlijk.

13 Gelukkig is bij de aanleg van de N264 autoweg in 2017 het oude blok van Putselaar niet verstoord. Het is dus wellicht interessant om een keer proefsleuven te trekken om te kijken hoe oud de grondsporen in het perceel van 1711 precies zijn.


Dankbetuigingen

Dank aan Joost van den Besselaar van de Stichting Haps’ Heem voor het ter beschikking stellen van het boek van R. van den Brand voor dit onderzoek. Dank aan René Dings voor de verwijzing richting de veldnamen van Haps. Dank aan Jaap Helsen voor de verwijzing naar het overlijdensbericht van Heijlkens Jans. Dank aan Michiel de Vaan en Lauran Toorians voor eerdere naamkundige discussies.


Bibliografie

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

BHIC, 7127 Notarissen in Cuijk, 1696-1935 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC),
• Index notarieel protocol Cuijk (7127.1), inv. 1, Testamenten, magescheiden, huwelijksvoorwaarden enz., 1696-1752
• Schepenbanken van het Land van Cuijk, 1498-1810 (7040), inv. 419, 7 apr. 1783-14 nov. 1792
• Schepenbanken van het Land van Cuijk, 1498-1810 (7040), Inv. 441, Tot een band verenigde akten van (openbare) verkoop van onroerend goed, minuten

Dittmaier, H. (1963). Die (H)lar-Namen : Sichtung und Deutung; mit einer Verbreitungskarte. Köln: Böhlau Verlag.

Van Durme, L. (1996). Galloromaniae neerlandicae submersae fragmenta. Gent: Koninklijke academie voor Nederlandse taal- en letterkunde.

Van den Brand, R. (2009). Haps en het Land van Cuijk; van prehistorie tot 21ste eeuw, Haps: Stichting Haps’ Heem.

Kadastrale kaart 1811-1832, oorspronkelijke aanwijzende tafel Haps, geraadpleegd op https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Kerkhof, P. A. (2018). Language, law and loanwords in early Medieval Gaul : language contact and studies in Gallo-Romance phonology, Leiden: PhD-dissertation.

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). “Calwentriest en Den Trieste: vreemde veldnamen tussen Wouw en Roosendaal”. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie.

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). “Saer, Saert; een Zuid-Nederlandse veldnaam van onzekere oorsprong.” Noordbrabants Historisch Jaarboek.

MNW = Verwijs, E., Verdam, J., & Stoett, F. A. (1882). Middelnederlandsch woordenboek. ‘s-Gravenhage: Nijhoff.

Theunissen, L. en T. Spek. (2009). Haps-Laarakker, een bijzonder rijk bodemarchief; Archeologische waardering van een wettelijk beschermd monument (gemeente Cuijk), Rapportage Archeologische Monumentenzorg 173, Amersfoort.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Hoe oud is de burcht van Oegstgeest?

In het Nederlandse landschap zijn sporen van kastelen en burchten uit verschillende periodes van de middeleeuwen te vinden. In het Rijnmondgebied stonden verscheidene ronde burchten die teruggaan tot rond het jaar duizend. De burcht van Leiden en de burcht van Rijnsburg zijn hier mooie voorbeelden van. Ook in Oegstgeest heeft een middeleeuwse ronde burcht gestaan; een burcht met maar liefst drie concentrische grachten. In dit artikeltje verken ik de vraag hoe oud deze burcht is, een kwestie die tot dusver onopgelost is.

impressie van de burcht te Oegstgeest (tekening: Kerkhof)

Oegstgeest in de vroege middeleeuwen

De geschiedenis van het dorpje Oegstgeest gaat zeker dertienhonderd jaar terug. Rondom het dorp zijn verschillende nederzettingsresten uit de Vroege Middeleeuwen gevonden. Ten zuiden van het dorp bij Nieuw-Rijngeest Zuid bevinden zich sporen van Merovingische bewoning (ca. 600, zie De bruin, Lippok & Zon 2015). Aan de noordkant van het dorp stond vanaf de achtste eeuw een kerkje op een terrein dat later Kerkwerve werd genoemd.1 De middeleeuwse burcht van Oegstgeest, die later aangeduid werd met “Oude Hof”, stond daar niet ver vandaan.

GIF-animatie van de locaties van Nieuw Rijngeest Zuid, Kerkwerve en de Oudenhof in Oegstgeest tov een landschapsreconstructie (gebaseerd op Dijkstra 2011)

Opgravingen

Sporen van deze middeleeuwse burcht werden in 1938 door een medewerker van de topografische dienst toevallig op een luchtverkenningsfoto gevonden. In 1940 is het terrein in opdracht van het RMO verkend en zijn opgravingen verricht (zie Braat 1941: 94-104). Op een verkenningsvlucht van de Britse luchtmacht uit 1945 werd de plek nogmaals gefotografeerd en ook op deze foto zijn de grondsporen van de concentrische grachten goed zichtbaar.

luchtfoto’s 1938 en 1945 (overgenomen uit Van den Bosch 1999)

Het kasteelterrein ligt niet ver van de oude strandwal waar ook de middeleeuwse kerk en de omliggende boerderijen van Oegstgeest lagen. Het terrein behoorde oorspronkelijk toe aan de heer van Oegstgeest en wordt in een goederenlijst uit 1339 als volgt beschreven:

Item in Oestgeest die woninghe mitten weydelande die hout 25 morghen of alsoe veel. Item in die selve woninghe dat daer toe behoert 11 morghen an gheest die ghelden nu ter tijt te samen2

(Huisarchief van het kasteel Twickel, cartularium AA van Wassenaar, f. 10-11.

Het gaat dus om 36 morgen land (ca. 25 ha) dat aan het kasteel verbonden was, waarbij we het kasteelterrein zelf nog mogen optellen (ca. 5 morgen).3 De historicus A. Janse heeft aannemelijk gemaakt dat dit hof en de bijbehorende landerijen teruggaan op een oud bezitscomplex uit de Vroege Middeleeuwen (Janse 2001: 14). Vanuit deze plek bestierde de heer van Oegstgeest zijn domein en hofhorige onderdanen. De vraag is nu hoe lang daar al een ronde burcht had gestaan.


Ringwalburcht of mottekasteel?

De archeologie biedt hier geen eenduidig antwoord. Bij de opgravingen in 1940 is gebleken dat het kasteelterrein in ieder geval van de dertiende tot het begin van de veertiende eeuw in gebruik was (zie Braat 1941). Ook werden er bakstenen gevonden die zouden kunnen wijzen op een bakstenen ringmuur, vergelijkbaar met die van het mottekasteel van Leiden.4

Impressie van het Leidse mottekasteel rond de twaalfde eeuw. Een motte is een aangelegde aarden heuvel (tekening: Kerkhof)

Verder werd op het terrein een scherf Badorfaardewerk gevonden die uit de Karolingische periode stamt. Deze scherf kan echter ook bij het ophogen van de motteheuvel in de grond terecht zijn gekomen. Toch wordt in een vrij recente archeologische rapportage gesteld dat de burcht van Oegstgeest in de negende of tiende eeuw zou zijn opgericht (Van den Bosch 1999: 29). Dit zou ook blijken uit de ongewone inrichting met drie grachten, een inrichting die vrij uniek is in Nederland (zie ook Braat 1941: 103).

De archeoloog M. Dijkstra is het hier niet mee eens. In zijn proefschrift “Rondom de mondingen van Rijn en Maas” (2011) betoogt hij dat de burcht aanzienlijk jonger is. Het principe “zonder vondsten geen datering” is voor hem leidend; de voornoemde aardewerkvondsten wijzen richting de dertiende eeuw dus de burcht zal dan ook niet veel ouder zijn. Ook de ligging op een strandvlakte en de nabijheid van de tiende-eeuwse Rijnsburg zijn voor Dijkstra belangrijke argumenten tegen een vroegmiddeleeuwse oorsprong (Dijkstra 2011: 302).4 Als Dijkstra gelijk heeft moeten we uitgaan van een relatief laat dertiende-eeuws mottekasteel (zie ook Lugt 2009: 70-73).

impressie van de ringwalburcht van Rijnsburg (tekening: Kerkhof)

Daar staat tegenover dat de heerlijkheid van Oegstgeest ouder is dan de dertiende eeuw.6 Dit blijkt onder meer uit het feit dat de heer van Oegstgeest over een oud visrecht en de inning van de botting beschikte (zie Fockema 1935: 250). De botting is een vroegmiddeleeuwse belasting die mogelijk ouder is dan het graafschap Holland zelf (zie ook Van der Vlist 2001: 27-28). Het lijkt mij daarom aannemelijk dat de heer van Oegstgeest vóór het jaar 1000 ook al een versterkte hofstede had. Die hofstede stond dan waarschijnlijk op de plek waar later de bakstenen burcht werd gebouwd.

Volgens mij mogen we het volgende scenario overwegen; in de twaalfde eeuw was de hofheer van Oegstgeest tevens de burchtvoogd van de burcht van Rijnsburg en de burcht van Leiden (Dijkstra 2011: 302). De heer van Oegstgeest was toen één van de machtigste mannen van het graafschap. Het is denkbaar dat hij in deze periode zijn hofstede uit liet bouwen tot een heuse burcht met stenen ringmuur.

Vóór de twaalfde eeuw mogen we dan wellicht uitgaan van een versterkte vroonhoeve met ronde ringgracht en houten palissades. Van een burcht in de strikte zin van het woord was dan misschien nog geen sprake, maar wel van een domaniaal centrum (dat tevens als militair steunpunt fungeerde) waar de heer en zijn familie resideerden.


Oudenhof na de middeleeuwen

In de late middeleeuwen raakte het kasteelterrein in verval; dit zou verklaren waarom in het vijftiende-eeuwse schoorsteenregister van 1452 “de woninghe” van “de hof” ontbreekt, maar het kasteel van Eindegeest wel staat genoteerd (cf. Fockema 1935: 268).7

In de vijftiende eeuw was ook voor het verwijzen naar het oude grafelijke landgoed de naam “oude hof” in gebruik geraakt. We komen de naam voor het eerst tegen in een verordening van het hoogheemraadschap Rijnland uit het jaar 1425:

voirt so sollen sii van oestgeester kerck ziidwert tot des burgrave coniins campe toe vanden ouden hove coeren ende scouwen mogen voir een waterkeer…”

“Verder zo zullen zij van de kerk van oegstgeest zijwaarts tot het konijnenveld van de burggraaf toe, van het oude hof, keuren en schouwen mogen voor een waterkeer…”

OAR inv.nr. ii, f.20r. ca. 1425

In andere vijftiende-eeuwse bronnen vinden we nog een aantal andere verwijzingen naar de voormalige hofstede van de graaf, maar zonder aanwijzing dat ze toen nog bewoond was (zie Lugt 2009: 90-91).

Op een landmeterskaart uit 1550 van Jacob Coenszoon zien we hoe het kasteelterrein er in de zestiende eeuw bijlag; het staat afgebeeld als een ronde beboste plek midden in het weiland. Ten westen van dit terrein staat een eikenboom getekend, voorzien van de beschrijving “den heilichen eyck”. Vermoedelijk gaat het hier om een oude vergaderplaats, wat zou passen in het scenario dat op het terrein al voor de twaalfde eeuw de hofstede van de heer stond.8

“Kaart van een deel lants ghelegen inden ambacht van Oestgheest aan den Heerwech en den Lijdwech”, Jacob Coensz. 1550, ELO-PV80500

Op een vroeg zeventiende-eeuwse kaart van Oegstgeest van Jan Pieterszoon Dou ontbreekt het ronde terrein maar de naam “het oude hoff” staat er wel op aangegeven (inv. ELO-PV80506). Deze kaart hangt waarschijnlijk samen met de verkoop van de landerijen van “het oude hoff” in 1615 door de toenmalige eigenaar (de heer van Wassenaar) aan de stad Leiden.

Kaart van landerijen tussen den Heerwech van Oestgeest naar Leiden de Vliet en den Warmonder wech“, ca. 1615, ELO-PV80506

In het proces-verbaal van deze verkoop (SV inv. 789, f.vi) lezen we over “een campe lants genaemt het oude hoff groot vijff morgen achtentachtig roeden” (ongeveer 4,4 ha). Daarna werd het land per opbod aan particulieren doorverkocht. Enige tijd later, voor het midden van de zeventiende eeuw, werd het weiland ingepolderd en bemalen door een klein molentje dat al op de kaart van 1615 is ingetekend. Sindsdien maakte het terrein deel uit van de Oudenhofpolder waar nu nog steeds de achttiende-eeuwse Oudenhofmolen staat.


Epiloog

Op de weilanden van de Oudenhofpolder werd na de oorlog de Bloemenbuurt gebouwd. Bij de aanleg van de rioolsleuven voor de woonwijk werd aanzienlijke schade toegebracht aan het onderliggende terrein. Daar staat tegenover dat er toen wel nieuwe archeologische gegevens boven de grond kwamen; nieuwe aardewerkscherven en de resten van een houten brugjuk dat een deel van de ophaalbrug kan zijn geweest (zie Braat 1961).

Op een luchtfoto uit 1962 zijn nog de laatste grondsporen van de middeleeuwse burcht te zien, maar daarna verdween het terrein definitief onder het nieuw aangelegde Irispark.

In 2006 is bij de herinrichting van het Irispark de ronde vorm van de binnenste gracht opnieuw zichtbaar gemaakt. Te midden van een cirkel van hoge iepen staat nu een moderne sculptuur genaamd “de verhalenverteller”, een man die ondersteboven zijn oor te luister legt op de grond van het kasteelterrein. Een herinnering aan de tijd dat deze plek het middelpunt van de heerlijkheid was.

Irispark anno 2020 (fotograaf: Jorik Groen)

Voetnoten

1 de oudste vindplaats van de naam kerkwerve bevindt zich in een visitatielijstje van de abdij van Echternach uit de elfde eeuw (BnF Lat. ms 9433) waar de naam als kiric ¶ uuereue (dus niet kirichuuereue zoals soms in de literatuur geschreven wordt) is neergepend.

2 Deze beschrijving staat opgetekend in een goederenlijst uit 1339 die opgemaakt was ter gelegenheid van de overdracht van de ambachtsheerlijkheid van Oegstgeest aan de heer van Wassenaar (zie de uitgave van Hoeck 1973: 84-85). De ambachtsheerlijkheid is jonger dan de heerlijkheid en komt pas in de dertiende eeuw in de bronnen voor.

3 Fockema stelde vast dat in het morgenboek van het hoogheemraadschap Rijnland van het jaar 1544 hetzelfde goed voorkomt. Het is mij onduidelijk hoe Fockema (1935: 266) op 40 morgen voor de grootte van het goed komt aangezien de precieze ligging van de percelen niet gegeven wordt. Een inkomstenpost genaamd Dat hoff, tussen de vliet en de hofdijk, “bij oesten de heerwech“, is volgens het morgenboek 2 morgen en 50 roeden groot (OAR inv. 6123, f. xii). Misschien is dat het kasteelterrein.

4 De ouderdom van de Leidse burcht is omstreden. Van den Ende (2007: 25-29) gaat uit van een negende-eeuwse oorsprong als kleine ringwalburcht. Dijkstra (2011: 302) is het daar niet mee eens en pleit voor een jongere oprichting. Koolstofdateringen maken het desalniettemin aannemelijk dat het burchteiland in ieder geval rond het jaar 1000 bewoond was.

5 Dijkstra (2011: 302) noemt ook het ontbreken van een burg-toponiem verbonden aan het “hof” van Oegstgeest als argument tegen een hoge ouderdom van de inrichting van het kasteelterrein. Dit lijkt mij echter een zwak argument. “Hof”-toponiemen kunnen immers ook ouder zijn dan het jaar 1000 en het is zeker denkbaar dat naar een sterkte met meerdere benamingen kon worden verwezen.

6 In een oorkonde van 1201 komen we pas voor het eerst een edelman tegen wiens naam met Oegstgeest verbonden is (een zekere Willem de Ostgest), maar de heerlijkheid en het daarbij horende bezitscomplex reikt verder terug (cf. Janse 2001: 18).

7 In de Middeleeuwen kon behalve de belasting op het grondbezit ook een belasting op huizen worden geheven. Ten behoeve van de heffing van dit “schoorsteengeld” zijn zogenaamde schoorsteenregisters aangelegd. Hierin stond de grootte van het ‘huis’, uitgedrukt in de hoeveelheid schoorstenen, genoteerd (zie ook Van Synghel 2001: 11).

8 De aanname van Dijkstra (2011: 288) dat het hier om een laatmiddeleeuwse invention of tradition zou gaan, is niet dwingend. Het gebruik om bij heilige eiken te vergaderen of recht te spreken is zeer oud; de ouderdom van deze traditie in Oegstgeest is niet na te gaan, maar dat betekent niet dat ze noodzakelijkerwijs jong moet zijn. Ook Lugt (2009: 35-36) gaat uit van een jongere plek die onterecht aangeduid zou zijn als “heiliche eyck” met als argument dat de locatie (zoals gegeven op de kaart) geen logische vergaderplaats zou zijn. Dit is een beter argument, maar evenmin doorslaggevend als het inderdaad om een oude plek van grote significantie gaat. Ook kapellen of heilige kruizen stonden dikwijls op onlogische plekken.


Dankbetuigingen

Dank aan Erfgoed Leiden voor het beschikbaar maken van een voorheen afgegrendelde landmeterskaart. Dank aan Rob Verhoeven voor zijn goede raad om GIF’s van historische kaarten te maken en aan Jorik Groen voor de foto van het Irispark. Dank aan Wilfred Simons voor het bij me onder de aandacht brengen van dit onderwerp.


Bibliografie

Blok, P.J. (1910). Geschiedenis eener hollandsche stad; eene hollandsche stad in de middeleeuwen met twee kaarten, ‘s-Gravenhage; Nijhof.

Van den Bosch, J.E. (1999). Archeologisch Onderzoek Kasteel de Ouden Hof, Oegstgeest: Tussenrapportage, Heinenoord (SOB-research).

Van den Bosch, J.E. (2005). Aanvullend Veldonderzoek door middel van proefsleuven Irispark, Oegstgeest. Evaluatierapport, Heinenoord (SOB-research).

Braat, W.C. (1941). “De Ouden-Hof te Oegstgeest.” Leidsch Jaarboekje 33,94-104.

Braat, W.C. (1962). “Nogmaals de Oudenhof te Oegstgeest”. Leidsch Jaarboekje 54, 37-40.

De Bruin, J. Lippok, F. & Zon. M. (2015). Definitieve opgraving (DO) Oegstgeest Bio Science Park, Campagnes 2009 t/m 2014 Evaluatierapport versie 2.1.

Dijkstra, M.F.P. (2011). Rondom de mondingen van Rijn & Maas: landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek, Leiden: Sidestone Press.

ELO = Erfgoed Leiden en Omstreken
PV80500, Kaart van een deel lants ghelegen inden ambacht van Oestgheest aan den Heerwech en den Lijdwech
PV80506, Kaart van landerijen tussen den Heerwech van Oestgeest naar Leiden de Vliet en den Warmonder wech

Fockema, S.J.A. (1935). “Middeleeuwsch Oegstgeest”. Tijdschrift voor Geschiedenis 50, 256-275.

Hoek, C. (1973). “De Hof te Vlaardingen.” Holland; regionaal-historisch tijdschrift 5e jaargang 2, 57-92

Huisarchief Twickel inv. nr. 7394-1, Cartularium AA.

Janse, A. (2001). Wie was Willem van Oegstgeest (1201)? Een zoektocht naar aanleiding van een 800 jaar oude oorkonde. Vereniging Oud Oegstgeest extra nummer jaargang nr. 13, Oegstgeest.

Kerkhof, P.A. (2014). “Hoe de Friezen Oegstgeest hebben gesticht.” NEMO Kennislink.

Lugt, F. (2009). Het goed van Oestgeest. De Middeleeuwen in Oegstgeest, Poelgeest, Kerkwerve, Rijnsburg en Nieuw-Rhijngeest, Leiden (1e druk).

OAR = Oud Archief Rijnland, Hoogheemraadschap van Rijnland.
inv. nr. 11, “Register X no. XII”. Register van bestuurshandelingen en belangrijke stukken, uitgegaan van het bestuur van Rijnland of dat bestuur betreffende. Aangelegd c. 1443, vervolgd tot in 1449. Met een tafel.
inv. nr. 6123, Morgenboeken van Oegstgeest, 1544

SV = Archief Stadsheerlijkheden en Vroonwateren
inv. 789, Proces-verbaal van de verkoping van landerijen in Oegstgeest door de stad Leyden, 1616

Van Synghel, G.A.M. (ed.). (2001). “inleiding”. in: Broncommentaren 4; Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de Middeleeuwen en Ancien Régime. Den Haag: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, 7-20.

Van der Vlist, E. (2001). De Burcht van Leiden, Leidse Historische Reeks 14, Leiden: Primavera Press.


© Peter Alexander Kerkhof and Treasures of Dutch, 2020. Unauthorised use and/or duplication of this material without express and written permission from this site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Peter Alexander Kerkhof and Treasures of Dutch with appropriate and specific direction to the original content.

Tussen Burcht en Boerderij

In Nederland is de laatmiddeleeuwse geschiedenis goed zichtbaar. In vrijwel elke Nederlandse stad staan wel een aantal gebouwen die teruggaan tot de laatste eeuwen van de middeleeuwen. We kunnen dan denken aan een vijftiende-eeuwse kerk, een veertiende-eeuwse stadspoort of bij hoge uitzondering een dertiende-eeuwse burcht. De middeleeuwse geschiedenis van vóór deze tijd blijft vaak verborgen. Toch kunnen we in het landschap sporen van deze oudere middeleeuwse geschiedenis terugvinden.

mijn impressie van een vroonhoeve met cirkelvormige ringgracht

Vroonhoeve

In dit artikeltje wil ik het hebben over de sporen van een vaak vergeten middeleeuwse institutie: de vroonhoeve. Een vroonhoeve is de traditionele term voor een versterkte hofstede uit de hoge middeleeuwen (ca. 1000-1250). De term vroonhoeve bevat het Middelnederlandse woord vroon dat een genitief is van een oud woord voor landsheer.

Zo’n versterkte hofstede was vaak gelegen op een opgehoogd stuk land en omgeven door een cirkelvormige of rechthoekige gracht. Binnen dit complex stonden meerdere gebouwen, waaronder een grote voorraadschuur waarin de “belastingen” opgeslagen konden worden.

impressie van een omwalde hoeve in Leeuwergem, Daniël Pletincx – Visual Dimension bvba

Een gedeelte van het landgoed dat bij zo’n hofstede hoorde, werd direct door de heer geëxploiteerd en een gedeelte was uitgegeven aan hofhorigen (aan de grond gebonden onvrije boeren). Toen in de dertiende eeuw de horigheid af werd geschaft bleven de horigen vaak als belastingplichtige boeren (Middelnederlands laeten) bij zo’n landgoed wonen.

Hollandse hoven

In Holland waren deze hofstedes onderdeel van het machtsnetwerk van de graaf. Al geruime tijd hebben geschiedwetenschappers geprobeerd de grafelijke bezitscomplexen en versterkte hofstedes te identificeren. Sommige van deze bezitscomplexen zijn waarschijnlijk ouder dan het graafschap zelf en gaan terug tot de zevende en achtste eeuw toen Friessprekende machtshebbers de Nederlandse kuststrook bestierden. Een recent project van de historicus Hans Mol probeert deze bezittingen in kaart te brengen door het historisch grondbezit van de graaf in te tekenen in het historisch landschap zoals dat bekend is uit de kadasterkaarten van 1832 (zie ook Mol 2020).

schets van het graafschap Holland ca. 1100

Maar waar stonden de versterkte hofstedes? Een goede manier om hun locaties terug te vinden is om op historische kaarten op zoek te gaan naar een omgracht hooggelegen perceel dat overeenkomt met de beschrijving van een curtis (= hof) in de hoogmiddeleeuwse archivalia. Op de kaart van Vlaardingen van 1576, gemaakt door Jan Jansz. Potter (CAV inv. KVL0074), vinden we zo’n omgracht perceel, gelegen ten noordwesten van de stadskern in de hoek van een vaart (Nieuwenhuijsen 2012: 215-2017). Aangezien het Maasland in de elfde en twaalfde eeuw een belangrijk deel van het graafschap was, is het goed denkbaar dat dit hof aan de graaf toebehoorde en hij van tijd tot tijd met zijn familie op deze hofstede verbleven zal hebben. In de onderstaande GIF-animatie ziet u de locatie van het perceel van 1576 tot nu.

locatie van oud gravenhof bij Vlaardingen op Potter (1576), Kruikius (1712) en een luchtfoto van 2019

Brabantse hoven

In Noord-Brabant bouwden de heren ook versterkte boerderijen die als ankerpunt voor hun beheer van de omringende landgoederen dienden. In mijn eigen onderzoek naar de nederzettingsgeschiedenis van het land van Bergen op Zoom ben ik een aantal versterkte hofstedes tegengekomen. Sommige hofstedes waren direct onderhorig aan de heer van Bergen op Zoom. Andere hofstedes lijken niet aan de landsheer maar aan een lokale “heer” toebehoord te hebben.

versterkte hofstedes tussen Bergen op Zoom en Roosendaal die niet aan de heer van Bergen op Zoom toebehoorden

Het middeleeuwse landgoed Altena ten noorden van Heerle was zo’n hofstede. We komen dit landgoed voor het eerst onder de naam Altenne tegen in een oorkonde uit 1392 (ARR BoZ inv. 838). In deze oorkonde draagt Jan van Berchem het goed met huis, hof, erf en bouwland over aan de heer van Bergen op Zoom. Dit gebeurde na een periode van conflict en de overdracht was dan ook bedoeld als bestraffing voor de “midsbroken” die hij begaan had.

Het is goed mogelijk dat de benaming Altena door een eerdere heer van Bergen op Zoom was gegeven. Het landgoed stond immers op tweehonderd meter afstand van zijn residentie, het kasteel van Woude. Dat was zonder twijfel naar zijn mening “al-te-na” (= te dichtbij).1

ARR BoZ inv. 838, oorkonde van overdracht van 1392

In de Bergen-op-Zoomse administratie van na 1392 wordt de hofstede Altena en Attene genoemd. Hoe het landgoed vóór deze tijd heette, is onduidelijk, maar in een veertiende-eeuws inkomstenregister (1359) wordt gewag gemaakt van Laureis hofstat dat bij Heerle gelegen was (ARR BoZ inv. 597). Mogelijk is dit een oudere benaming van Altena. Het feit dat we bij Altena met een omgrachte hofstede te maken hebben pleit sowieso voor een hoge ouderdom (zie ook Leenders 2018).

In de onderstaande GIF-animatie ziet u de locatie van het landgoed van 1758 tot nu (met onder meer een beeld uit een luchtverkenningsfoto van 1944).

locatie van Altena op de kaart van H. Adan (1758), de kaart van J.B. Adan (1784), kadaster van 1832, luchtfoto van 1944 en een luchtfoto uit 2019

Niet al te ver van Altena is ook nog een andere versterkte hofstede te vinden. Het gaat hier om de Triest hofstede, voor het eerst vermeld in het midden van de veertiende eeuw en gelegen in dezelfde hoek als het latere buurtschap Den Trist ten noordoosten van Wouw. Ook deze hofstede was niet in het bezit van de landsheer maar van een lokale grondbezitter. Net zoals Altena gaat het om een rechthoekig omgracht boerderijcomplex.

omgracht perceel aan de Blicxe straete waar vermoedelijk de Triest-hoeve heeft gestaan op de kaart van de heerlijkheid van 1758 (Henri Adan), ARR BoZ inv. 1347.0

De goederen die bij deze hoeve hoorden (de grote en kleine Triest akker), waren zeer uitgestrekt en volgens een veertiende-eeuws inkomstenregister waren er meer dan 100 cijnsboeren aan dit bouwland verbonden (zie Kerkhof 2020).2

De twee laatste hofstedes die ik in mijn onderzoek ben tegengekomen lagen ten zuiden van de dorpskom van Wouw. In de laatmiddeleeuwse registers wordt een landgoed in een bocht van de Wouwse beek met doude borch aangeduid (ouder dus dan de nieuwe borch waarmee het voornoemde dertiende-eeuwse kasteel van Wouw werd bedoeld). De goederen die bij deze hofstede hoorden, lagen in een waaiervorm rond de hofstede heen, een perceelpatroon dat ook op de achttiende-eeuwse pre-kadastrale kaarten waarneembaar is.

de gebiedsnaam Ouwburg op de kaart van de heerlijkheid Wouw van 1758, (noord is links )ARR BoZ inv. 1347.0

Vanwege de hoge ouderdom en de locatie in de beek is het denkbaar dat het om een hofstede met cirkelvormige ringgracht ging. Deze hofstede was waarschijnlijk in de veertiende eeuw al buiten gebruik , want de naam doude borch wordt niet als inkomstenpost in het oudste inkomstenregister genoemd en komt daarna alleen als gebiedsnaam voor. Jammer genoeg zijn archeologische verkenningen die meer duidelijkheid zouden kunnen verschaffen over de ouderdom van de hofstede niet mogelijk omdat het terrein van “Ouwburg” tegenwoordig voor een deel onder de A58 snelweg ligt.

Tot slot het landgoed Moerbeke, een goederencomplex dat nog zuidelijker dan doude borch lag en zowel bouwland ten westen als ten oosten van de Wouwse beek omvatte. Het landgoed was omstreeks 1340 door de hertog van Brabant tegen een jaarlijkse betaling aan Jan Jacobszoon van Bergen afgestaan. Op een achttiende-eeuwse kaart van Henri Adan (kaart van de heerlijkheid 1758) vinden we op het landgoed “Moerbeek” een omgracht perceel zonder bouwwerk. Waarschijnlijk heeft daar de middeleeuwse hofstede gestaan. Het is denkbaar dat niet alleen de hofstede van Moerbeke maar ook de andere Bergen-op-Zoomse hofstedes in de twaalfde en dertiende eeuw door de hertog aan lokale heren in leen waren uitgegeven.

het omgrachte perceel Moerbeek op de kaart van de heerlijkheid Wouw van 1758, (noord is links) ARR BoZ inv. 1347.0

Epiloog

In de late middeleeuwen werden sommige hoven in steen herbouwd en bleven zodoende een ankerpunt van adellijke macht. Zo werden de stenen gebouwen en omwallingen van Altena in de zestiende eeuw gerenoveerd en sindsdien stond het landgoed bekend als “’t huijs te Heerle”.

Altena aangegeven als ’t huys bij Haerle op de kaart van Visscher van omstreeks 1675

Andere hoven verloren hun relevantie en na verloop van tijd verdwenen de boerderijcomplexen van de percelen. Dit was het geval met de grafelijke hofstede in Vlaardingen. Op de kaart van Kruikius van 1712 (en het latere napoleontische kadaster van 1832) zien we dat het perceel toen geen binnengracht meer had en de grond inmiddels in gebruik was als boomgaard. De tijd van heren en hoven was toen echt voorbij.

het perceel van de grafelijk hof Vlaardingen in 1712 en in 1832 gekarteerd via HISGIS. De oranje kleur markeert het grondgebruik als “boomgaard”

Voetnoten

1 De Bergen-op-Zoomse historicus Van Ham (1998: 19-21) gaat er vanuit dat een deel van de goederen van Altena enkele decennia daarvoor van een andere heer, de Steenbergse grondbezitter Jacob van Grimmestein, waren overgenomen (Van Ham 1979). Een ander deel van Altena stond bekend als Laurients goed. Aangezien Laurent een jongere Franse vorm is van de naam Laureis (Oudfrans nom. laureis, obl. laurent), zou het kunnen dat hier naar hetzelfde goed als laureis hofstat van 1359 wordt verwezen.

2 Dat de naam Triest niet naar een trieste bodemgesteldheid verwees, blijkt wel uit het feit dat het hier om het meest draagkrachtige bouwland van de heerlijkheid ging. Het is daarom waarschijnlijker dat we met de Waalse ontginningsnaam triest (onbebouwd land, braakland) te maken hebben die door de tweetalige landsheren van het midden van het hertogdom naar de noordwesthoek zijn gebracht. Voor de etymologie van deze Zuid-Nederlandse veldnaam en de locatie van de hofstede, zie Kerkhof (2020).

Bibliografie

WBA, ARR BoZ = Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom, 1289-1795

– inv. 597, Legger van vaste inkomsten (landcijns, moercijns, hooitienden, lakenaccijns) in het land van Bergen op Zoom en te Brecht, 1359

– inv. 838, Akte van overdracht door Jan van Berchem van het huis Altena bij Heerle, 1392-07-25.

– inv. 1347.0 Wouw: overzichtskaart behorende bij het cijnsregister, 1758

CAV = Collectie Stadsarchief Vlaardingen inv. KLV0075, ‘De Stede van Vlaerding’ 1576.

Daniël Pletincx, Animatie Leeuwergem 1420 “Moated farm” op YouTube

Van Ham, W. (1979). Altena onder Wouw : Van Hoeve tot pompstation. Publikaties van het Archivariaat “Nassau-Brabant” 48.

Van Ham, W. (1998). Van Harella tot Heerle; geschiedenis van een West-Brabants dorp, Wouw.

Hoek, C. (1973). “De hof te Vlaardingen.” Holland; regionaal-historisch tijdschrift v, 57-91.

(nog te verschijnen) Kerkhof, P.A. (2020). “Calwentriest en Den Trieste: vreemde veldnamen tussen Wouw en Roosendaal”. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie.

De kaart van Kruikius (1712) van het hoogheemraadschap van Delfland kan hier geraadpleegd worden.

Leenders, K.A.H.W. (2018). “Rond de oude eik”. Jaarboek De Ghulden Roos 78, 9-41.

Mol, H. (2020). “Het Napoleontisch kadaster van Holland in GIS: belang en perspectieven.” Historisch Tijdschrift Holland 52.

Nieuwenhuijsen, K., Ridder, T. & Mostert, M. (2012). Ad Flaridingun – Vlaardingen in de elfde eeuw : Middeleeuwse bronnen over de Slag bij Vlaardingen en andere Vlaardingse gebeurtenissen (Middeleeuwse studies en bronnen ; 135). Hilversum: Verloren.

Meertaligheid van een elfde-eeuwse gravin

In de taalgeschiedenis van het Nederlands is altijd een zekere mate van meertaligheid in het spel geweest. Denk aan de invloed van het Romaans (Laat-Latijn) in de oudheid, aan de invloed van het Fries in de middeleeuwen en aan die van het Frans in de pruikentijd. Hier een korte blogpost over de meertaligheid van een elfde-eeuwse dame die de machtigste vrouw van onze streek was.

Othilhilda was gravin van West-Friesland (het latere Holland) in de late elfde eeuw. Zij was mogelijk een dochter van de hertog van Saksen en zonder twijfel een hooggeboren dame.1

Zo spreek je Othilhilda uit

Ze trad omstreeks 1080 met graaf Thiederik V (Dirk) van Holland in het huwelijk. Thiederik zocht bondgenoten in Saksen en zal daarom met haar getrouwd zijn. Othilhilda zal waarschijnlijk met Oudsaksisch als taal zijn opgevoed en dat sprak ze toen ze in Kennemerland aankwam.

Zo spreek je Thiederik uit

Thiederik, haar echtgenoot, was echter opgevoed in Vlaanderen. Hij sprak dus waarschijnlijk Oudnederlands met een Vlaams accent. Aan het hof werd dan ook nog eens Fries gesproken want het gebied tussen Rijnsburg en Egmond was toen nog gedeeltelijk Friestalig.

het graafschap West-Friesland met de gouwen Kennemerland, Rijnland en Maasland

Wat zijn de verschillen? Othilhilda zal in het Oudsaksisch vogalas gezegd hebben, terwijl Thiederik in het Oudnederlands vogala zei. De Friese hovelingen zeiden dan weer fugela.

Ook waren er verschillen in de grammatica. Het Oudsaksisch van Othilhilda maakte namelijk (net zoals het Fries) geen onderscheid van getal in de meervoudsvervoeging van het werkwoord. Haar man Thiederik deed dat wel in het Oudnederlands (zie tabel).

OudsaksischOudnederlandsOudfries
ik biumic bimik ben
thu bistthu bistthu bist
he ishe ishi is
wi sindonwi sinwi sind
gi sindongi sitji sind
sia sindonsia sinthia sind
werkwoordvervoegingen van het werkwoord “zijn”

Voor de Nederlandse taalgeschiedenis is het bovendien interessant dat Othilhilda op hetzelfde moment in Egmond was als toen de Egmondse Williram, één van de belangrijkste Oudnederlandse teksten, gekopieerd werd (Sanders 1974: 25-31). De inhoud van de tekst is vrij spannend; een geleerd commentaar op het erotische Bijbelboek Hooglied.

Maar ook hier taalproblemen! De Egmondse Williram is nl een vernederlandste versie van een Beiers-Duitse tekst. Als de tekst aan haar werd voorgelezen dan waarschijnlijk door een Vlaamse monnik (Egmond zat vol met Vlamingen). Othilhilda bevond zich dus in zeer meertalige omgeving!

Graaf Thiederik stierf in 1091 op 37 jarige leeftijd. Othilhilda stierf waarschijnlijk na 1130. Zij heeft haar man dus nog vele jaren overleefd. In de jaren tachtig bij archeologische opgravingen rond de kloosterkerk van Egmond stuitte men bij toeval op haar graf. Haar stoffelijk overschot is jammer genoeg een van de weinige sporen die van deze veeltalige dame over zijn.

Tot slot: een Modernnederlandse versie van de 11e-eeuwse naam Othilhilda zou Odeld(e) zijn, net zoals de Oudnederlandse naam Machtilhilda in Machteld(e) veranderde. Ik hoor het nu al “Odeld, kom je buiten spelen?”


Noot aan de lezer

In dit artikel dient de gravin vooral als historisch voorbeeld aan de hand waarvan de meertaligheid van elfde-eeuws West-Friesland geïllustreerd kan worden. Vanuit de historische bronnen is er over Othilhilda vrijwel niks met zekerheid bekend. Ik heb de tekst van dit artikel op 28 april 2020 enigszins aangepast om deze onzekerheid beter uit de verf te laten komen.


Voetnoten

1 we mogen haar niet verwarren met gravin Othilhilda van Saksen, de vroeg-elfde-eeuwse echtgenote van de West-Friese graaf Thiederik III (993-1033) die de slag bij Vlaardingen won.

Bibliografie

Cordfunke, E.H.P. (1987). “Othilde”, in: Gravinnen van Holland; Huwelijk en huwelijkspolitiek van de graven uit het Hollandse huis. De Walburg Pers, Zutphen, 53-56.

Nieuwenhuijsen, K. (2016). Strijd om West-Frisia : De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland: 900-1100. Omniboek, Utrecht. 

Sanders, Willy. (1974). Der Leidener Willeram, Medium Aevum 27, Wilhelm Fink Verlag, München.

Brabantse bandieten

Op Netflix is nu de Vlaamse serie “de Bende van Jan de Lichte” te zien waarin het leven van een groep Brabantse bandieten omstreeks 1740 centraal staat. Omdat de serie niet bijzonder goed is, hier een blogartikel over echte bandieten in Brabant, gebaseerd op archiefonderzoek uit 1989.

In de scriptie “Hanghen tusschen Hemel ende Eerde” van W.F.L. Reijnders worden de doodsvonnissen van de schepenbank van Wouw (een heerlijkheid tussen Bergen op Zoom en Roosendaal) tussen 1616 en 1803 besproken. Vaak betreft het zwervers, deserteurs en bandieten die met diefstallen en berovingen in hun levensonderhoud voorzagen.

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Van de Wouwse schepenbank zijn 250 procesdossiers overgeleverd: De verdachten waren door de drossaard (een soort van politiechef) gearresteerd en vaak op de pijnbank tot een bekentenis gedwongen. De drossaard formuleerde een strafeis waarna de schepenbank rechtsprak.

Vooral wanneer de zwervers van buiten Staats-Brabant kwamen, werd tot de doodstraf besloten (in 18 van de 250 processen). De scherprechter van Bergen op Zoom voerde de terechtstelling uit op het marktplein, tegenover de vierschaer (het raadhuis), waar voor zo’n gelegenheid een halve galg was getimmerd.

De verschillende kwartieren van de heerlijkheid (Spellestraat, Wouwse Hil, Oostelaar etc) leverde 80 manschappen voor een burgerwacht die een afzetting rond het schavot vormden. Na de executie werd het lichaam per kar naar het galgenveld vervoerd en daar ten toon gesteld. In de middeleeuwen stond er een gerechtsplaats bij de Wouwse oostmolen richting Roosendaal en een andere niet ver van de Wouwse baan bij de grens met Bergen op Zoom.

“Hier hebben die van Wou iustititie gedaan” (ARR BoZ inv. 599)

De exacte locatie van het na-middeleeuwse galgenveld is niet bekend. Volgens de zeventiende- en achtiende-eeuwse bronnen was het gelegen “op de heide”. Aangezien onder de Wouwse heide in latere tijd het gebied bezuiden de Wouwse hil werd verstaan, zal het dus waarschijnlijk niet hetzelfde galgenveld dat bij de Wouwse baan lag zijn geweest.1

Als voorbeeld van een interessante procesgang, hier het procesdossier van Francis de Wolf uit Brussel die in 1717 in de kraag werd gevat. Hij werd gezocht voor het doodschieten van een herbergier in Besoijen (bij Waalwijk) waarna hij op de pijnbank verscheidene andere misdrijven bekende:

  • beroving van de aanwezigen in de herberg te Besoijen
  • diefstal van lammeren in Nieuw Vosmeer
  • woningoverval in Antwerpen
  • woningoverval in Eekeren
  • winkeloverval in Antwerpen
  • diefstal van levensmiddelen en gijzeling in Stabroek
  • woningoverval in Roosendaal.

Toen hem gevraagd werd de bekentenis te ondertekenen antwoordde hij:

daartoe geen oorsaecke gehadt te hebben als wel te hebben hooren seggen, als de gevangenen teeckenen dat sij dan haer aende galgh teeckenen

(citaat uit Reijnders 1989: 42).

Het feit dat Francis in de maanden daarvoor rondzwierf en “vleselijke conversatie” had met een zekere Maria Raeff pleitte volgens de ondervragers tegen hem. Zij was volgens het dossier namelijk een “persoon vol van ondeughden en grove gebreecken“.

De eis van de drossaard loog er niet om. Francis uit Brussel zou aan een kruis worden gebonden “ende door den scherpreghter levendigh op sijn armen en beenen en voorts op sijn borst en kast met eenen eijseren kantboom” worden geradbraakt tot de dood erop volgde.

Bij wijze van alternatief stelde de drossaard voor eerst de veroordeelde de hand af te slaan en daarna op te hangen waarna de hand aan de galg zou worden genageld. De schepenbank besloot ook dit advies niet te volgen. Een gewone “ophanging” werd het vonnis.

In het dossier bevindt zich tot slot de rekening van deze executie. 39 gulden voor de bouw van het schavot, 9 gulden voor het ijzerwerk van de galg en 6 gulden voor het bier dat geschonken werd bij de ophanging. Ten slotte 48 gulden voor Hendrick Jannieck, de beul uit Bergen op Zoom.

Deze procesdossiers van de Wouwse schepenbank verschaffen een interessant beeld van hoe een kleine boerengemeenschap criminaliteit van buiten probeerde af te schrikken. Het waren nl. vooral “buitenlanders” uit Belgisch-Brabant en Limburg die zwaar werden gestraft.

Kortom; ik vond dit stukje Brabantse geschiedenis een stuk spannender dan de Netflix serie

Voetnoten

1 Daar staat tegenover dat in de zeventiende eeuw ook het gebied bij het Buitengebint en de Borgvlietse duinen bekend stond als “de Wouwse heide” (cf. Van Ham 1980: 52).

Bibliografie

Delahaye, A. (1980). “Wouw in vogelvlucht tussen 1570 en 1813.” in: Woide…die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, Gemeentebestuur Wouw.

Reijnders, W.F.L. (1989). Hanghen tusschen hemel ende eerde: themanummer doodstraf in Wouw, Heemkundekring De Vierschaer, Wouw (opvraagbaar in de KB)