Standbeelden verwijderen is een terugkeer naar traditie

Door Alexia Elise Kerkhof

Afgelopen zondag (19 april 2026) berichtte de Volkskrant over het voornemen van de Werkgroep Slavernijverleden Hoorn om dit jaar maar liefst tien demonstraties te plannen. Het doel van de demonstraties? Eindelijk voor elkaar krijgen dat het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen verplaatst wordt van het Hoornse marktplein naar het Westfries Museum. Het tegengeluid klinkt ons bekend in de oren: “Het beeld staat er al zo lang.” “Coen hoort bij Hoorn.” “Waarom moet het verleden gecanceld worden?” Maar wie in de archieven duikt, vraagt zich al gauw af waarom er überhaupt een standbeeld op het Hoornse marktplein staat…

Een zeldzaamheid

Tot diep in de 19de eeuw waren standbeelden in Nederland een zeldzaamheid. Toen het Coenbeeld in 1887 werd aangekondigd, schreef de krant Het Vaderland nog nadrukkelijk dat “wij geen vrienden van de standbeeldenmanie zijn.” In Nederland vond men al die Franse, Duitse en Belgische standbeelden van dichters, militairen en staatslieden namelijk maar niks. Waar komt deze afkeer voor de vereeuwiging in brons vandaan? Een deel van het antwoord schuilt mogelijk in het feit dat we in Nederland vanwege ons republikeinse verleden geen vorsten hoefden te vereeuwigen. Er was hier te lande dus ook geen beeldhouwtraditie ontstaan en de meeste Nederlandse standbeelden werden in de 19de eeuw door Belgische, Franse en Duitse beeldhouwers gemaakt. Kortom: de aanwezigheid van standbeelden in de openbare ruimte was toen niet de vanzelfsprekendheid die wij er vandaag in zien.

Het had net zo goed een waterpomp kunnen zijn

Nog veelzeggender is hoe de oprichting van het standbeeld in zijn werk ging. Niet op initiatief van de overheid, maar via een particuliere commissie van vooraanstaande heren die in 1884 tijdens een vergadering van de Vereniging voor Volksvermaken een voorstel van een enthousiaste onderwijzer overnamen. De benodigde 20.000 gulden (omgerekend een paar ton in euro’s) moesten via een landelijke inzameling bij elkaar worden gebracht. De stad Hoorn zelf droeg minder dan een tiende van het bedrag bij.

En een standbeeld? Dat had aanvankelijk niet eens de voorkeur. De commissie overwoog serieus een fontein, een lantaarn of een pomp “in artistieke vorm” met daarop een verwijzing naar Coen. Zelfs de latere secretaris van de commissie had liever een filantropische stichting gezien voor Hoornse werklozen. In de krant werd gepleit voor een Coen-fonds dat jonge mannen naar Indië zou uitzenden. Het monument dat we nu kennen is dus een toevallige uitkomst van een discussie in een kleine club rijke witte mannen en een inzamelingsactie die maar nét het streefbedrag haalde.

In 1893 al omstreden

Het is al voldoende in opiniestukken benadrukt, maar hier nogmaals voor de mensen achter in de zaal: al bij de oprichting van het standbeeld klonk scherpe kritiek op de historische figuur Jan Pieterszoon Coen. Bibliothecaris P.A. Tiele publiceerde in 1886 een bronnenuitgave waaruit bleek dat óók 17de-eeuwers het geweld van Coen buitensporig vonden. Landsarchivaris J.A. van der Chijs schreef datzelfde jaar over het bloedbad van Banda: “Ware voor Coen niet reeds een standbeeld opgerigt, ik betwijfel of zulks nog zoude verrijzen. Aan zijnen naam kleeft bloed.” Het socialistische weekblad Recht voor Allen verspreidde op de dag van de onthulling een overdruk waarin Coen werd afgeschilderd als een bloedhond.

En het publiek? Dat reageerde lauw op de onthulling van het monument in 1893. Journalisten merkten op dat de festiviteiten ter gelegenheid van de onthulling weinig feestelijk waren aangekleed. Geïnterviewden lieten weten vooral teleurgesteld te zijn dat koningin Emma en prinses Wilhelmina niet waren gekomen. De boeren uit omliggende dorpen waren volgens één verslaggever eerder op de harddraverij afgekomen dan op de gouverneur-generaal, die zij toch voornamelijk kenden “van de in de laatste weken in den handel gebrachte Coen-sigaren en Coen-koekjes”. Het is dus niet zo dat de inwoners van Hoorn het standbeeld meteen in hun hart sloten. 

Verplaatsing is herstel naar traditie

Wat betekent dit alles voor de discussie in 2026? Vooral het argument dat het standbeeld van Coen op het marktplein in Hoorn thuishoort, deugt niet. Op de centrale markt van Hoorn heeft vóór 1893 namelijk nooit een standbeeld gestaan. Verplaatsing naar het Westfries Museum, waar het beeld op dertig meter afstand van de huidige locatie een museale context krijgt, doet daarom de geschiedenis veel meer eer aan dan je op het eerste gezicht zou denken. Het is namelijk een herstel van de oorspronkelijke historische situatie waarin een centraal stadsplein aan iedereen toebehoort, ongeacht afkomst of politieke overtuiging. En misschien, na 133 jaar in weer en wind, krijgt het beeld in het Westfries Museum eindelijk een plaats die recht doet aan het werk van de kunstenaar, terwijl ook de rol die Coen heeft gespeeld in de Nederlandse en Indonesische geschiedenis niet wordt vergeten. Eind goed al goed, zou ik zeggen.


Dit stuk is een verkorte bewerking van het uitgebreidere stuk van Joey Spijkers, dat eerder verscheen als gastblog. Wie meer wil weten over de standbeeldcommissie, de locatiekeuze op de Hoornse markt en de 19de-eeuwse mediapolemieken, kan daar terecht.

boekbespreking “Het IJzeren Veulen”

Ik wist van tevoren dat ik geen spijt zou krijgen van mijn laatste impulsaankoop want het fictiedebuut van historicus Enny de Bruijn ligt geheel in mijn straatje: een moordmysterie geïnspireerd door een historisch rechtbankdossier dat zich afspeelt op het zeventiende-eeuwse platteland? Count me in! Als taalhistorisch onderzoeker met een voorliefde voor plattelandsgeschiedenis en vroegmoderne processtukken spraken de setting en de premisse mij ontzettend aan. Aangezien het boek nog weinig besproken is in de pers, hier in ieder geval mijn bescheiden bijdrage om de belangstelling aan te zwengelen

De roman draagt de titel “het IJzeren Veulen” en gaat over een zeventiende-eeuwse moord in een klein Gelders dorp aan de rivier de Waal. Met veel passie voor historische details vertelt de auteur hoe in het Gelderse Herwijnen in 1676, slechts enkele zomers na het rampjaar, het leven van de 36-jarige Gijsbertje wordt opgeschud. Op een warme zomermiddag wordt het lichaam van haar oom, een deftige dorpssecretaris, levenloos teruggevonden bij een poldermolen die in de volksmond “het IJzeren Veulen” heet. Wie o wie heeft het gedaan? 

De verdachte bij uitstek is een lokale soldaat met de naam Jan Hous, het zwarte schaap van een andere belangrijke dorpsfamilie, die de dag voor de moord nog heet van woede had verkondigd dat hij de secretaris naar het leven stond. De verdenking wordt versterkt door het feit dat Jan Hous bescherming geniet van de lokale dorpsschout, een man die al jarenlang een vete voerde tegen de secretaris. Terwijl de familie van Gijsbertje probeert om de vermeende moordenaar veroordeeld te krijgen, probeert zij zelf uit te vogelen of Jan Hous het eigenlijk wel gedaan kan hebben. Zo lopen er twee verhaallijnen door het boek; de eerste gaat over het wel en wee van een boeren dorpsgemeenschap terwijl een complexe rechtszaak de gemoederen bezig houdt, de tweede gaat over Gijsbertje zelf die vanaf de zijlijn een apart broodkruimelspoor volgt om de toedracht van de moord boven water te krijgen en tegelijkertijd met verschillende gewetenskwesties worstelt; wat nu als iemand uit haar eigen kring er iets mee te maken heeft?

De Bruijn besteedt veel aandacht aan de gevoelswereld en overpeinzingen van de hoofdpersoon, een alleenstaande herbergierster met een vrome inborst en een groot loyaliteitsgevoel. De emoties en dilemma’s van Gijsbertje worden in het boek gevoelvol besproken, maar slagen er niet altijd in om de spanningsboog te ondersteunen. Ook was het gebrek aan agency van de protagoniste soms pijnlijk groot. Gijsbertje ziet het allemaal maar gebeuren, grijpt zelden persoonlijk in en komt vaak tot de conclusie dat het maar beter is om niks te doen. Zo bekroop het gevoel me soms dat ik een Thea Beckman-boek aan het lezen was, waarin de hoofdpersoon, het braafste meisje van de klas, luidkeels “nee” zegt als het avontuur op de deur klopt. 

Dat ik het boek desondanks verslond, ligt aan het talent van de auteur die de lezer een prachtige schets van de zeventiende-eeuwse dorpelingen en hun leefwereld biedt. De Bruijns proza is kleurrijk en treffend met veel aandacht voor historische details zoals huisraad, klederdracht en de plaatselijke topografie en veldnamen. De beschrijvingen van de akkers, het bakken van het brood, het wieden van de koolhof en zelfs de verpachting van de lokale belastingen; de Bruijn slaagt erin om de lezer door een aansprekend en detailrijk historisch decor te leiden. En dan heb ik het nog niet over de authentieke rechtbankverhoren die met veel smaak worden herverteld.

Als ik toch nog een puntje van kritiek mag aanvoeren: er wordt wel erg veel van de lezer gevraagd wat betreft visualiserend oriëntatievermogen. Ik heb dikwijls het kaartje uit het begin van het boek erbij moeten pakken want uit de tekst zelf is soms moeilijk te achterhalen hoe de verschillende locaties zich tot elkaar verhouden. Lag kasteel Drakenburg nu aan de westkant of de noordkant van het dorp. En de eendenkooien? En de weg naar Asperen? Als je al bekend bent met de lokale topografie is dat misschien geen probleem maar voor mij, als West-Brabantse verstekeling, was het een stuk moeilijker te volgen.

Nu mijn kindle weer vredig op het nachtkastje ligt, spelen er nog een aantal vragen door mijn hoofd: had het verteltempo van het verhaal niet wat hoger kunnen liggen en was Gijsbertje wel de juiste keuze om ons als hoofdpersoon langs de gebeurtenissen te leiden?  Waren de zijsporen en de red herrings wel interessant genoeg en had er in Herwijnen niet meer kunnen gebeuren tussen de moord en de ontknoping? Enfin, voor mij doen de antwoorden er eigenlijk niet zoveel toe. Ook al is “het IJzeren Veulen” geen detective waar je met sneltreinvaart doorheen vliegt, de vaardige vertelstijl, de historische expertise van de auteur en het fascinerende procesdossier dat als inspiratie diende, zijn voldoende reden om dit boek een kans te geven. Bovendien bevindt zich op de laatste pagina’s ook nog eens een ijzersterke verantwoording met bronvermelding en archiefsignaturen, waardoor mijn voorgevoel ruimschoots bewaarheid werd: ik heb geen spijt van mijn koop want als liefdesbetuiging aan de Gelderse plattelandsgeschiedenis is “het IJzeren Veulen” zeer geslaagd.

Dr. Alex (Alexia Elise) Kerkhof (Fryske Akademy)

De moordvloer van Detzem: de oprichting van een Duitse buitengalg in 1731

Detzem is een klein dorpje aan de Moezel – niet ver van Trier – waar al tweeduizend jaar geleden een nederzetting stond. De naam Detzem gaat terug op het Galloromaanse decima leuga (10 mijlen), een naam die al in de Oudheid gegeven moet zijn en verwijst naar het feit dat Detzem tien Gallische mijlen van Trier vandaan ligt.

Deze blogpost gaat echter niet over plaatsnamen maar over een achttiende-eeuwse notitie over Detzem uit 1731 (vermoedelijk bewaard in een stadsboek), herteld door Jacob Grimm in 1841. In deze notitie wordt beschreven hoe de buitengalg van Detzem in 1731 werd opgericht. Alhoewel het oorspronkelijke handschrift waaraan Grimm de notitie ontleend heeft door een gebrek aan een bronvermelding moeilijk na te speuren is, zijn de details van dit relaas fascinerend…

Het Hochgericht van Detzem met de expositiegalg stond op de grens van de heerlijkheid op een bergweide bij de Schleicherberg die ook nu nog de Mordflur heet, vlakbij een beek met de naam Mordbache en een straat met de naam Mordstrasse. In de lokale veld- en waternamen rond het dorp is de herinnering aan de lugubere geschiedenis van deze plek dus bewaard gebleven.

gebied van het hooggerecht op de Tranchotkaart van het Moezelland van 1803-1820

Volgens het bericht uit 1731 ging de oprichting als volgt:

Toen de timmerlui bijna klaar waren met het maken van de stellage, begon de ceremonie. Allereerst stelden de Halsrechtmeier, de schepenen, de grondbezitters en schutters zich in een kring rond de galg op. Zodra de laatste pen in het houten bouwsel werd gestoken, trad de Amtmann, een beambte van het St-Maximins-klooster, naar voren. De Amtmann sloeg toen de eerste spijker in de pen. Vervolgens was het de beurt van de meier die de tweede spijker sloeg. Daarna mochten de schepenen hetzelfde doen en sloegen ook hun spijkers in de pen.

Vervolgens werd gezamenlijk – als gemeenschap – het bouwsel overeind gezet. Zowel de timmerlieden, de inwoners als de notabelen hielpen een handje mee. De Amtmann verklaarde toen plechtig dat dit voor niemands eer nadelig is. Het terechtstellen van misdadigers was immers geen eerzame aangelegenheid

Daarna begon de volgende stap van het ritueel. De Amtmann beroerde de galg feestelijk met zijn staf waarna de schepenen en de halsrechtmeier hetzelfde mochten doen. Ten slotte waren de gewone inwoners aan de beurt die dan geen staf hadden maar alsnog de galg met blote hand aanraakten.

Als afsluiting van de inwijding bevestigde de meestertimmerman een met bloemen versierde berkenstruik aan de galg en sprak een spreuk. Om het ritueel duidelijk in het geheugen van de jongste generatie te prenten wierp de rentmeester geldstukken naar de kinderen en vuurden de schutters ceremonieel hun geweren af…. Zo eindigt de hertelling van Grimm van de notitie uit 1731.

voorbeeld van een Expositiegalg bij het Freilichtmuseum Neuhausen

Wat ik vooral interessant vind aan deze historische anekdote zijn de details waarmee het plattelandsritueel beschreven staat. We krijgen als het ware een venster op een buitengewone gebeurtenis in een achttiende-eeuws dorpje aan de Moezel. Ook bemerkenswaardig is dat het ritueel plaats vindt op de limieten van de heerlijkheid (zie ook deze blogpost), in de liminale ruimte zoals antropologen dat zo mooi noemen. Het ritueel heeft duidelijk een hiërarchisch karakter (de vertegenwoordiger van het klooster gaat vóór de wereldlijke notabelen) maar schijnt vooral ter bevestiging van de autonomie en groepsidentiteit van de gemeenschap te dienen.

Wat ik me ook afvraag; zijn er in de vroegmoderne bronnen uit de Lage Landen ook zulke beschrijvingen van dorpse galginwijdingen bewaard gebleven? Hadden die een soortgelijk karakter of waren die juist wezenlijk anders? Ik ben wel bekend met vroegmoderne plattelandsrituelen die te maken hebben met de oprichting van grensstenen, huwelijken, dijkschouwingen en kapel- of kerkwijdingen maar eigentijdse voorbeelden van galginwijdingen ken ik niet. Mocht iemand een voorbeeld kennen, ik hoor het graag.

Tussen Befana en Benandanti; Italiaanse volkstradities en waar excuses goed voor kunnen zijn


Inleiding

Twee weken geleden bood de Belgische stad Lier publiekelijk excuses aan voor een heksenproces uit 1590. In dat jaar werd de ongelukkige Kathelyne van den Bulcke ter dood gebracht wegens vermeende omgang met de duivel. Op Twitter barstte vervolgens een discussie los over de zin en onzin van dergelijke excuses. Een collega-historicus merkte voorzichtig op dat zolang zulke gebaren bijdragen aan historisch bewustzijn, iedereen erbij wint. Dat zou ook mijn insteek zijn, met de kanttekening dat het belichten van historisch onrecht in de eerste plaats moet dienen om het verleden in zijn context te plaatsen. Ik ben er dus geen voorstander van om historische casussen te gebruiken ter ondersteuning van hedendaagse maatschappelijke kwesties of om moderne moralistische denkbeelden te onderstrepen.


Heksen zonder context

Het nieuwtje over de heksen-excuses deed me aan het heksenmuseum in Oudewater denken dat ik verleden jaar bezocht had. De trouwe lezer zal zich herinneren dat mijn voornaamste bezwaar tegen de opzet van dat museum was dat er geen context werd gegeven aan de vraag waarom de zestiende en zeventiende-eeuwse tijdgenoot in heksen geloofde. In mijn blogartikel probeerde ik vervolgens uit te leggen dat hierbij rationele beweegredenen en algemene psychologische neigingen een rol spelen en het heksengeloof dus echt niet terug te voeren is op de domheid van onze voorouders. Massahysterie, complot-denken en wantrouwen binnen de gemeenschap komen namelijk ook in ons huidige tijdsgewricht veelvuldig voor.

de waag in Oudewater

Befana

Daar komt bij dat her en der in Europa ook nog sporen te vinden zijn van een andere kant van het heksengeloof. Een prachtig voorbeeld hiervan is de Befana, de Italiaanse goedwillende toverheks die op de avond voor driekoningen op een bezemsteel door de luchten vliegt. Deze oude vrouw in gehavende lompen komt deze avond door de schoorsteen de huizen binnen, laat cadeautjes in de sokken van de kinderen achter en sluit zo de kerstperiode af. Het moge duidelijk zijn dat de Befana-traditie wel iets weg heeft van onze Sinterklaastraditie aangezien ook de Befana een dubbelrol speelt als kindervriend en kinderschrik. De Befana ziet er namelijk oud en onooglijk uit (heeft soms een zwartgemaakt gezicht) en straft de ondeugende kinderen door houtskool in hun sokken achter te laten. De Befana is natuurlijk ook ten prooi gevallen aan de commercialisering; rond deze tijd verkoopt men in Italië in alle supermarkten poppen van de Befana en sokken vol snoepgoed.

befana optocht in Urbania

Hoe oud is de Befana traditie?

De Befana-traditie is in de huidige vorm verbonden met de viering van Driekoningen, de Epifania in het Italiaans. Het woord Befana is heel duidelijk van het woord Epifania afgeleid. Een heksenfiguur met de naam Befana wordt voor het eerst in een gedicht uit de vroege zestiende eeuw genoemd maar het is erg waarschijnlijk dat ze al een stuk langer bestond. Elders in Europa was er namelijk ook een heks met de nieuwjaarsviering verbonden; de heks Berchta die in delen van Duitsland en Zwitserland, ook rond de jaarwisseling, huishoudens zegende en kinderen met snoep begunstigde. Elders in Duitsland werd deze heks Frau Holle genoemd, een mythologische figuur uit het volksgeloof waarvan bekend is dat ze in de tiende eeuw al aanbeden werd. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat al deze tradities op enige manier uiteindelijk teruggaan tot de voorchristelijke periode waarin een godin verbonden was aan de nieuwjaarsviering.

illustratie van een Italiaanse Befana

Italiaans volksgeloof

Daarnaast kennen we uit Italië ook een ander voorbeeld van een oude heksentraditie die weinig of niets met de theologie van de kerk te maken lijkt te hebben. In zestiende-eeuwse processtukken uit Friuli (een provincie in het noordoosten van Italië) wordt gesproken over een wijdverspreid geloof in zogenaamde benandanti, tovenaars die op bezemstelen konden vliegen, demonen bevochten en het boerenland vruchtbaar hielden. Saillant detail; de benandanti zouden tijdens hun nachtelijke tochten met venkelroedes de vrouwelijke demonen te lijf zijn gegaan. Uit de getuigenverklaringen wordt echter duidelijk dat de benandanti zelf dachten niks onchristelijks gedaan te hebben. Het bevechten van de demonen deden ze in naam van God en ook het veiligstellen van de oogst en genezen van ziektes rekenden zij onder godsvruchtige bezigheden. Ook interessant; in vroegmoderne processtukken uit het pas gekerstende Oostzeegebied komen we (met iets andere details) het zelfde volksgeloof tegen. Dit betekent waarschijnlijk dat de Italiaanse benandante-traditie erg oud is.


Meer nuance

Het is jammer dat deze kant van het heksengeloof nauwelijks een rol speelt in hoe musea en erfgoedinstellingen omgaan met de heksenprocessen. Vaak blijft de focus beperkt tot het slachtofferschap van degenen die het leven lieten tijdens de heksenvervolgingen. Dat is een gemiste kans, want het heksengeloof biedt een venster op een rijk en complex deel van de vroegmoderne belevingswereld. En om terug te komen op de excuses voor het heksenproces in Lier: ik zou willen voorstellen dat dergelijke symbolische gebaren voortaan gepaard gaan met het presenteren van een genuanceerd beeld van de historische beleving. Een beeld waarin de volkscultuur van destijds geduldig wordt uitgelegd en waarin voldoende aandacht is voor de oorsprong van dergelijke tradities. Zo kunnen bijvoorbeeld ook vergelijkbare volksgebruiken uit landen als Marokko en Turkije worden betrokken, wat mogelijk bijdraagt aan meer intercultureel begrip. En dat zou pas echt winst zijn.