“Nee, de zee is om in te zwemmen”; Dat hoorde ik steevast als klein meisje wanneer ik thuis het West-Brabantse “zee” als verleden tijd van het werkwoord “zeggen” gebruikte. Ook vormen als “ik zijn” (ik ben), “ik aar” (ik had) en “me emme” (we hebben) waren niet welkom.
Terugdekkend weet ik als 38-jarige taalwetenschapper dat deze standaardtaal-is-beter-filosofie niet helemaal consequent door mijn ouders werd gehandhaafd. Want hoe vaak heb ik mijn moeder uit de Zaanstreek niet “zij wast haar” en “ik ben zo groos” (trots) horen zeggen? Het zijn dit soort voorbeelden van mengvormen tussen dialect en Nederlands die me mateloos interesseren. Waar komen ze vandaan? En wat zeggen ze over de geschiedenis van de dialecten én van het Nederlands zelf?
In het nieuwe boek Atlas van het Dialect in Nederland waar ik samen met Kristel Doreleijers, Sterre Leufkens en Marc van Oostendorp aan heb gewerkt, geven we aansprekende en eigentijdse antwoorden op dit soort fascinerende vragen. Met prachtige taalkaarten, veel verwijzingen naar dialect in popcultuur en media en ontzettend veel mooie illustraties. Daar ben ik toch wel een beetje “groos” op!
Het boek verschijnt op 22 september, maar voordat het zover is, kun je mee doen aan de Dialectvragenlijst: een korte wetenschappelijke enquête waarmee we de huidige stand van zaken wat betreft dialect in Nederland peilen. Wat vind je van dialect? Versta je ook oudere dialectsprekers? Hoe noem jij je opa’s en oma’s? Ben je team friet of patat? Vul hem snel in en “agge sjaans et” (West-Brabants: als je geluk hebt) hebt, win je een gratis exemplaar.
Onlangs mocht ik bij de podcast Verhalen van Limburg van Kris Förster en Jody Martens vertellen over het taalkundige bewijs voor een vikingkamp bij Hasselt. Een mooie gelegenheid om het belang van de naamkunde in het zonnetje te zetten én zelf nog eens in één van de meest interessante episodes uit de geschiedenis van de Lage Landen te duiken. Eigenlijk wil ik al geruime tijd iets schrijven over de Vikingen aan de Nederlandse kust: meer precies over het vraagstuk van een mogelijk Deense invloed op de middeleeuws-Hollandse heervaart. Wat dat is, leest u in deze korte blogpost.
Replica van Viking long ship. Creative Commons.
De middeleeuwse heervaart, zeg maar gerust een soort van militaire dienstplicht, werkte als volgt: in de middeleeuwse Lage Landen konden in principe alle edelen en vrijgeboren mannen te wapen worden geroepen om te vechten voor hun landsheer. In het geval van oorlog moest je dan naar de wapenschouw komen met een schild, zwaard of speer. In Holland en West-Friesland bestond van oudsher een ander systeem voor deze middeleeuwse dienstplicht: ieder ambacht of district moest roeiers sturen voor het bemannen van de oorlogsschepen van de graaf, zogeheten riemen voor de heerkoggen.
In totaal leverde dat zo’n 1600 extra manschappen voor een veldtocht op. In de late middeleeuwen werden deze ‘reservisten avant-la-lettre’ steeds minder belangrijk omdat de oorlogvoering meer een zaak voor huursoldaten werd. Toch was in het graafschap Holland de institutie van de heervaart-ter-zee nog een lang leven beschoren, al was het krijgshaftige tintje er wel van af: in de late middeleeuwen veranderden de riemen in een fiscale verdeelsleutel voor de heerlijke belastingen en in de 17de eeuw werden de riemen voornamelijk gebruikt om de onderhoudskosten voor het schoonhouden van de Haagse hofvijver en de singelgracht over de belastingplichtige huishoudens te verdelen.
Maar wat heeft dit met de Vikingen te maken? Hier komt de taalkunde om de hoek kijken; in Zeeland, dat ook bij het graafschap Holland hoorde, bestond in de middeleeuwen namelijk een soortgelijk systeem voor een dienstplicht-ter-zee, maar waar deze feodale legerdienst in Holland een riem of riemtal werdgenoemd, heette die in Zeeland een hevene. Dit Middelnederlandse woord is erg interessant. Het lijkt namelijk ontzettend veel op het Ouddeense woord hafna dat in 13de-eeuws Denemarken ook een hoeveelheid roeiers voor een oorlogsschip aanduidde én gebruikt werd als verdeelsleutel voor de belastingen. Dit kan eigenlijk geen toeval zijn.
Zou het misschien kunnen dat de dienstplicht in heerkoggen uit de vikingtijd stamt en door de Denen bij ons is geïntroduceerd? Voordat het graafschap werd opgericht, maakte Zeeland, Holland en West-Friesland namelijk kort deel uit van een Deens koninkrijkje (ca. 845-885). Het is geen vreemde gedachte dat de Hollandse graven de oude dienstplicht van de vorige heersers hebben voortgezet. Uit historisch onderzoek blijkt trouwens dat de bewoners van de Noordzeekust dikwijls mee hebben gedaan aan de Vikingtochten (IJssennagger 2013).
De theorie dat de heervaart-ter-zee Deense wortels zou hebben, is afkomstig van de bekende geleerde Izaak Hendrik Gosses (1926), maar heeft sindsdien wel weerwoord gekregen van historici zoals Kees Dekker (1971) en Dirk Blok (1979). Zij brachten hier tegenin dat het Zeeuwse woord hevene ook afgeleid kan zijn van het Middelnederlandse werkwoord hevenen ‘belasting heffen’. Ik vind dat tegenargument niet erg overtuigend; het negeert de terminologische parallel tussen het Scandinavisch en het Middelnederlands en het middeleeuwse woord hevenen komt alleen voor in verwijzing naar deze specifiek Zeeuwse belastingplicht (Fruin 1902).
Kortom, het is een kwestie waarover nog niet het laatste woord is gezegd. Misschien dat ik ooit nog eens tijd vind om het verhaal wetenschappelijk dicht te timmeren, want er zit volgens mij wel taalkundig potentieel in het idee van Gosses. Daar komt bij dat de 9de eeuw een tijdvak is waar eigenlijk te weinig mee wordt gedaan in de Nederlandse geschiedschrijving. En zou het niet ontzettend gaaf zijn als er een klein stukje Vikingtaal in de historische administratie van ons kikkerlandje bewaard was gebleven?
Bibliografie
Dekker, C. (1971). Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de middeleeuwen. Assen.
Fruin, R. (1902). “Over eenige oude rechtstermen en andere Middelnederlandsche woorden.” Verspreide geschriften. Deel 6. Studiën over staats- en rechtsgeschiedenis. 385-439.
IJssennagger, N. L. (2013). Between Frankish and Viking: Frisia and Frisians in the Viking Age. Viking and Medieval Scandinavia, 9, 69–98.
Jansen, H.P.H. & Hoppenbrouwers, Peter. (1979). “Heervaart in Holland.” Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 94, 1-26.
Afgelopen zondag (19 april 2026) berichtte de Volkskrant over het voornemen van de Werkgroep Slavernijverleden Hoorn om dit jaar maar liefst tien demonstraties te plannen. Het doel van de demonstraties? Eindelijk voor elkaar krijgen dat het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen verplaatst wordt van het Hoornse marktplein naar het Westfries Museum. Het tegengeluid klinkt ons bekend in de oren: “Het beeld staat er al zo lang.” “Coen hoort bij Hoorn.” “Waarom moet het verleden gecanceld worden?” Maar wie in de archieven duikt, vraagt zich al gauw af waarom er überhaupt een standbeeld op het Hoornse marktplein staat…
Een zeldzaamheid
Tot diep in de 19de eeuw waren standbeelden in Nederland een zeldzaamheid. Toen het Coenbeeld in 1887 werd aangekondigd, schreef de krant Het Vaderland nog nadrukkelijk dat “wij geen vrienden van de standbeeldenmanie zijn.” In Nederland vond men al die Franse, Duitse en Belgische standbeelden van dichters, militairen en staatslieden namelijk maar niks. Waar komt deze afkeer voor de vereeuwiging in brons vandaan? Een deel van het antwoord schuilt mogelijk in het feit dat we in Nederland vanwege ons republikeinse verleden geen vorsten hoefden te vereeuwigen. Er was hier te lande dus ook geen beeldhouwtraditie ontstaan en de meeste Nederlandse standbeelden werden in de 19de eeuw door Belgische, Franse en Duitse beeldhouwers gemaakt. Kortom: de aanwezigheid van standbeelden in de openbare ruimte was toen niet de vanzelfsprekendheid die wij er vandaag in zien.
Het had net zo goed een waterpomp kunnen zijn
Nog veelzeggender is hoe de oprichting van het standbeeld in zijn werk ging. Niet op initiatief van de overheid, maar via een particuliere commissie van vooraanstaande heren die in 1884 tijdens een vergadering van de Vereniging voor Volksvermaken een voorstel van een enthousiaste onderwijzer overnamen. De benodigde 20.000 gulden (omgerekend een paar ton in euro’s) moesten via een landelijke inzameling bij elkaar worden gebracht. De stad Hoorn zelf droeg minder dan een tiende van het bedrag bij.
En een standbeeld? Dat had aanvankelijk niet eens de voorkeur. De commissie overwoog serieus een fontein, een lantaarn of een pomp “in artistieke vorm” met daarop een verwijzing naar Coen. Zelfs de latere secretaris van de commissie had liever een filantropische stichting gezien voor Hoornse werklozen. In de krant werd gepleit voor een Coen-fonds dat jonge mannen naar Indië zou uitzenden. Het monument dat we nu kennen is dus een toevallige uitkomst van een discussie in een kleine club rijke witte mannen en een inzamelingsactie die maar nét het streefbedrag haalde.
In 1893 al omstreden
Het is al voldoende in opiniestukken benadrukt, maar hier nogmaals voor de mensen achter in de zaal: al bij de oprichting van het standbeeld klonk scherpe kritiek op de historische figuur Jan Pieterszoon Coen. Bibliothecaris P.A. Tiele publiceerde in 1886 een bronnenuitgave waaruit bleek dat óók 17de-eeuwers het geweld van Coen buitensporig vonden. Landsarchivaris J.A. van der Chijs schreef datzelfde jaar over het bloedbad van Banda: “Ware voor Coen niet reeds een standbeeld opgerigt, ik betwijfel of zulks nog zoude verrijzen. Aan zijnen naam kleeft bloed.” Het socialistische weekblad Recht voor Allen verspreidde op de dag van de onthulling een overdruk waarin Coen werd afgeschilderd als een bloedhond.
En het publiek? Dat reageerde lauw op de onthulling van het monument in 1893. Journalisten merkten op dat de festiviteiten ter gelegenheid van de onthulling weinig feestelijk waren aangekleed. Geïnterviewden lieten weten vooral teleurgesteld te zijn dat koningin Emma en prinses Wilhelmina niet waren gekomen. De boeren uit omliggende dorpen waren volgens één verslaggever eerder op de harddraverij afgekomen dan op de gouverneur-generaal, die zij toch voornamelijk kenden “van de in de laatste weken in den handel gebrachte Coen-sigaren en Coen-koekjes”. Het is dus niet zo dat de inwoners van Hoorn het standbeeld meteen in hun hart sloten.
Verplaatsing is herstel naar traditie
Wat betekent dit alles voor de discussie in 2026? Vooral het argument dat het standbeeld van Coen op het marktplein in Hoorn thuishoort, deugt niet. Op de centrale markt van Hoorn heeft vóór 1893 namelijk nooit een standbeeld gestaan. Verplaatsing naar het Westfries Museum, waar het beeld op dertig meter afstand van de huidige locatie een museale context krijgt, doet daarom de geschiedenis veel meer eer aan dan je op het eerste gezicht zou denken. Het is namelijk een herstel van de oorspronkelijke historische situatie waarin een centraal stadsplein aan iedereen toebehoort, ongeacht afkomst of politieke overtuiging. En misschien, na 133 jaar in weer en wind, krijgt het beeld in het Westfries Museum eindelijk een plaats die recht doet aan het werk van de kunstenaar, terwijl ook de rol die Coen heeft gespeeld in de Nederlandse en Indonesische geschiedenis niet wordt vergeten. Eind goed al goed, zou ik zeggen.
Dit stuk is een verkorte bewerking van het uitgebreidere stuk van Joey Spijkers, dat eerder verscheen alsgastblog. Wie meer wil weten over de standbeeldcommissie, de locatiekeuze op de Hoornse markt en de 19de-eeuwse mediapolemieken, kan daar terecht.
In 1730 slaat een groep inbrekers een grote slag in het hartje van de ommuurde stad Harderwijk. Het slachtoffer? Burgemeester Oosterbaan. Wat hieraan voorafging, is een fascinerend verhaal waarvan met een beetje fantasie zo een misdaadfilm gemaakt kan worden.
Inbrekersleutel ca. 1700. bron: London Museum
Ons verhaal begint met een loterij in Harderwijk gehouden in 1724. Na de trekking probeerden twee Joodse mannen de prijs van tienduizend gulden op het winnende lot op te eisen: Emanuel van Gelder en de Amsterdammer Efraïm Asser.1
Wat volgde was een lange rechtszaak die begon bij de stadsrechtbank van Amsterdam en eindigde bij het Hof van Holland, de hoogste rechtbank van de Republiek.2 Daar trok Emanuel definitief aan het kortste eind en het deel van de prijs dat zich in Amsterdam bevond werd daarom aan Efraïm toegewezen. De loterij van Harderwijk werd opgedragen ook de rest van het prijzengeld aan de Joodse Amsterdammer uit te keren.
De ruzie
Dit gebeurde niet. Sterker nog, de zaakwaarnemer van Emanuel van Gelder liet via de Harderwijkse rechtbank beslag leggen op het deel van de prijs dat zich in Harderwijk bevond. Daartoe was de rechtbank van Harderwijk niet bevoegd. Een sleutelfiguur in deze ontwikkeling was de directeur van de loterij én burgemeester van de stad Harderwijk, Peter Oosterbaan.
Efraïm was hier zo nijdig over dat hij bij het Hof van Holland diezelfde burgemeester Oosterbaan persoonlijk aansprakelijk stelde voor het uitblijven van de betaling. Daarom werd de burgemeester in 1729 bij een bezoek aan Amsterdam door de schout hoogstpersoonlijk gearresteerd en naar de gevangenis in Den Haag gebracht. Dat was zeer uitzonderlijk. Een Gelderse regent in de Haagse Gevangenpoort.
Uit de Resolutiën van deHeeren Staten van Holland en West-Friesland 1729
De ontbrekende schakel
Het hof van Gelre stuurde daarop een dringend verzoek naar Den Haag om de burgemeester vrij te laten. Hoe de zaak verder afgelopen is, kon ik zo gauw niet vinden. Het lijkt mij waarschijnlijk dat het Amsterdamse deel van het prijzengeld bij Efraïm Asser is gebleven en het Harderwijkse deel bij de zaakwaarnemer van Emanuel van Gelder. Hoe dan ook, de wederzijdse weerzin tussen de Harderwijkse burgemeester en de Amsterdammer zal er niet minder om zijn geworden. Vandaar dat de volgende gebeurtenis, overgeleverd in een compleet ongerelateerd strafdossier uit 1737, me intrigeerde.
De kraak
In het najaar van 1730, een jaar na de vernederende arrestatie in Amsterdam, werd er ingebroken in het huis van burgemeester Oosterbaan aan de Harderwijkse Vismarkt. Een groep gauwdieven met connecties in de Joods-Amsterdamse onderwereld forceerde de deur en stal alles wat los en vast zat, van kleding en gouden knopen tot en met het zilveren servies. De inbraak was een uitzonderlijk goed voorbereide kraak voor een groep gauwdieven die normaliter alleen boerderijen, koetsen en schuiten beroofden. Sommige bendeleden stonden op schildwacht, anderen braken de deur open en weer anderen waren alleen betrokken bij het wegsmokkelen van de buit. Ocean’s Eleven, minus de glamour, in achttiende-eeuws Harderwijk.
De vispoort te Harderwijk, Springer 1862. bron: Rijksmuseum
Theorie
Het lag ook niet voor de hand om een regentenhuis binnen de stadsmuren te beroven. Waarom nam de bende toch het risico? Daarover heb ik de volgende (zeer speculatieve) theorie.
Volgens de bekentenissen van de daders ging het om een groep die geregeld naar Amsterdam reisde om het gestolen goed in de Jodenbreestraat te verkopen. In augustus van 1730, enkele weken voor de kraak in Harderwijk, had dezelfde bende een boerderij bij Meppel overvallen.3 Deze overval was uitgelopen op een roofmoord, maar al met al leverde de roof toch nog een aardige buit op.
Zou het niet kunnen dat de betrokken gauwdieven de buit van de Meppelse roofmoord in Amsterdam verkocht hebben?4 Dat ze in een kroeg de wrokkige koopman Efraïm Asser tegen het lijf liepen die hen had voorgehouden dat in Harderwijk, bij Oosterbaan duizenden guldens aan loterijgeld lagen opgeslagen? Dit alles is niet te bewijzen, maar het zou verklaren waarom de bende toch weer naar Gelderland trok ondanks dat ze daar gezocht werd.
Extract uit de bekentenis van Jan Willemze Krieger over de kraak (1736)
Misdaadverhaal
Zo levert dit archiefmateriaal de grote lijnen voor een misdaadverhaal. Een groep bandieten die denkt de slag van hun leven te slaan en op de achtergrond een vete tussen twee voorname families uit een kwetsbare gemeenschap. Een Gelderse regent die partij kiest in de ruzie met de vernederende arrestatie in Amsterdam tot gevolg. Een respectabele Joodse koopman die zich uit rancune inlaat met het criminele circuit. En tenslotte het hoogtepunt: een spannende nachtelijke kraak in het midden van het ommuurde stadje Harderwijk. Tel daarbij op dat ook vrouwelijke bandieten bij de bende betrokken waren en het zou zo maar een Ocean’s Eleven of Guy Ritchie film kunnen worden.
Conclusie
Zie hier de fantastische kronkels die mijn brein soms maakt. Een therapeutisch gedachte-experiment voor een historisch zijspoor dat veel te wild rondslingert om door mij uitgeplozen te worden. Waarom zie ik deze film niet zo snel gemaakt worden? Historische films met goede acteurs, authentieke kostuums en overtuigende decors zijn duur. Ook moet het voorgestelde lijntje van de Joodse loterijruzie naar de Amsterdamse onderwereld zorgvuldig behandeld worden. Er zijn immers al veel te veel stereotyperingen over Joden in het criminele circuit.
Vooralsnog bestaat de misdaadfilm over de Harderwijkse kraak daarom alleen in mijn hoofd, hoe jammer dat ook is. Maar als een TV-producer dit leest en toch potentie in het verhaal ziet, stuur mij vooral een mailtje. Ik ben graag als historisch-consulent betrokken.
Voetnoten
1. Het lot stond op naam van Emanuel, maar die woonde in Düsseldorf en had het lot bij een zekere Marcus Heyman in beheer gegeven. Marcus had het fysieke lot vervolgens aan zijn zwager gegeven en die zwager was Efraïm Asser.
2. De rechtszaak begon voor de schepenbank van Amsterdam omdat een deel van het prijzengeld daar in bewaring was. De zaak eindigde voor het Hof van Holland omdat het de hoogste rechterlijke instantie van de Republiek en het hoogste hof van beroep was.
3. Over deze roofmoord, ook wel bekend als de Knijper Sluismoord, is in Drentse publicaties meermaals geschreven. Ook in dit blogartikel van mij komt de moord ter sprake.
4. Volgens hun eigen verklaringen hadden ze de buit overigens in Zwolle verkocht.
Wetenschappelijke verantwoording
De rechtbankstukken van het Hof van Holland en de Harderwijkse schepenbank zijn te vinden in de Resolutiën van de Heeren Staten van Holland en West-Friesland van 1729 en het gedrukte stuk Schrijven van de burgemeester en schepenen van Harderwijk aan de staten van Gelre uit 1729. De geraadpleegde archiefstukken bevinden zich in Tiel in het Regionaal Archief Rivierenland, toegang 3185 Gerechtelijk Archief Zaltbommel, inv. nr. 54, inv. nr. 2420.
Zaterdagmiddag 8 februari 1738. Het is winter en bar koud in de Gelderse gevangenis waar Johannes Hendricus Sticksner opgesloten zit. Johannes is 22 jaar oud, kleermaker van opleiding en afkomstig uit Düsseldorf. Nu zit hij al een half jaar in Zaltbommel in hechtenis. Voetstappen klinken op de gang. De gerechtsbode. Een onaangenaam gevoel bekruipt hem. Wat als Jan met de schepenen heeft gepraat, denkt hij. Het zou toch niet. Hij probeert zichzelf moed in te spreken. Wat is het ergste dat kan gebeuren?
Vroegmoderne gevangenisdeur in Haastrecht. bron: RCE
Vergeten stemmen uit het archief
Johannes was een naïeve jongeman van begin twintig die in de marge van de achttiende-eeuwse samenleving leefde. Een vergeten stem in de geschiedenis. Opgegroeid in het Duitse Düsseldorf, raakte hij als tiener op het verkeerde pad. Hij trok van stad naar stad, dwars door de Duitse vorstendommen naar de Republiek. Soms bedelde hij, soms stal hij kleding uit huizen die hij voor een habbekrats verkocht. Wat we over Johannes weten, komt uit processtukken van de rechtbank van Zaltbommel die in Archief Rivierenland te Tiel bewaard worden: een tragisch verhaal over armoede, same-sex desire en naïviteit.
Johannes: een leven op hol
Johannes werd rond het jaar 1715 geboren in Düsseldorf, dat toen deel uitmaakte van het hertogdom Gulik-Berg. Hij groeide op in een huis op de Nieuwe Brug naast een bakkerij waar een klok aan de gevel hing. Zijn vader, Simon Sticksner was metselaar. Zijn moeder, Geertruyd Waels, had een winkeltje in levensmiddelen, een komenijwinckel zoals dat toen heette. Thuis werd Johannes geregeld geslagen. Hij ging op zijn twaalfde aan de slag als kleermakersleerling, maar dat beviel hem slecht. De ene baas betaalde te weinig, de andere brak zijn arm.
Plattegrond Düsseldorf ca. 1730. Illustratie: A.E. Kerkhof
Op zijn zeventiende besloot Johannes de benen te nemen. Een jaar lang werkte hij op de riviervaart naar Amsterdam. Daarna zwierf hij als dagloner door de heuvels van de Brandenburgse vorstendommen Kleef, Meurs en Mark. Op een van zijn zwerftochten kwam hij Katrien Elisabeth tegen. Deze ervaren dievegge besloot de jonge Johannes onder haar hoede te nemen en liet hem op de uitkijk staan, terwijl zij huizen binnensloop en kleding stal. Soms zat het mee en hadden ze geld voor eten, drinken en een slaapplaats. Soms zat het tegen en leden ze honger en kou. Zo leefden zij van dag tot dag.
Kaart Republiek en naburige gewesten. Illustratie: A.E. Kerkhof
De ontmoeting
Johannes’ leven veranderde in 1735 toen hij in het graafschap Kleef de Schiedammer Jan Hartman ontmoette. Katrien was inmiddels van het toneel verdwenen en Johannes was onder de indruk van de ervaren Hollandse gauwdief die jarenlang in een bende had gezeten. Een korte tijd gingen Jan en Johannes samen uit bedelen; gekleed in een zeemansbroek met ontbloot bovenlijf deden ze alsof ze schipbreuk hadden geleden en als medelijdende weldoeners dan kleren aan hen gaven, konden ze die verkopen. Zo trokken ze samen rond en kwamen in de zomer van 1737 in de Bommelerwaard terecht. Daar werden ze aangehouden voor landloperij. De twee jongens werden naar het ‘gevangenhuis’ van Zaltbommel gebracht, een pand dat tegen het raadhuis aanleunde en ijzeren tralies voor de ramen had.
Illustratie: A.E. Kerkhof
Een zware beschuldiging
Toen Johannes op de tweede augustus 1737 door de rechtbank werd ondervraagd, moet hem de schrik om het hart zijn geslagen. De schepenen vroegen hem naar een zeven jaar oude roofmoord, gepleegd op een Drentse boerderij tussen Meppel en Steenwijk. Op 28 september 1730 was daar met veel geweld een boer met zijn huisgezin overvallen waarbij de boerin zwaargewond raakte en de boer overleed. Johannes hoort het met grote ogen aan. Daarna noemden de schepenen een hele reeks andere misdaden; een inbraak bij een burgemeester van Harderwijk, het stelen van wasgoed voor de Catharinapoort te Utrecht, de beroving van een trekschuit bij Groningen. Was hij daar bij geweest? Op elke vraag antwoordde Johannes beduusd nee. Johannes was daar niet bij.
Boerderij de Knijpe in 1905 waar in 1730 de roofmoordplaats vond. Over deze moord is al geregeld gepubliceerd.Bron: Fotoarchief De Wijk-Koekange nr. 10372
Jan Hartman en de bende
Wie daar wel bij was? Jan Hartman. De Schiedammer was de dag ervoor, op 1 augustus, verhoord en had zijn betrokkenheid bij deze misdrijven schoorvoetend toegegeven. Op dat moment waren zijn handlangers al tegen de lamp gelopen. Zijn aandeel in de misdrijven was dus ruimschoots bekend en ontkennen had geen zin meer.
Jan Hartman werd rond 1712 in Schiedam geboren. Zijn vader was soldaat geweest in het Staatse leger, zijn moeder kwam uit het Brabantse Vught, maar beide ouders stierven voor hij vier jaar oud was. Jan groeide op in een weeshuis en sloot zich op twaalfjarige leeftijd aan bij een bende van gauwdieven en rovers, die toen al geruime tijd de Lage Landen onveilig maakte.
De namen van de bendeleden lijken zo uit een Baantjer-roman te komen. Rooie Toon, Jan met de Pleister, Pietje van Montfoort, Barent Snoek, Philips Bartel (domoor). Ook enkele vrouwen maakten deel uit van het beruchte gezelschap. De jonge Jan vond in deze groep lotgenoten zijn draai. Samen was overleven gemakkelijker dan alleen.
Zo reisde het gezelschap van stad naar stad; met valse sleutels en een breekijzer pleegden ze inbraken, met messen en pistolen overvielen ze reizigers, koetsen en schuiten. Op zeventienjarige leeftijd was Jan Hartman een geharde crimineel. Hij kende het klappen van de zweep, had al meerdere keren in rasphuizen gezeten en was bij vele tientallen misdrijven betrokken geweest. Maar als Jan op 1 augustus 1737 voor de schepenen van Zaltbommel zijn verklaring aflegt, is hij eerlijk. Johannes maakte geen deel uit van deze bende.
De Wolfskuil: wat er in de cel gebeurde
Normaliter zou na de verhoren en onderzoeken een spoedig vonnis volgen, maar door onenigheid in de stedelijke magistratuur werden de vonnissen uitgesteld. Zo maakte de nazomer van 1737 plaats voor de koude winter van 1738. Ergens midden januari werd Johannes bij Jan Hartman in de cel gezet, een ruimte die in de processtukken de “Wolfskuil” wordt genoemd. In de weken die volgden, lijkt er iets gebeurd te zijn tussen de twee mannen.
Op 8 februari om vijf uur legde Jan voor de schepenen een verklaring af: Johannes zou hem meerdere keren met zijn geslachtsdeel in de hand benaderd hebben met de straffe woorden: “Ik wil mijn ding in uw gat steken!”. Jan zou geantwoord hebben “dat lust ik niet” en hem gewaarschuwd hebben dat dat “doodzondes” waren. Johannes zou hierop gezegd hebben: “Tut tut, is dat alles?” en hem daarna met geweld tot seks hebben gedwongen.
Een uur later legde Johannes echter een geheel andere verklaring af. Hij zei dat Jan al weken geleden tegen hem had gezegd: “als gij een vrouwmens waart, zou ik u naaien”. Daarna zouden Jan en Johannes tien tot twaalf keer “malkanderen de natuur gemaakt hebben”. In deze eerste bekentenis van zaterdagmiddag en in een tweede bekentenis van zaterdagavond spreekt Johannes in veel details over wat er volgens hem tussen de twee mannen gebeurd is. Het lijkt alsof hij niet goed weet welke gevolgen een dergelijke verklaring kan hebben.
Ondertussen was Jan Hartman in het najaar van 1737 al ter dood veroordeeld en zat Johannes enkel voor landloperij vast. Die ongelijke uitgangspositie roept aanvullende vragen op. Want waarom volgden de bekentenissen precies op 8 februari, vlak voor de terechtstelling van Jan Hartman op 10 februari? Misschien waren ze die middag betrapt en dacht Jan door Johannes te beschuldigen uitstel van zijn terechtstelling te kunnen krijgen? Hoe het ook zij, een nieuw onderzoek betekende in ieder geval nieuwe verhoren.
Diezelfde avond paste Johannes zijn verklaring over het incident aan: hij erkende dat er intieme handelingen hadden plaatsgevonden, maar verkleinde de ernst van het vergrijp; het was maar een aantal keer gebeurd en er was geen penetratieve seks geweest. Deze details waren juridisch belangrijk en het lijkt erop alsof Johannes dan beseft dat zijn leven in de waagschaal lag.
Maar wiens feitenrelaas is geloofwaardiger? De verklaringen van Johannes lezen spontaner en zijn rijk aan concrete details. Jan Hartman schoof de schuld vooral naar Johannes. Hijzelf zou alleen slachtoffer geweest zijn. Maar dat lijkt mij weinig waarschijnlijk; de intimiteiten waren volgens beide verklaringen al twee weken aan de gang. En laten we niet vergeten dat Jan een goede reden had om de waarheid te verdraaien. Zolang hij ondervraagd werd, stond hij niet op het schavot.
Verlangen en risico
De bekentenissen in het strafdossier zijn verrassend openhartig in taalgebruik en details. Johannes benoemde de seksuele handelingen als poedelen (bepotelen) en kiddelen (kietelen). Ook vertelde Johannes dat hij al op zijn negentiende ervaring had opgedaan met een Brandenburgse soldaat. Jan Hartman bekende eveneens een voorgaande ‘ontmoeting’: in het verleden zou hij een seksuele relatie hebben gehad met de bandiet ‘Jan met de pleister’.
Fragment bekentenis Johannes 8 februari 1738. Bron: Archief Rivierenland Tiel
Die bekentenissen sluiten aan op wat andere historische bronnen ons vertellen over homoseksualiteit in de achttiende eeuw. Ondanks de illegaliteit bestond er in die tijd een levendige subcultuur voor mannen die op zoek waren naar dergelijk contact. Deze clandestiene wereld moestzorgvuldig genavigeerd worden: Tussen 1730 en 1739 leefde in delen van de Republiek een hardvochtige vervolgingsdrift en zelfs als dergelijke escapades intiem en wederkerig begonnen, konden ze tragisch aflopen. Binnen dit spanningsveld is het aannemelijk dat voor wie toch al buiten de norm leefde, de drempel lager was om verboden verlangens te volgen.
Doodsangst en vonnis
Op 10 februari 1738 werd Jan Hartman terechtgesteld voor medeplichtigheid bij de roofmoord te Meppel. Hij werd langzaam geradbraakt, in het gezicht geblakerd en daarna onthoofd. Zijn stoffelijke resten werden op het galgenveld buiten de Gamerse poort tentoongesteld. Dat was het einde van de Schiedammer.
Plattegrond Zaltbommel ca. 1735 met locatie galgenveld. Illustratie: A.E. Kerkhof
Johannes kreeg een week later, op 17 februari 1738, zijn eigen aanklacht voorgelezen. Die loog er niet om: hoewel de kruimeldiefstallen van Johannes met geseling, brandmerking of verbanning ‘gecorrigeerd’ konden worden, stond op sodomie onherroepelijk de doodstraf. De strafeis? Johannes zou opgehangen worden. Het juridische bewijs voor de aanklacht leunde zwaar op de beschuldigingen van Jan Hartman. De aanklager achtte de bekentenis van de Schiedammer geloofwaardig omdat die nogmaals bevestigd was op maandag 10 februari, de dag van zijn executie.
Na de aanklacht stelde een pro-deoadvocaat een verweer voor Johannes op dat tien dagen later aan de rechtbank gepresenteerd werd. Tal van verzachtende omstandigheden komen hierin naar voren. Belangrijk was vooral dat Johannes nog nooit eerder veroordeeld was en de sodomie niet uitdrukkelijk bewezen kon worden. Alleen een poging tot sodomie was aannemelijk. Volgens het verweer moest de beklaagde daarom vrijgesproken worden.
De dagen daarna wachtte Johannes op de uitspraak van de rechtbank. Op 3 maart 1738 haalde de gerechtsbode hem opnieuw uit zijn cel en kreeg hij in de rechtszaal van het raadhuis de sententie voorgelezen: hij, Johannes Hendricus Sticksner, zou op de plaats van justitie worden gegeseld en gebrandmerkt, en daarna voor veertig jaar in het tuchthuis van het vorstendom Gelre geïnterneerd. Na het vonnis verliet Johannes de raadzaal en stapte voor de laatste maal de drempel van het raadhuis over, terug naar het gevangenhuis van Zaltbommel.
Ommezwaai bij het Hof
Een paar dagen later werd het vonnis van Johannes ingeleverd bij het hof van Gelre maar dit was nog niet het einde van het verhaal. Meerdere weken gingen voorbij en eind maart zat Johannes nog steeds in de gevangenis. Wat was er nu aan de hand? Het hof van Gelre had bezwaar gemaakt tegen het vonnis. Want wist de rechtbank van Zaltbommel wel zeker dat er sprake was van sodomie en was het wel verstandig zo iemand in een tuchthuis vol met mannen te zetten?
Tuchthuis van Arnhem, 1718, L.M. Berkhuys.Bron: Gelders Archief
Een onderzoekscommissie moest onderzoeken of Johannes niet in een aparte cel kon worden gezet. En hier neemt ons verhaal voor de tweede maal een gelukkige wending. Het Hof constateerde dat internering niet mogelijk was en stelde daarom voor om de sententie van Johannes om te zetten in levenslange verbanning uit het vorstendom Gelre. De Bommelse rechtbank ging akkoord. Op 19 mei 1738 werd de herziene uitspraak aan Johannes voorgelezen. Wat moet hij opgelucht zijn. De littekens op zijn rug zouden verbleken. Het brandmerk kon hij verstoppen. Een tweede kans wachtte op hem.
Slot
Hiermee komen we aan het einde van wat we over de ongelukkige Johannes uit Düsseldorf weten. Het is een verhaal vol verraad en onrechtvaardigheid, waargebeurd en rechtstreeks afkomstig uit het archief van de rechtbank van Zaltbommel. In deze tijden waarin queer-personen zich steeds minder veilig voelen, een sobere herinnering aan een periode in de Nederlandse geschiedenis waarin het leven nog veel moeilijker kon zijn. Maar gelukkig eindigde het leven van Johannes Hendricus Sticksner in het voorjaar van 1738 niet op het schavot van Zaltbommel. Zijn verhouding met een doorgewinterde beroepscrimineel werd hem bijna noodlottig, maar na maanden van opsluiting en een zware lijfstraf mocht hij eindelijk naar huis. Een hoopvol einde voor een tragische geschiedenis.
Wetenschappelijke verantwoording
De geraadpleegde archiefstukken bevinden zich in Tiel in het Regionaal Archief Rivierenland, toegang 3185 Gerechtelijk Archief Zaltbommel, inv. nr. 54, inv. nr. 2420, inv. nr. 2554.
Bibliografie
L.J. Boon (1997). ‘Dien godlosen hoop van menschen’. Vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw. Eds. I. Schöffer, J. Roelevink, J.P. de Valk & A.J. Veenendaal Jr. Amsterdam.
D.J. Noordam (1984). ‘Homoseksuele relaties in Holland in 1776’. Regionaal-Historisch Tijdschrift Holland 1-1984, 3-34.
Noordam, D. J. (1995). Riskante relaties :1233-1733. : vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland, 1233-1733. Verloren.
T. van der Meer (1995). Sodoms zaad in Nederland. Het ontstaan van homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd. Nijmegen.
Soms kom ik in een historische bron een woord tegen waar ik op het eerste gezicht geen raad mee weet. Een woord dat kennelijk naar een alledaagse zaak verwees, maar taalkundig ondoorzichtig blijkt. Zo’n geval is het woord hetauwen, dat opduikt in het huishoudboekje van Hester della Faille, een rijke Antwerpse vrouw die in de jaren 1580 in Leiden woonde. Is het misschien een verschrijving of een vergeten specerij? Nee, het antwoord bleek een stuk alledaagser.
Uit haar boekje van 1585 blijkt dat Hester elke maand voor enkele stuivers hetauwen op de markt kocht. Niet genoeg voor een paar konijnen, een snee zalm of een brasem, maar vergelijkbaar met de prijs van een halve liter melk of een bos radijzen. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt: wat waren dat nou precies, die hetauwen?
In andere zestiende-eeuwse teksten vond ik varianten als hethouwen, etouwen en erfthauwe. Die laatste schrijfwijze bleek de sleutel: het woord bestond kennelijk uit twee delen, erwt (de peulvrucht) en hauwe. Maar waar komt dat mysterieuze hauwe vandaan?
In woordenboeken uit de zestiende en zeventiende eeuw wordt erwethouwe vertaald als pisa in siliquis (Latijn voor ‘erwten in hun peulen’) of l’escosse des pois (Frans voor ‘erwtenpeul’). De betekenis is dus helder: het ging niet om de erwt zelf, maar om de hele peul. Toch is het woord hauwe uit het alledaagse Nederlands verdwenen. Alleen in delen van Vlaanderen, Zeeland, Brabant en een stukje Limburg leeft het nog voort als dialectwoord voor peul of zaadhuls. Ook wordt het oude woord hauwe nog als technische term in de plantenkunde gebruikt.
Over de herkomst van hauwe bestond lang verwarring. Sommige taalkundigen suggereerden een verband met het Engelse awn (‘korenaar’), maar die verklaring houdt geen stand. De meest overtuigende etymologie komt van taalkundige Michiel de Vaan: hauwe betekent van zichzelf ‘omhulsel’ en is verwant aan het Oudnoorse há (‘huid’). In combinatie met erwt levert dat een volkomen logische samenstelling op: erwet-hauwe, oftewel erwtenpeul.
Vandaag zou niemand meer zeggen: “Gooi de erwethouwen even in de pan.” Maar precies zulke vergeten woorden geven ons een bijzonder inkijkje in het verleden. Ze vertellen geen verhalen over veldslagen of koningen, maar over wat gewone mensen op een dinsdagavond in 1585 op tafel zetten. En dat maakt dit soort etymologische onderzoekjes zo intrigerend…en zo smakelijk.
Depiction of rural Dutch court room ca. 1572 by Pieter Tanjé. source: Rijksmuseum
In 2023 YouTuber Abigail Thorn published a thought-provoking video essay on her channel Philosophy Tube, titled “How Police Make Up the Law.” In this essay, she explores philosophical debates on defining law, highlighting its paradoxes and pragmatic consequences—primarily within the framework of modern legal systems. This focus is understandable, especially given the second half of her essay, which examines the often troubling relationship between policing and the law, including police bias against marginalized groups and discriminatory stop-and-search practices.
However, this approach largely overlooks the historical dimension of this philosophical question—particularly the primacy of oral customary law in human societies. From an anthropological perspective, it is also problematic to imply that the foundational principles of legal systems in preliterate civilizations were fundamentally different from those in codified legal systems.
Because are they really that different? Even in societies without written laws, legal norms are considered authoritative and are enforced both externally—through social or physical consequences—and internally, via a deep-seated compulsion to adhere to established rules.
All human societies operate under certain regulations. These may be called laws—legal rules—or, more broadly, customs, in much the same way that etiquette dictates behaviors like not burping at the dinner table or holding the door open for guests. The distinction between law and custom is often more fluid than modern legal frameworks suggest.
A telling anecdote from colonial Morocco illustrates this. In the 19th century, French administrators sought to codify Berber tribal law, intending to drive a wedge between Arab and Berber cultural identities within the French protectorate. When they asked Berber village elders to define their tribe’s laws, they received not only legal rules as we understand them but also a comprehensive recounting of customs—ranging from conflict resolution after homicides to proper etiquette at watering holes. To these Berber legal experts, “law” encompassed the entire framework of how things ought to be done.
This perspective also explains early medieval legal procedures. Plaintiffs would open their cases by appealing to the legal community with phrases such as “What is the law?” or “Tell us the law.” These formulas were not mere requests for legal rulings; they were calls for the reaffirmation of societal order. In essence, they were asking, “Tell us the custom” or “Tell us the proper course of events.” This reflects how early medieval Germanic societies embedded their legal systems within a broader sociocultural framework of peace and order.
This conception of law closely mirrors what we find in early medieval legal texts. To understand this, we must recognize that early medieval societies were complex but predominantly oral cultures, where legal authority rested largely on the spoken word. Within their legal systems, we can distinguish between two forms of authoritative justice:
Underlying Law – the customary and deeply ingrained principles that governed social behavior.
Enacted Law – written decrees issued by authoritative bodies such as kings or ruling councils, which could enforce justice through coercive means that overrode the legal independence of kinship groups.
Modern legal discourse tends to focus on the latter—enacted law—because it aligns with contemporary notions of legal authority. However, in pre-modern societies, customary law was equally, if not more, fundamental to the functioning of justice.
With this in mind, perhaps we should adopt a broader definition of law and justice than the ones discussed by Abigail Thorn. Rather than viewing law solely through the lens of modern codified systems, we might instead define a legal system as the collection of enforceable norms that constitute “the proper way of doing things.” Under this framework, law serves two primary functions:
Defining a person’s right to act in a certain way.
Establishing society’s obligation to allow that person to act accordingly.
By shifting our perspective in this way, we can better appreciate the diversity of legal traditions throughout history and the ways in which law—whether written or unwritten—has always functioned as a mechanism for maintaining order, resolving disputes, and shaping societal norms.
Vandaag bracht Donald Trump het omstreden voorstel naar voren om de ‘Gulf of Mexico‘ voortaan de ‘Gulf of America‘ te noemen. Dit plan dat geworteld lijkt in nationalistische en xenofobe motieven, biedt een interessante aanleiding om stil te staan bij hoe waternamen door de geschiedenis heen veranderen. Vanuit een Nederlands historisch perspectief laat de ontwikkeling van waternamen zien hoe zulke processen meestal natuurlijk verlopen en ingebed zijn in geografische en culturele dynamiek, niet in politieke agenda’s.
Noordzeekust in narratief videospel “The Great Whale Road” (2017)
De veranderende waternamen in Nederland
In Nederland zijn waternamen door de eeuwen heen regelmatig veranderd, vaak door geografische ontwikkelingen, nieuwe functies of modernere naamgevingstrends. Een bekend voorbeeld is de Noordzee, die in de vroege middeleeuwen bekendstond als de Mare Frisicum (Friese Zee). Deze naam benadrukte de strategische en economische betekenis van de Friese kustregio. Pas later werd de huidige naam Noordzee (oorspronkelijk Nordensee in het Middelnederlands en northhef in het Oudfries) gangbaar, een meer geografische aanduiding die het water plaatst ten opzichte van andere wateren zoals de Zuiderzee en de Oostzee.
Ook binnenlands zijn talloze voorbeelden te vinden van verdwenen en veranderde waternamen. De middeleeuwse naamgeving met het element diep mag hier als voorbeeld dienen: dit woord verwees vermoedelijk naar actieve getijdengeulen (cf. Leenders 2018). Het Marsdiep bij Texel is een van de oudste overgeleverde waternamen in Nederland. Dit zeegat werd in de negende eeuw al Maresdeop genoemd.
Een ander interessant voorbeeld is het Konyngesdiep, een middeleeuwse benaming voor de noordelijke rivieren de Kuinder en de Boorne die in een veertiende-eeuwse Nedersaksische wettekst (landrecht van Stellingwerf) wordt genoemd. Deze ‘diep’-naam verwees naar de Karolingische koninklijke waterwegen die dienden als strategische routes voor militaire doeleinden. Dit betekent dat de naam in de veertiende eeuw al ontzettend archaïsch moet zijn geweest! Het verbaast dus niet dat er verder geen sporen van deze oude (hoogmiddeleeuwse) diep-namen teruggevonden zijn.
Andere middeleeuwse namen, zoals het Scoudemarediep (bij het Brouwershavense Gat, 13e eeuw), het Heersdiep (bij Callantsoog, 14e eeuw) en het Keyldiep (bij het Eierlandse Gat, 15e eeuw), zijn ook in de loop der tijd verdwenen door natuurlijke processen zoals verzanding of stormvloeden.
Het tegenovergestelde is ook af en toe voorgekomen. Zo is de naam Hollands Diep relatief jong en werd pas rond 1619 gangbaar. Deze nieuwe naam verving oudere waternamen zoals de Botervliet en Wijvekene na de ingrijpende overstromingen van de zestiende eeuw die de oude vaargeulen drastisch hadden veranderd. Veel van de diep-namen in Noord-Nederland zijn ook van jongere datum. Ze verwijzen vaak naar nieuw gegraven kanalen uit de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw.
Kaart waterlopen bij Hollands Diep ca. 1500, landschapsreconstructie volgens Vos e.a. 2018
Conclusie
In Nederland voltrekken veranderingen in waternamen zich dus meestal geleidelijk en komen voort uit natuurlijke processen (taalkundige verschuivingen even buiten beschouwing gelaten). Uitzonderingen op deze regel kunnen verklaard worden door menselijk ingrijpen en geplande watermanagementprojecten. Zo was de Waddenzee voor 1920 nog gewoon een deel van de Noordzee. Pas na de voltooiing van de afsluitdijk drong de nieuwe naam Waddenzee door in de Nederlandse taal.
En wanneer er nieuwe waterwegen worden aangelegd, zijn er in Nederland weldoordachte richtlijnen voor naamgeving, opgesteld door de Adviescommissie Aardrijkskundige Namen (AAN). Nieuwe namen moeten praktisch zijn, eenvoudig te onthouden en te schrijven, en bij voorkeur historische aanknopingspunten hebben. Nationalistische overwegingen spelen hierbij geen rol. Bovendien laat de geschiedenis van waternamen in Nederland zien dat naamgeving een natuurlijk en historisch proces is, gevormd door de dynamiek van geografie en cultuur. Ik hoop daarom stellig dat het Amerikaanse voorbeeld geen Nederlandse navolging krijgt. Het lijkt mij namelijk erg gênant als Nederland ooit zou besluiten om de Noordzee de ‘Nederlandse Zee‘ te noemen. Dan toch liever de ‘Friese Zee‘…
Standbeelden zijn meer dan alleen decoraties in onze openbare ruimte; ze vertellen verhalen over hoe samenlevingen zichzelf en hun geschiedenis willen zien. Het monument voor Jan Pieterszoon Coen in Hoorn, een van de meest besproken beelden van Nederland, vormt voor historicus Joey Spijkers een perfecte aanleiding om dieper in te gaan op de plaatsing van standbeelden in de negentiende eeuw. Hoe ging dat eigenlijk?
Standbeeld van Jan Pieterszoon Coen te Hoorn (Creative Commons)
Inleiding
Het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn is misschien wel het meest controversiële stukje openbare ruimte van Nederland. In een veranderende maatschappelijke houding tegenover het koloniale verleden en de VOC is dit monument brandpunt geworden van een landelijke discussie. Voor veel inwoners van Hoorn gaat het echter niet om de relatie die wij hebben met de zeventiende eeuw, maar om de vraag hoe we omgaan met de inrichting van de stad, en wie daarop invloed uit mag oefenen. Daarom wil ik hier de ideeën die hebben geleid tot een standbeeld in Hoorn eens kritisch onder de loep nemen. Als we alleen de persoon Coen bediscussiëren, zien we immers de negentiende-eeuwse visie op de openbare ruimte over het hoofd en juist die is in het hele land nog springlevend.
Want hoewel onze liefde voor koloniale houwdegens is bekoeld, zien we een standbeeld nog altijd als de manier bij uitstek om verdienstelijke figuren te eren — als we de juiste figuren maar kunnen aanwijzen. Anderhalf jaar geleden schreef NRC-columniste Rosanne Hertzberger dat het Rotterdamse monument Moments Contained een belediging zou zijn voor echte helden omdat het een persoon voorstelt die ‘niets bijzonders gepresteerd heeft.’ Aan de andere kant van het politieke spectrum poogt de Partij van de Arbeid in Den Haag al jaren een beeld van Aletta Jacobs te realiseren. Voorlopig lijkt dat project te zijn vastgelopen in de vraag of het feministisch icoon niet te racistisch was om een monument te verdienen.
In beide gevallen spitst het debat zich toe op de verdiensten van de afgebeelde figuur. maar zowel conservatieve als progressieve stemmen gaan daarbij uit van dezelfde vooronderstelling: dat de openbare ruimte vanzelfsprekend toebehoort aan ‘grote mensen’ die in brons worden vereeuwigd.
Statuomanie
Dat is niet altijd zo geweest. Onze fascinatie met standbeelden is het resultaat van een proces dat Jan Bank de ‘monumentalisering van een nationaal verleden’ heeft genoemd.1 Tot diep in de negentiende eeuw waren er in Nederland bijna geen standbeelden in de openbare ruimte te vinden. Erasmus in Rotterdam was zelfs een eeuw lang de enige. Nederlanders keken dan ook neer op de grote hoeveelheid beelden die in het buitenland werden opgericht. Zelfs toen er wel een paar verrezen, moest duidelijk zijn dat het hier toch vooral niet om frivole Franse praktijken ging. “[ook al] zijn wij geen vrienden van de standbeeldenmanie, zooals elders om zich grijpt,” schreef een krant toen het Coen-beeld werd aangekondigd, “wij gaan van harte mede, als gevraagd wordt de herinnering der groote mannen van onzen gouden voortijd in het brons te vereeuwigen.”
Een geheel bevredigende verklaring voor het ontbreken van een statuomanie of denkmalswut blijft uit. Tijdgenoten hadden grofweg drie interpretaties:2 1) het klimaat in Nederland zou te guur zijn, waardoor een beeld veel onderhoud vergde. Bovendien getuigde het van weinig eerbied om een held ‘nacht en dag in wind en weêr te laten staan’. 2) Strenge calvinistische predikanten verzetten zich tot in de negentiende eeuw nog tegen elk risico op ‘beeldendienst’. 3) Nederland had tijdens de Republiek geen vorsten die zichzelf in monumenten lieten vereeuwigen. Daardoor ontbraken de traditie en het vakmanschap. Sommigen waren er stiekem wel een beetje trots op dat deze aristocratische kunstvorm hier nooit wortel had kunnen schieten.
Vanwege de povere beeldhouwkundige traditie zijn veel van onze monumenten niet door landgenoten ontworpen. Het leeuwendeel van de standbeelden tot 1860 – zoals die van het Rembrandtplein en Vondelpark – was van de hand van de Vlaming Louis Royer. Daarna namen de Duitse broers Stracké het stokje over. De sculptuur van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn was een van de weinige die door een Nederlandse beeldhouwer waren ontworpen. Deze Ferdinand Leenhoff, die van zijn zevende tot zijn zevenenveertigste in Frankrijk had geleefd, had eerder zijn sporen verdiend met het beeld van Thorbecke. Nederland was dus bepaald geen standbeeldenland.
Aandenken
De lange weg naar een standbeeld voor Jan Pieterszoon Coen begon in 1884 tijdens een vergadering van de Hoornse Vereniging voor Volksvermaken. Dat was een club van vooraanstaande heren die met muziekuitvoeringen en wedstrijden in paardensport, schutterij of turnen zedelijke uitjes wilde bieden voor alle lagen van de samenleving. Een onderwijzer stelde voor om op de 300-jarige geboortedag van Coen ‘een blijvend aandenken’ te plaatsen voor deze wakkere held. Een van de toehoorders was zo enthousiast, dat hij meteen advertentieruimte in de krant kocht om te pleiten voor een standbeeld. Alle mogelijkheden stonden nog open: een krant hoopte dat Hoorn de zetel zou worden van een nationale Coen-stichting die jonge mannen zou helpen om in Nederlands Indië werk te vinden. Enkele jaren later pleitte ene D.S. uit Beemster voor een inrichting voor Hoornse werklozen met een buste en plaquette in plaats van een monument. Zelfs de latere secretaris van de standbeeldcommissie had aanvankelijk liever een filantropische stichting gezien.
In 1886 belegde een tijdelijke commissie, voorgezeten door de burgemeester, baron Van Dedem, eindelijke een openbare vergadering. De plannen waren bescheidener: omdat er een decennium eerder in Batavia al een beeld van Coen was opgericht, ging de commissie ervan uit dat er landelijk geen animo zou zijn om mee te betalen. Een monument zoals dat in Indië (ca. f 20.000), achtte zij daarom niet haalbaar. Er waren wel alternatieven voorhanden: voor f 5.000 à 6.000 zou een kleiner beeld opgericht kunnen worden, of voor f 3.000 à 4.000 een fontein, een lantaarn, een pomp ‘in artistieke vorm’, met daarop een verwijzing naar Coen. Een ijverig lid van de vergadering was niet onder de indruk van deze lage gedenktekens en bracht een ontwerptekening tevoorschijn die hij had gemaakt voor een vijftien meter hoge zuil.
Blijkbaar zat niemand in Hoorn te wachten op een artistieke pomp of een pilaar en de commissie moest terug naar de tekentafel. Zij besloot om een aantal prominente landgenoten in Amsterdam uit te nodigen om alsnog een nationaal project van het standbeeld te maken. Het aldaar verkozen uitvoerend comité bestond uit drie leden uit Hoorn en drie Haagse politici. Uiteindelijk was er zo veel tijd verstreken, dat de vergadering pas aan de vooravond van het Coenfeest in 1887 plaatsvond en het jubileum en het monument gesplitst moesten worden.
Een nationale inzameling
Met de Coen-commissie en de nationalisering van het project hebben we meteen een pikant punt. Uit onderzoek blijkt dat monument tegenwoordig fungeert als brandpunt in een bredere schuring tussen traditionele ‘Horinezen’ en import-‘Horenaars’ met hun Randstedelijke normen en wensen. Maar hoe ‘Horinees’ is dit standbeeld nu werkelijk?
Standbeelden waren in de negentiende eeuw nog geen overheidsaangelegenheden, maar een taak van het maatschappelijk middenveld. Organisatoren moesten zelf bij rijke particulieren geld inzamelen. Daarom stuurde het voorlopige Coen-comité in maart 1887 een uitnodiging aan een honderdtal prominenten door geheel het land, grotendeels burgemeesters, parlementariërs, Statenleden en directeuren. De uiteindelijke commissie kwam uit op 136 leden.3 Ik heb de woonplaatsen van de leden aangegeven op een kaart. Hoorn zelf was met negen leden relatief oververtegenwoordigd, maar het is duidelijk dat het zwaartepunt in Den Haag (20 leden) en Amsterdam (18 leden) lag. Vergaderingen vonden dan ook plaats in Amsterdam of Haarlem. Onder deze hoofdcommissie werden per provincie of stad kleine comités gevormd om geld in te zamelen.
Woonplaatsen van de leden van de hoofdcommissie voor de oprichting van het standbeeld in 1887. (Eigen werk)
Volgens de socialisten was het aantrekken van hoge functionarissen zoals een commissaris van de koning een truc om lagere ambtenaren te dwingen om ook aan het project te doneren. Niemand wil immers bij zijn werkgever te boek staan als een man die te krenterig is om de vaderlandse helden te eren. Van de andere kant werd er geklaagd dat veel commissieleden wel zelf geld inlegden, maar vervolgens weinig moeite deden om donaties te werven. Meer dan een derde van de opbrengst in Gelderland kwam van de leden van de provinciale commissie zelf.
De commissie schatte het kostenplaatje voor een groot standbeeld op f 20.000, omgerekend naar moderne munt een bedrag in de honderdduizenden. Daarvan bracht Hoorn zelf f 1.750 bij elkaar, dus minder dan een tiende. Van de Coen-commissie heb ik helaas geen archieven kunnen vinden. Krantenberichten vermelden slechts sporadisch een overdracht van een lokale kas aan het hoofdbestuur: gewoonlijk enkele tientjes uit gemeenten in Noord-Holland, f 125,82 uit Enkhuizen, f 315,20 uit Haarlem, f 879,37 uit Gelderland, f 940,30 uit Amsterdam. Bij elkaar komt dat alles bij lange na niet uit op de benodigde twintig mille. Het lijkt mij waarschijnlijk dat Den Haag verantwoordelijk was voor het grootste deel van het onbekende geld. Niet alleen zetelde daar het grootste aantal commissieleden, maar de stad was ook de woonplaats van het werkend en gepensioneerd koloniaal apparaat, dat zich persoonlijk verplicht gevoeld zal hebben aan Jan Pieterszoon Coen. Dat de huidige discussies een recente inmenging van buiten in een Hoornse aangelegenheid zou zijn, is dus een verdraaiing van de kwestie: het was vanaf 1887 een landelijke zaak.
De inzameling duurde jaren. Een gelijktijdig Amsterdams initiatief om een gedenkteken voor vaderlandse zeehelden op te richten, hief zichzelf in 1888 maar op ‘aangezien gebleken is, hoe weinig sympathie het plan voor Koen een standbeeld op te richten, heeft mogen ondervinden’.4 Maar toch: vier jaar na aanvang was het geld voor een standbeeld eindelijk bij elkaar. Erg ruim bij kas zat de organisatie niet, want de secretaris deed nog een vruchteloze poging om de gemeente voor de fundering op te laten draaien.5
Plaatsing
Een briefschrijver in een landelijke krant vond dat als de commissie het standbeeld in het stille Hoorn wilde verbergen, de stad dan zelf maar voor de kosten op moest draaien. Liever zag hij dat Coen, als nationale held, op een plein van Amsterdam zou worden neergezet. Ook het Algemeen Handelsblad verzuchtte nog enkele dagen voor de onthulling dat het voor de gebouwen van de VOC in Amsterdam meer mensen had kunnen inspireren. Organisatoren in Hoorn maakten handig gebruik van deze twijfel: om te bewijzen dat zij een standbeeld waardig waren, moesten de inwoners het feest van 1887 vooral enthousiast vieren en daarna gul geven aan de inzamelingsactie. Serieuze twijfel over Hoorn als standplaats voor het beeld is er niet geweest, al was het maar omdat de burgemeester voorzitter van de commissie was.
Vervolgens was er ook nog de kwestie van plaatsing in de stad. Het was nog geen uitgemaakte zaak dat standbeelden op de grote pleinen thuishoorden. In de achttiende en vroege negentiende eeuw was de gedachte zelfs dat een monument eerder tot bezinning uit zou nodigen in de natuur dan midden in het rumoer van het dagelijks leven en in de lucht van openbare urinoirs.
De gemeenteraad nam pas enkele maanden voor de onthulling een besluit over de locatie in Hoorn. Uit de besproken opties komen de uiteenlopende filosofieën over de functie van een standbeeld naar voren. De commissie had haar oog laten vallen op de Roode Steen, de centrale markt van Hoorn. Burgemeester Zimmerman (Van Dedems minder enthousiaste opvolger) en de wethouders hadden bezwaar tegen deze plek: zij vonden het beeld te groot voor het oude plein en stelden een nieuw plantsoen tegenover het station voor, ‘alwaar een terrein van zoodanige afmetingen gelegen is, dat het beeld terecht eene verfraaiing onzer stad zal mogen worden genoemd.’ Een enkel raadslid stemde volmondig in met het argument dat het stationsplein de mooiste plaats van de stad was. De gemeenteraad verwierp het voorstel met een grote meerderheid. Het station viel immers buiten de oude stadswallen en dat gold voor sommigen nog altijd als ‘buiten de gemeente’.
Dan kwam men toch weer uit bij de Roode Steen. De beeldhouwer, Leenhoff, had Hoorn bezocht voordat hij aan zijn arbeid begon en had een voorkeur voor deze locatie vanwege het historisch decor. Dr. Aghina, lid van de standbeeldcommissie, vertolkte zijn stem in de gemeenteraad:
“Velen schijnen een standbeeld gelijk te stellen met een monument, een fontein, of zoo iets. Die moeten zooveel mogelijk gezien worden, omdat ze dienen ter verfraaiing, maar het beeld van een individu moet op zijn best, moet onder de gunstigste omstandigheden gezien worden. Men plaatst een beeld niet midden in een zaal, er moet een achtergrond zijn.”6
Aghina stelde daarom voor om het beeld aan de noordzijde van het plein te plaatsen. De sculptuur zou bovendien over het plein naar het zuiden moeten uitkijken om mooi in het zonlicht te staan.7
Hoewel de grote meerderheid van de gemeenteraad het monument inderdaad op de Roode Steen wilde plaatsen, vond dit voorstel voor de exacte locatie weinig bijval. Gevreesd werd dat het zo niet van alle kanten zichtbaar zou zijn. Daarbij zou een oxiderend bronzen beeld wegvallen tegen de bomenrij op de achtergrond. De plek waar reeds een lantaarn stond, iets ten zuiden van het midden, op het hoogste punt van het iets opbollende plein, kreeg uiteindelijk de eer. De raad wilde de richting dan nog wel overlaten aan de commissie, maar in de praktijk bleef er niet veel keus over: naar het noorden gedraaid zou de figuur tenminste twee grote winkelstraten inkijken, direct in het zuiden lag alleen een onaanzienlijke steeg.
We kunnen dus drie zienswijzen tegenover het standbeeld zien: voor burgemeester en wethouders was het in de eerste plaats een verfraaiing, die als visitekaartje thuishoorde op een ruime, groene plek in de nieuwe uitleg, maar vooral niet dominant moest zijn. De beeldhouwer en commissielid Aghina dachten vanuit esthetische overwegingen en vonden dat de sculptuur in een omgeving geïntegreerd moest worden om als kunstwerk optimaal uit de verf te komen. Een derde visie hechtte belang aan zichtbaarheid boven alles, zelfs als dat betekende dat de figuur moederziel alleen met de zon in de rug moest staan, precies zoals de kunstenaar het nadrukkelijk niet had gewild. De uiteindelijke beslissing viel in het voordeel van de laatste.
Eendracht
Over het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen wordt tegenwoordig vaak geschreven – vorig jaar in het wetenschapskatern van de Volkskrant bijvoorbeeld – dat het beeld al vanaf de oprichting bekritiseerd werd. Die afkeur moeten we echter wel in context plaatsen: geheel onomstreden was geen enkel standbeeld in de negentiende eeuw. Tegen de beelden van Rembrandt en Vondel werden hele traktaatjes gewijd, en het monument voor de politicus Thorbecke lag zo gevoelig in de Haagse gemeenteraad dat de commissie het uit wanhoop maar in Amsterdam neerzette. We moeten de anderhalve pagina’s in Recht voor Allen en de Amsterdammer tegen Coen ook niet groter maken dan zij waren. Het grote verschil was dat de reactie voor het eerst eens niet uit de conservatieve hoek kwam.
Spotprent op het beeld en de zich voortslepende oorlog tegen Atjeh. Aan de voet ministers van koloniën Van Dedem en Fransen van de Putte. (De Amsterdammer, 28 mei 1893)
Over het beeld van Jan Pieterszoon Coen bestond juist grote eensgezindheid. Dat uitte zich al in de samenstelling van de uitvoerende commissie: de voorzitter, Willem Karel van Dedem, werd in 1891 benoemd tot Minister van Koloniën in het liberale kabinet-Van Tienhoven. Ook zijn voorganger als minister, de antirevolutionaire premier Æneas Mackay, trad in een later stadium toe tot het uitvoerend comité. De grote profeet van het Coenbeeld, Herman Schaepman, was in de Tweede Kamer de belangrijkste vertegenwoordiger van de katholieken. In de hoofdcommissie vinden we het halve Binnenhof. Voor tijdgenoten was het juist een oncontroversieel standbeeld: het merkwaardige van het Coenfeest, vond een verslaggever, was dat hij hier in tijden van politieke versnippering een ideaal van staatkundige verbroedering zag oprijzen.
Dat betekende evenwel niet dat men Jan Pieterszoon Coen zelf voor een heilige aanzag, want de historische kritiek had wel degelijk uitwerking. Tevoren werd hij vooral geassocieerd met de stichting van Batavia, maar sindsdien zou het bloedbad van de Banda-eilanden niet meer weg te denken zijn uit zijn verhaal. Iedere voorstander moest zich daarom verhouden tot Coens gewelddadig optreden. De meesten zagen het bloedvergieten als een noodzakelijk kwaad om het (in eigen ogen) weldadig koloniaal bewind van de negentiende eeuw mogelijk te maken. Juist omdat de zeventiende-eeuwse ideeënwereld zo ver van de negentiende eeuw af stond, kon iedereen die niet principieel tegen het kolonialisme gekant was zijn eigen invulling geven aan Coens betekenis voor de eigen tijd: een pleidooi voor tucht en zelfvertrouwen (‘maar boven alles tucht’), een oproep om de oorlog tegen Atjeh te intensiveren, of een inspiratie voor christelijke ethische politiek.
Onthulling en ontgoocheling
De kritische geschriften slaagden er niet in de plannen voor het standbeeld te keren, maar het viel wel op dat het enthousiasme voor de inzameling tegenviel. Ook de onthulling laat geen eenzijdig positief beeld zien. Het gemeentebestuur van Hoorn was in ieder geval van plan om de gelegenheid aan te grijpen om de stad eens in het zonnetje te zetten voor alle hooggeplaatste gasten, waaronder vier ministers. Voor de feestelijke onthulling van het standbeeld trok de gemeente wel f 2389,80 uit; ruim meer dus dan de collecte voor het beeld zelf had opgebracht in Hoorn. De grootste kostenposten daarin bestonden uit de tribune, het dejeuner voor de eregasten en subsidies voor het vuurwerk en de harddraverij.8
Anne Petterson beschrijft in haar proefschrift hoe ‘gewone’ Amsterdammers omgingen met de monumenten in hun stad. Daaruit blijkt dat ze vaak weinig benul hadden van de afgebeelde en vooral naar de onthulling toestroomden om aapjes te kijken.9 Precies dat komen we ook tegen in de verslaggeving rond Hoorn in 1893.
Het viel een journalist op dat de woningen in Hoorn op de dag voor de onthulling amper versierd waren. Bij navraag bleek dat het enthousiasme was getemperd sinds de koningin haar afwezigheid had aangekondigd. “Waren de Koninginnen gekomen, mijnheer”, aldus geïnterviewden, “dan zoudt u eens wat gezien hebben!” Uit verbolgenheid over het uitblijven van de vorstin had een Hoornse vader zijn dochter zelfs verboden om uit dansen te gaan bij het feest. Voor een groot deel van de bevolking telde het vorstelijk bezoek dus zwaarder dan het standbeeld. De boeren die uit omliggende dorpen naar Hoorn waren getrokken zou het eerder te doen zijn geweest om de harddraverij dan om het standbeeld van de gouverneur-generaal, ‘dien zij eigenlijk slechts kennen van hooren zeggen of van de in de laatste weken in den handel gebrachte Coen-sigaren en Coen-koekjes’.
Spotprent op de hoogdravende toespraak van Schaepman bij de onthulling. Links Charles Boissevain, Nederlands populairste columnist, rechts Van Dedem. (De Amsterdammer, 4 juni 1893)
Journalistiek Nederland was op zijn beurt niet onder de indruk van het kunstwerk zelf. De verslaggever van Het Vaderlandwas aanvankelijk positief over het opgerichte standbeeld, maar moest bij vers daglicht terugkomen op zijn oordeel. Zowel hij als zijn collega van de Nieuwe Rotterdamsche Courant vonden dat de pose deed denken aan een Franse opera. De recensie van John Eric Banck (de eigenaar van Schiermonnikoog), was vernietigend: “De commissie […] heeft van groote lichtzinnigheid of geringe kunstkennis blijk gegeven, want de gebreken, die het beeld ontsieren, moeten reeds in het model zijn aanwezig geweest.” Gelukkig kon het voetstuk er nog mee door. Negentiende-eeuwers koesterden al met al geen onvoorwaardelijke liefde voor het beeld van Jan Pieterszoon Coen.
Is historische educatie een taak voor straatmeubilair?
Vandaag de dag spreken we met een vanzelfsprekendheid over beelden in de openbare ruimte. In 1893 was deze vanzelfsprekendheid er nog niet. Het had weinig gescheeld of Hoorn had een waterpomp in artistieke vorm in plaats van Nederlands controversieelste standbeeld gehad. Het oprichten van een monument had nogal wat voeten in de aarde. Er was een landelijke campagne nodig om de benodigde fondsen te werven. Dat had twee belangrijke gevolgen voor de historische representatie: het wie en het waar.
De leraar die voor het eerst opperde om Jan Pieterszoon Coen te herdenken, wees op enkele bestaande herdenkingsstenen in Hoornse gevels: het middeleeuwse filantropenechtpaar ‘Truydeman en zijn wijf’, de zeeslag met graaf Bossu en Lambert Meliszoon, die met zijn moeder op een slee voor de Spanjaarden vluchtte. Lokale volksfiguren konden zich, met andere woorden, meten met de grote namen. Maar f 20.000 was niet bij elkaar te krijgen voor een Truydeman, laat staan voor zijn wijf. In de wereld van een gemonumentaliseerd verleden zouden kunstenaars, staatsmannen en krijgslieden – personen die ‘genationaliseerd’ konden worden10 – een streepje voor hebben.
Het tweede gevolg was dan dat alleen plaatsen die zich zulke figuren konden toe-eigenen mee konden doen aan de standbeeldenkoorts. Met enkele uitzondering was het openbare beeld in Nederland een Hollands fenomeen. In ‘s-Hertogenbosch gingen in deze tijd enkele stemmen op om een monument op te richten voor de stichter van de stad, hertog Godfried van Brabant. Een inzameling voor een figuur met slechts regionale betekenis zou echter volkomen kansloos geweest zijn zolang er Amsterdams en Haags geld nodig was. Bovendien had zelfs Hoorn had nog te kampen met criticasters die Jan Pieterszoon Coen liever in de hoofdstad zagen verrijzen.
Tenslotte mogen we ons afvragen wat het voor de openbare ruimte in 2025 betekent als we de vanzelfsprekendheid laten varen. Standbeelden waren in Nederland ongebruikelijk en tot op zekere hoogte werden zij als vreemd werden beschouwd. Het Hoornse standbeeld is, in relatieve zin, vrij nieuw. De Roode Steen heeft er sinds Jan Pieterszoon Coen hem voor het laatste zag tweemaal zo lang zonder als met monument bij gelegen. Een verwijdering zou daarom niet alleen gezien kunnen worden als een aanpassing aan nieuwe normen en waarden, maar ook als een restauratie naar een traditionele, typisch Nederlands situatie waarin de centrale ruimte in de stad gelijk toebehoort aan iedereen. En misschien zou het beeld in het Westfries Museum na meer dan eeuw eindelijk de lichtval kunnen krijgen die de beeldhouwer voor ogen had.
Burgemeester Zimmerman vond het standbeeld te groot voor de Roode Steen. Wat hij zou hebben gedacht van de kerstboom die er tijdens een van mijn bezoeken naast stond, kunnen we alleen raden. (Eigen werk)
Voetnoten
(1) Jan Bank, Roemrijk vaderland. Cultureel nationalisme in Nederland in de negentiende eeuw (Den Haag 1990) 11. (2) Jochen Becker, ‘”Justus ex fide vivit”. Over het Vondelbeeld (Amsterdam 1867)’, Nederlands kunsthistorisch jaarboek 34 (1983) 132-194, aldaar 132-133. (3) Westfries Archief, 0349 Gemeentebestuur Hoorn, inv. nr. 18201. (4) Stadsarchief Amsterdam, 57 Archief van de Commissie tot Oprichting van een Nationaal Gedenkteken Gewijd aan de Grote Daden der Vroegere Nederlandse Zeehelden, inv. nr. 1 (vergadering 30 mei 1888). (5) Westfries Archief, 0349 Gemeentebestuur Hoorn, inv. nr. 223 Notulen van de vergaderingen van burgemeester en wethouders, 1892, p.173. (6) West-Friesland, Nieuwe Hoornsche Courant, 3-12-1892, geeft een subtiel andere transcriptie van de zitting: “Overigens vergelijke men een standbeeld niet met een pomp of dergelijk ornament dat slechts ter versiering dient; maar men moet een beeld meer als individu beschouwen en het zoo plaatsen, dat het zoo voordeelig mogelijk uitkomt. Zoo goed als men een beeld niet midden in een zaal plaatst, maar een achtergrond geeft, moet ook een standbeeld een achtergrond hebben.”. In de officiële notulen in het gemeentearchief (inv. nr. 55) is deze toespraak niet opgenomen. (7) Het voorstel van de Coen-commissie wordt niet helemaal duidelijk in dit verslag van de gemeenteraad, maar het lijkt me redelijk om aan te nemen dat dat hetzelfde is als hetgeen Aghina in 1891 meedeelde aan Volksvermaken: West-Friesland, Nieuwe Hoornsche Courant, 2-12-1891. (8) Westfries Archief, 0349 Gemeentebestuur Hoorn, inv. nr. 18202. (9) Anne Petterson, Eigenwijs vaderland. Populair nationalisme in negentiende-eeuws Amsterdam (Proefschrijft Universiteit Leiden 2017) 43-54. (10) Bank, Roemrijk vaderland, 17-22.
Tijdens onze huwelijksreis belandden mijn vrouw en ik onverwachts in Kalpitiya, een klein stadje aan de noordwestkust van Sri Lanka. Dit rustige vissersplaatsje, dat tegenwoordi[g vooral bekendstaat als kitesurfbestemming, herbergt een vergeten stukje Nederlandse geschiedenis. Vandaar dat het in vroegere tijden ook een Nederlandse naam had: Kalpentijn.
detail uit kaart 1720 van Zuid-India met de naam Kalpentijn gemarkeerd (Rijkstudio)
Het Nederlandse Fort
Kalpentijn was in 1667 een strategische locatie voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Op de plek van een inheems dorp aan de noordelijke punt van het gelijknamige schiereiland stichtten de Nederlanders een fort om hun handelsroutes en belangen op de westelijke helft van het eiland Ceylon (het huidige Sri Lanka) te beschermen. Dit fort, dat vandaag de dag nog steeds overeind staat, is een stille getuige van de koloniale ambities van de Nederlandse Republiek. Het duidelijkste spoor van de Nederlandse stichters is te vinden in het poortgebouw van het fort; gele ijsselstenen (meegebracht als ballast voor de Indiëvaarders) omlijsten de toegang tot de binnenplaats en op het timpaan prijkt het logo van de VOC, met daaronder een klapperboom geflankeerd door twee olifanten.
detail uit kaart Ceylon 1753, Nationaal Archief 4.MIKO inv.nr. W42poortgebouw van fort Kalpentijnmet gele ijsselstenen (Creative Commons. auteur: A.E. Kerkhof)
De oorspronkelijke Tamil-naam van de plaats, Kaṟpiṭṭi (de vorm Kalpiṭiya is Sinhalees), werd door de Nederlanders aangepast naar Kalpentijn, ook wel met een /c/ als Calpentijn gespeld. Deze naam is waarschijnlijk beïnvloed door de Tamil-plaatsnaam met possessief suffix, Kaṟpiṭṭin (behorend bijKalpitiya). Om de overgang naar de retroflexe /ʈ/ gemakkelijker te maken, voegden de Nederlanders een intrusieve /n/ voor de dentale medeklinker toe. Maar in de Nederlandse bronnen uit de zeventiende en achttiende eeuw wordt ook de spelling Calpettij gevonden, een schrijfwijze die dichter bij het Tamil-toponiem staat.
Brief van 1780 uit databank Brieven als Buit
Deze vorm van de Sri Lankaanse plaatsnaam werd ook gebruikt door Isabella van Woensel in een brief die ze in 1780 vanuit Den Haag aan haar zoon Elias Paravicini de Capelli schreef, een man die de commandant van het fort Calpettij en Puttalam was. Isabella zond deze brief naar Ceylon aan het einde van haar leven (op 82-jarige leeftijd) om haar zoon adieu te bidden en hem aan te sporen goed voor zijn zusters te zorgen. Het document, dat uiteindelijk in een Engels archief belandde, vormt samen met de gele IJsselstenen van het VOC-fort een van de weinige tastbare herinneringen aan de Nederlandse connecties met het verre schiereiland.
afbeelding uit Sri Lankaans kinderboekje over de Nederlandse overheersing van Sri Lanka
In 1795, in het kielzog van de Bataafse Revolutie, verloor de Republiek zijn greep op Ceylon. Ceylon en ook Kalpitiya kwamen zo onder Engelse controle. De nieuwe overheersers namen bezit van het fort en de nabijgelegen nederzetting en noemden het plaatsje voortaan Calpentin of Calpentine. Langzaam maar zeker raakte het Nederlandse verleden in de vergetelheid.
Het Fort Vandaag de Dag
Tegenwoordig, 77 jaar nadat ook de Engelsen het eiland hebben verlaten, wordt het fort in Kalpitiya bemand door de Sri Lankaanse marine. Toeristen kunnen het monument bezichtigen door hun paspoort te tonen en worden dan onder begeleiding van een gewapende marinier langs de bastions geleid.
Daar moet wel bij gezegd worden dat het gebouw er tegenwoordig gehavend bij ligt. Ook al zijn de muren van het bouwwerk intact, er liggen walvisbotten in de stoffige binnenplaats en de skeletten van verlaten barakken herinneren aan een grimmiger verleden; ze zijn namelijk door de marine gebruikt tijdens de Sri Lankaanse burgeroorlog (1983-2009). Onze gids bood aan ook het ondergrondse gangenstelsel voor ons te openen, maar de onwelriekende geur die eruit opstak, deed ons vriendelijk bedanken.
In de afgelopen vijf jaar heeft de Sri Lankaanse overheid geprobeerd Kalpitiya te ontwikkelen tot een toeristische hotspot met hotels, golfbanen en recreatiemogelijkheden. Door de Covid-19-pandemie kwamen deze plannen echter stil te liggen en het gebied ligt er nu verlaten en leeg bij. Er zijn weinig hotels, winkels of eetgelegenheden te vinden en de landelijke wegen worden tegenwoordig bevolkt door koeien en ezels in plaats van toeristen. Tel daar de armoedige uitstraling van het stadje bij op (met veel golfplaatdaken, zwerfafval en straathonden) en het moge duidelijk zijn dat de plaats vanuit toeristisch oogpunt op flinke achterstand staat.
Toch heeft deze leegte voor sommige reizigers juist een bepaalde charme. Het ontbreken van massatoerisme maakt dat Kalpitiya authentieker aandoet dan de rest van de Sri Lankaanse westkust. Het schiereiland lijkt nog vooral aan de lokale bevolking toe te behoren en het contrast met het toeristische Negombo kan daarom bijna niet groter zijn.
Reflectie
De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we slechts enkele dagen in Kalpitiya zijn gebleven. Deels omdat er naast het bezichtigen van de Nederlandse monumenten weinig te doen was en deels omdat het gebrek aan voorzieningen het verblijf daar erg duur maakte.
VoC-logo met twee olifanten in poortgebouw voor zichtbaarheid gemarkeerd (Creative Commons. auteur: A.E. Kerkhof)
Maar terwijl mijn vrouw en ik het fort uitliepen en het verweerde VOC-logo in de poort achter ons lieten, dacht ik opnieuw aan de gele ijsselstenen. Wat een vreemd idee dat er Nederlandse bakstenen in een vergeten monument aan de andere kant van de wereld zijn te vinden. Ook al is de Nederlandse naam Kalpentijn verdwenen, die bakstenen zitten er nog voor eeuwen. Niet iets om trots op te zijn, wel iets om stil bij te staan.