Petitie “red de studie Keltisch”

Tavenraat 1844. bron: Rijksmuseum

Geachte lezer,

De studie Keltisch aan de Universiteit Utrecht, die sinds 1923 bestaat, dreigt per 2027 te verdwijnen door bezuinigingen binnen de faculteit. Hiermee zouden niet alleen waardevolle wetenschappelijke kennis en expertise verloren gaan, maar ook de carrières en levens van de docenten en onderzoekers die zich aan deze opleiding hebben verbonden.

Wij roepen u op om de volgende petitie te ondertekenen en hiermee uw steun te betuigen voor het behoud van deze unieke opleiding. De studie Keltisch vormt een essentieel onderdeel van de bestudering van middeleeuwse talen en culturen van Europa in de Lage Landen. Het verdwijnen ervan zou een grote aderlating zijn voor het academisch landschap en ons culturele erfgoed.

Alvast hartelijk dank voor uw steun!

https://www.change.org/p/red-de-opleiding-keltisch-save-the-bachelor-celtic?redirect_reason=guest_user

Hou stil, je hoogheid, tot ik uitgesproken heb!

Erfprins Willem Frederik door Tischbein 1788. bron: Rijksmuseum

Het is vrij zeldzaam dat in teksten uit de zeventiende en achttiende eeuw de boerenstand aan het woord wordt gelaten. Het is nog zeldzamer dat zo’n stem tegen één van de machtigste mannen van het land was gericht. Vandaar deze blogpost over een bijzondere anekdote, neergepend in het dagboek van de Bommelse predikant Kist (1794-95). Dit dagboek bevat een levendige hervertelling van een voorval waarin een boerenlandarbeider uit de Tielerwaard (een landstreek in de Betuwe) niemand anders dan de erfprins van Oranje te woord staat.

In het dagboek wordt verhaald over de oktoberdagen van 1794 waarin de Franse legers na anderhalf jaar oorlog de Republiek binnenvielen en de vesting van Den Bosch bestookten. Dit terwijl de geallieerde legers, waaronder Engelse, Hessische en Staatse regimenten, rond Zaltbommel en Tiel probeerden om de landsverdediging te organiseren. Volgens het dagboek van de predikant kon je vanaf de Bommelse toren met het blote oog de kanonnen van de Fransen en de geallieerden zien vuren en het gedonder van de artillerie was in de wijde omtrek te horen.

In deze dagen was de erfprins Willem Frederik van Oranje (de later koning Willem I) met zijn confidant en mentor professor Herman Tollius (in 1785 aangesteld als opvoeder van de prins) in de Betuwe. Ze waren met hun koets neergestreken bij Varik om aan de lokale overheden van de nabijgelegen dorpen de landweer (een soort dienstplicht in geval van nood) af te kondigen. De professor en Zijne Hoogheid hadden het woord gericht tot de schouten die van oudsher verantwoordelijk waren voor de landweer. Ze probeerden hen te overtuigen van de noodzaak van deze maatregel maar de schout van Ophemert wilde er niks van horen. Hij antwoordde dat het een vrijwillige bewapening zou moeten zijn en hij voor de ingezetenen van zijn dorp niet kon antwoorden.

De schout van Varik, die een wit voetje bij de prins wilde halen, zei dat hij ondanks zijn hoge leeftijd wel wilde vechten. Maar een boeren landarbeider, die achter de prins stond, hoorde dit en zei: ‘Dat meugdgij doen, schout, maar ik geev den bruy van de wapening.’ De prins stond toe dat de man mocht spreken en de boer maakte daar dankbaar gebruik van. Hij antwoorde dat, wanneer het er op aankwam, boeren zich beter met een riek of gavel (hooivork) dan met een snaphaan (vuursteengeweer) konden verdedigen, ‘en daarbij, je Hoogheid’, zei hij, ‘zo moeten wij vier dagen in de week aan de batterijen werken, daar wij niets voor ontvangen. Den Engelschen eten onze aardappelen al op; waar zullen wij onze vrouwen en kinderen van onderhouden?’

hou stil, je hoogheid, totdat ik uitgesproken heb.

Op dit punt van zijn monoloog wilde de prins iets tussenbeiden zeggen, maar de landarbeider zei: ‘hou stil, je hoogheid, totdat ik uitgesproken heb. Ziedaar’, zei hij, zijn been optillend, ‘dat is het enige paar schoenen, dat ik hebbe, en ik heb ze op gevaar van mijn leven gisteren uit de handen van die dieven van Engelsche moeten houden, en zou ik dan nog de wapenen opnemen?’ De professor zei daarop, dat iedereen, waaronder de prins en hijzelf, ongelukkig waren met de oorlog. Maar de boer zei: ‘Houw, mijnheer, je bent een rijk man en met en koets met vier peerden hier gekomen en, wanneer het er op aan kwam, zoud gij U biezen pakken en er ons voor laten zitten.’

Hiermee eindigt deze sappige anekdote waarin een gewone boer de jonge erfprins (hij was toen 22 jaar oud) eens flink de waarheid zei. Of het gesprek letterlijk zo verlopen is, blijft ongewis, maar het geeft zonder twijfel een indruk van hoe de Betuwers tijdens de Franse inval van 1794 tegen de gebeurtenissen aankeken. De republiek was toen al ruim tien jaar onrustig en de strijd tussen Patriotten en Prinsgezinden hield het land danig verdeeld. Toen de geallieerde legers in het najaar van 1794 neerstreken in de Betuwe kwamen daar ook nog de inkwartiering van de soldaten, de militaire voedselvoorziening en de legerdienst van de landlieden bovenop.

De boeren werden het hardst getroffen; ze moesten helpen bij het voorbereiden van de vestingwerken, het verslepen van de kanonnen en het in gereedheid brengen van de waterlinie. Ook werden er geregeld paarden gevorderd waar niet altijd voor betaald werd. Het was dus geen wonder dat de bereidheid van de boeren om voor de Staatse kant te vechten niet erg groot was. Alleen de mannen van Haaften, Hellouw en Waardenburg namen de wapens op. De andere dorpen weigerden.

Maar, Zijn Hoogheid, vraag het slegs de twee schouten, die voor mij geandwoord hebben

Hoe groot de onvrede was, blijkt uit een tweede voorval dat in het dagboek wordt verhaald. In het dorp Tuil waren de prins en de professor ook met de lokale overheden over de “wapening” in gesprek. De schout van Deil nam op deze gelegenheid het woord en legde de prins uit dat afgezien van de grote lasten die al op de boerenbevolking drukten, niet elke Betuwer bereid was om tegen landgenoten te vechten (dit omdat veel Patriotten aan Franse kant meevochten). De prins antwoordde dat hij hierover slecht ingelicht was. De schout zei toen tegen hem: ‘Maar, Zijn Hoogheid, vraag het slegs de twee schouten, die voor mij geandwoord hebben; die hebben het zooeven ten aanhooren van vele getuigen gezegd’. De aanwezige schouten, die kennelijk voor de aankomst van het prinselijke gezelschap ook hun onwil hadden laten blijken, ontkenden dat toen niet.

Kortom: een mooi inkijkje in het boeren onderbuikgevoel van het jaar 1794! Ook is het bijzonder dat deze gebeurtenissen in een lokaal dagboek zijn bewaard. Mogelijk vond de Bommelse predikant dat de monoloog van de landarbeider en het weerwoord van de schout van Deil een breed gedragen gevoel onder zijn streekgenoten weergaf; de kloof tussen de bestuurders in Den Haag en Amsterdam en de boerenbevolking van de Betuwe was groot en de erfprins van Oranje was slecht op de hoogte van de zorgen die leefden onder het volk. Een sentiment dat ons als moderne lezers niet vreemd moet voorkomen met de vorige verkiezingsuitslag in het achterhoofd…

Bibliografie

Kist, Joost Gerard. “Uit Het Dagboek van Den Zaltbommelschen Predikant J.G. Kist (1794-1795).” Uitgegeven door G.J.F. Mes. Bijdragen En Mededelingen Gelre VIII (1905): 453–501.

Het Nederlands in 2220: drie scenario’s

Deze tekst is een aangepaste versie van een artikel dat in 2019 in het tijdschrift Neerlandia verscheen

Tijdmachine

De deur gaat open. Met veel gesis wordt de lucht uit de luchtsluis geblazen. Een zonderlinge figuur stapt uit een zonderlinge capsule. Op een schermpje boven de deur van de capsule knippert het jaartal “2220”. We besluiten naar hem toe te lopen en horen de zonderling spreken. “Ek groet!” zegt de zonderling. “Ek kom àt de verlèjeh! Doe jè sprèk nog Nèjerlas?”

Als een drieëntwintigste-eeuwer met ons een gesprekje aan zou knopen, zouden wij hem dan kunnen verstaan? Hoogstwaarschijnlijk wel! In de taalgeschiedenis is tweehonderd jaar namelijk een hele korte tijd. We kunnen tenslotte ook de boeken van Multatuli nog lezen. Zelfs het werk van Vondel en Bredero lukt de meeste mensen nog wel. Pas met middeleeuwse teksten wordt het een stuk moeilijker. Maar hoe zou het Nederlands in de komende tweehonderd jaar veranderen? Op deze vraag heeft de wetenschap geen antwoord.

Dat heeft hier mee te maken: de toekomstige ontwikkeling van het Nederlands hangt af van politieke en sociale ontwikkelingen die zich niet laten voorspellen. Net zoals we niet weten hoe de mode er over tweehonderd jaar uitziet, kunnen we ook niet voorspellen hoe het Nederlands er over tweehonderd jaar uitziet. Maar taalwetenschappers hebben inmiddels wel grip gekregen op hoe taal verandert en waarom taal verandert. In dit artikel zal ik een aantal mogelijke toekomstscenario’s voor de Nederlandse taal schetsen. Maar de lezer moet zich realiseren dat de taalwetenschap hierover alleen maar kan speculeren. Elk scenario moet dus met een grote korrel zout worden genomen.

Scenario 1: Het Nederlands valt uit elkaar

Laten we beginnen met de olifant in de kamer. Nu veel Vlamingen de Nederlandse standaardtaal niet langer als een norm zien die het gesproken taalgebruik hoeft te dicteren, is het goed voorstelbaar dat ergens in de komende tweehonderd jaar het Nederlands uiteenvalt in een Noord-Nederlands en een Zuid-Nederlands. Zelfs nu gebeurt het geregeld dat Vlamingen en Nederlanders elkaar slecht kunnen verstaan, zeker wanneer geen van beide partijen voor een neutrale woordkeuze kiest. Vooral in staande uitdrukkingen en expressief taalgebruik gaat het nu al fout. Denk bijvoorbeeld aan een Vlaming die zegt “Wij komen goed overeen” (= wij kunnen goed met elkaar overweg) en een Nederlander die vraagt “wat komen we dan overeen?” (= wat spreken we dan af).

Als we deze trend vooruit projecteren op het jaar 2220, zou je als Nederlander dus zomaar een grammatica Vlaams nodig kunnen hebben om je in Vlaanderen verstaanbaar te maken en als Vlaming een grammatica Nederlands voor in Nederland. In het Noord-Nederlands zouden bijvoorbeeld de overdreven tweeklanken /aw/ en /aj/ (bv. “kawpuh” voor “kopen” en “hajn” voor “heen”) deel kunnen gaan uitmaken van de standaardtaal. Ook de dikke “l” waardoor “geel” nu vaak als “geew” klinkt, zou de race voor het Groene Boekje zomaar kunnen winnen. In het Zuid-Nederlands zouden de verdubbelde persoonlijke voornaamwoorden zoals “kik” en “gulder” deel kunnen gaan uitmaken van de officiële grammatica. Ook zou de rem op Franse leenvertalingen in de woordenschat en uitdrukkingen weg kunnen vallen. Waar veel Vlamingen zich nu nog realiseren dat “alles aan 1 euro” een gallicisme is, zou dat over tweehonderd jaar weleens heel anders kunnen zijn.

Scenario 2: Het Nederlands blijft één, maar verandert drastisch

Stel nu dat in de komende twee eeuwen de socioculturele en demografische verhoudingen in de Lage Landen ingrijpend veranderen. Zeker te midden van grote economische veranderlijkheid en een oorlog op het Europese continent is dat niet ondenkbaar. Zo zou het zomaar kunnen dat in een nabije toekomst de politieke en culturele verschillen tussen Nederland en Vlaanderen terzijde worden geschoven en beide gesproken varianten van het Nederlands binnen enkele generaties versmelten tot een nieuwe, drastisch veranderde Nederlandse taal. Dit scenario is gebaseerd op de theorie van de beroemde taalkundige William Labov, die stelt dat talen versneld veranderen wanneer een samenleving ingrijpende demografische veranderingen ondergaat. Zo was de val van het Romeinse Rijk belangrijk voor de versnelde ontwikkeling van het Latijn naar het Frans en de Normandische invasie van Engeland voor de versnelde ontwikkeling van het Engels van Beowulf naar het Engels van Shakespeare.

Als we ons nu eens voorstellen dat de inwoners van Nederland en België door een ingrijpende catastrofe (bijvoorbeeld een overstroming of een nucleaire ramp) over beide landen herverdeeld zouden worden, zodat Noord-Nederlands-sprekers te midden van de Zuid-Nederlands-sprekers zouden komen te wonen of andersom. Volgens de laatste wetenschappelijke inzichten zouden het Vlaams en het Nederlands dan heel snel naar elkaar toe kunnen groeien, waardoor de taal drastisch verandert. Misschien treedt er wel vermenging van Noord-Nederlandse klanken met Zuid-Nederlandse Vlamismen op. Of een taal met een Zuid-Nederlands klanksysteem gecombineerd met een Utrechtse grammatica. Een soortgelijke ontwikkeling heeft namelijk het historische Noordwest-Brabants ondergaan, dat in de zestiende eeuw nog vrijwel identiek was aan het Antwerps, maar inmiddels veel Hollandse klanken heeft overgenomen. Maar voor ons toekomstscenario moeten we er rekening mee houden dat de nieuwe taal zonder twijfel een “Hollands” karakter zou houden. Al was het maar omdat de Noord-Nederlands-sprekers in de meerderheid zijn.

Scenario 3: Beide varianten van gesproken Nederlands veranderen drastisch door invloed van buitenlandse talen

Ons laatste scenario zal niet iedereen bevallen. Taalkundig gezien is het echter het meest interessante toekomstperspectief. Stel nu dat in de komende honderd jaar veel sprekers van niet-westerse talen in Nederland en België zouden komen te wonen. In zo’n geval is het aannemelijk dat de eerste generatie migranten moeite heeft met het Nederlandse klanksysteem en de Nederlandse grammatica. Dit leidt tot zogenaamde migrantenaccenten. Denk bijvoorbeeld aan het Italiaans-Vlaams dat in de twintigste eeuw in Belgisch-Limburg gesproken werd of aan het Marokkaans-Randstedelijk Nederlands waarvan de sporen in heel Nederland aanwezig zijn. Misschien heeft het migranten-Nederlands van de toekomst de grammatica van het Nederlands wel ingrijpend versimpeld. Geen werkwoordvervoegingen meer, geen geslachtsonderscheid meer. En misschien dat er wel allemaal vreemde klanken in het Nederlands binnensluipen. Wat denkt u van een Afrikaanse klik in expressieve uitdrukkingen zoals het Nederlandse “tsja”?

Maar stel nu dat sprekers van zo’n migrantenaccent de meest toonaangevende posities in de samenleving zouden innemen. Politici, dokters, advocaten, nieuwslezers. Dan kan het goed zijn dat iedereen, van Den Helder tot Zierikzee, en van Kalmthout tot Brussel, dit migranten-Nederlands gaat imiteren. Zo kan wat vroeger een migrantenaccent was zomaar de nieuwe prestigieuze standaardtaal worden.

Naar de invloed van soortgelijke “migrantenaccenten” op ontvangende talen wordt tegenwoordig veel taalhistorisch onderzoek gedaan. Hieruit blijkt dat veel Europese talen in hun geschiedenis dikwijls door dergelijke migrantenaccenten zijn beïnvloed. Zo is het middeleeuwse Engels door een migrantenaccent van Vikingen beïnvloed en het middeleeuwse Zweeds door een migrantenaccent van Noord-Duitse Hanze-koopmannen.

Een blik naar de toekomst

U zult zich misschien afvragen: maar de invloed van het Engels dan? Of de invloed van het Chinees? Zal het Nederlands over tweehonderd jaar niet geheel weggevaagd zijn door deze internationale talen? Volgens mij is dat niet erg waarschijnlijk. Het Nederlands is een groot taalgebied, met een groot aantal sprekers. Tientallen miljoenen mensen spreken elke dag Nederlands met elkaar. Het overgrote deel van deze taalgebruikers is erg gehecht aan hun taal. Daar kunnen modekreten zoals “fake news” en “fat bike” en populaire leenwoorden zoals “awkward” en “cringe” weinig aan veranderen.

Laten we eindigen met de simpele vaststelling dat talen constant aan het veranderen zijn. Dat deden ze honderdduizenden jaren geleden toen vroege menssoorten begonnen met praten. Dat deden ze duizend jaar geleden toen de Franken de grondslagen van het Nederlands legden. En als we ooit oog in oog met een tijdreiziger uit het jaar 2220 zouden staan, weet ik zeker dat hun Nederlands ons erg bekend in de oren zal klinken. Tweehonderd jaar is immers voor de taalgeschiedenis in een oogwenk voorbij.

boekbespreking “Het IJzeren Veulen”

Ik wist van tevoren dat ik geen spijt zou krijgen van mijn laatste impulsaankoop want het fictiedebuut van historicus Enny de Bruijn ligt geheel in mijn straatje: een moordmysterie geïnspireerd door een historisch rechtbankdossier dat zich afspeelt op het zeventiende-eeuwse platteland? Count me in! Als taalhistorisch onderzoeker met een voorliefde voor plattelandsgeschiedenis en vroegmoderne processtukken spraken de setting en de premisse mij ontzettend aan. Aangezien het boek nog weinig besproken is in de pers, hier in ieder geval mijn bescheiden bijdrage om de belangstelling aan te zwengelen

De roman draagt de titel “het IJzeren Veulen” en gaat over een zeventiende-eeuwse moord in een klein Gelders dorp aan de rivier de Waal. Met veel passie voor historische details vertelt de auteur hoe in het Gelderse Herwijnen in 1676, slechts enkele zomers na het rampjaar, het leven van de 36-jarige Gijsbertje wordt opgeschud. Op een warme zomermiddag wordt het lichaam van haar oom, een deftige dorpssecretaris, levenloos teruggevonden bij een poldermolen die in de volksmond “het IJzeren Veulen” heet. Wie o wie heeft het gedaan? 

De verdachte bij uitstek is een lokale soldaat met de naam Jan Hous, het zwarte schaap van een andere belangrijke dorpsfamilie, die de dag voor de moord nog heet van woede had verkondigd dat hij de secretaris naar het leven stond. De verdenking wordt versterkt door het feit dat Jan Hous bescherming geniet van de lokale dorpsschout, een man die al jarenlang een vete voerde tegen de secretaris. Terwijl de familie van Gijsbertje probeert om de vermeende moordenaar veroordeeld te krijgen, probeert zij zelf uit te vogelen of Jan Hous het eigenlijk wel gedaan kan hebben. Zo lopen er twee verhaallijnen door het boek; de eerste gaat over het wel en wee van een boeren dorpsgemeenschap terwijl een complexe rechtszaak de gemoederen bezig houdt, de tweede gaat over Gijsbertje zelf die vanaf de zijlijn een apart broodkruimelspoor volgt om de toedracht van de moord boven water te krijgen en tegelijkertijd met verschillende gewetenskwesties worstelt; wat nu als iemand uit haar eigen kring er iets mee te maken heeft?

De Bruijn besteedt veel aandacht aan de gevoelswereld en overpeinzingen van de hoofdpersoon, een alleenstaande herbergierster met een vrome inborst en een groot loyaliteitsgevoel. De emoties en dilemma’s van Gijsbertje worden in het boek gevoelvol besproken, maar slagen er niet altijd in om de spanningsboog te ondersteunen. Ook was het gebrek aan agency van de protagoniste soms pijnlijk groot. Gijsbertje ziet het allemaal maar gebeuren, grijpt zelden persoonlijk in en komt vaak tot de conclusie dat het maar beter is om niks te doen. Zo bekroop het gevoel me soms dat ik een Thea Beckman-boek aan het lezen was, waarin de hoofdpersoon, het braafste meisje van de klas, luidkeels “nee” zegt als het avontuur op de deur klopt. 

Dat ik het boek desondanks verslond, ligt aan het talent van de auteur die de lezer een prachtige schets van de zeventiende-eeuwse dorpelingen en hun leefwereld biedt. De Bruijns proza is kleurrijk en treffend met veel aandacht voor historische details zoals huisraad, klederdracht en de plaatselijke topografie en veldnamen. De beschrijvingen van de akkers, het bakken van het brood, het wieden van de koolhof en zelfs de verpachting van de lokale belastingen; de Bruijn slaagt erin om de lezer door een aansprekend en detailrijk historisch decor te leiden. En dan heb ik het nog niet over de authentieke rechtbankverhoren die met veel smaak worden herverteld.

Als ik toch nog een puntje van kritiek mag aanvoeren: er wordt wel erg veel van de lezer gevraagd wat betreft visualiserend oriëntatievermogen. Ik heb dikwijls het kaartje uit het begin van het boek erbij moeten pakken want uit de tekst zelf is soms moeilijk te achterhalen hoe de verschillende locaties zich tot elkaar verhouden. Lag kasteel Drakenburg nu aan de westkant of de noordkant van het dorp. En de eendenkooien? En de weg naar Asperen? Als je al bekend bent met de lokale topografie is dat misschien geen probleem maar voor mij, als West-Brabantse verstekeling, was het een stuk moeilijker te volgen.

Nu mijn kindle weer vredig op het nachtkastje ligt, spelen er nog een aantal vragen door mijn hoofd: had het verteltempo van het verhaal niet wat hoger kunnen liggen en was Gijsbertje wel de juiste keuze om ons als hoofdpersoon langs de gebeurtenissen te leiden?  Waren de zijsporen en de red herrings wel interessant genoeg en had er in Herwijnen niet meer kunnen gebeuren tussen de moord en de ontknoping? Enfin, voor mij doen de antwoorden er eigenlijk niet zoveel toe. Ook al is “het IJzeren Veulen” geen detective waar je met sneltreinvaart doorheen vliegt, de vaardige vertelstijl, de historische expertise van de auteur en het fascinerende procesdossier dat als inspiratie diende, zijn voldoende reden om dit boek een kans te geven. Bovendien bevindt zich op de laatste pagina’s ook nog eens een ijzersterke verantwoording met bronvermelding en archiefsignaturen, waardoor mijn voorgevoel ruimschoots bewaarheid werd: ik heb geen spijt van mijn koop want als liefdesbetuiging aan de Gelderse plattelandsgeschiedenis is “het IJzeren Veulen” zeer geslaagd.

Dr. Alex (Alexia Elise) Kerkhof (Fryske Akademy)

Etymologica: MidNL reumappel en matral

dr. Alex Kerkhof (Fryske Akademy)

(afbeelding gegenereerd mbv Microsoft Bing Image Creator)

Inleiding

Een paar eeuwen geleden was het doodnormaal. Was je verkouden, dan had je een geperforeerd bundeltje met aromatische kruiden en ambergris om je nek waaraan je af en toe kon snuiven. Een soort van neusspray avant la lettre. Tot in de zeventiende eeuw droegen rijke stedelingen dikwijls zo’n kruidenmix ingesloten in een edelmetalen houdertje (vaak een bolletje) om de nek, niet alleen voor de gezondheid maar ook om de nare geuren van de stad dragelijker te maken. Zo’n bundeltje of bolletje heette vroeger een reukappel of pomander en we komen dit medicinale object geregeld tegen in de medische literatuur van de Europese en Arabische middeleeuwen.1

Reumappel

Onlangs liep ik in een middeleeuwse rekening uit het land van Schoonhoven en Gouda een bij lexicografen onbekend Middelnederlands woord voor pomander tegen het lijf. In deze rekening die de inkomsten en uitgaven van het hof van de graven van Blois van het jaar 1379 opsomt, lezen we het Middelnederlandse woord reumappel.

Item van eenen reumappel an te ruken dien Goodscalc maken dede in een gulden hoornkin dat mijn heer hadde 24 sc. (Nationaal Archief, toegang 3.19.10, inv.nr. 44, f.42)

Dit woord dat ontbreekt in het Middelnederlands Woordenboek van Verdam en Verwijs, werd al opgemerkt door historicus H.A. Verhoef die vanuit de context begreep dat het hier om een pomander ging.  

Verhoef was echter enigszins bevreemd door de vorm reum- in reumappel waar hij verwachtte “reukappel” te moeten lezen (zie Verhoef 2016: 95), maar de etymologie van het eerste element is niet duister. Het gaat hier zonder twijfel om het Middelnederlandse woord reume (MNW s.v. reume), een leenwoord uit Oudfrans reume, dat gebruikt werd om een ziekte aan te duiden die naar men meende veroorzaakt werd door een ophoping van lichaamsvloeistoffen.

Deze link tussen het Middelnederlandse woord reume en pomanders komt uitdrukkelijk naar voren in Johan Ypermans “Medicina” uit 1351 waar we de volgende uitleg terugvinden:

Gedragen vore den nese pomum ambrum die fray es (…) desen appel dragen grote liede in de hant ende houden vor den nese jegen die reume die men heet in sulke steden matral. Dese appel geduert wel 10 jaer goet als men wel maect van nuwen specien. (Koninklijke Bibliotheek Brussel, Manuscrit nr. 15624-41, f59v.)

Hieruit blijkt dat de “reume” waartegen de “pomum ambrum” werkzaam zou zijn een soort van verkoudheid is, een betekenis die ook nog in het Modernfranse rhume behouden is (Weijnen & Ficq Weijnen 1995: 165). 

Matral

In de “Medicina” lezen we naast reume ook het woord matral dat kennelijk eveneens verkoudheid betekent (zie ook Huizinga 2003: 348). Dit woord komt driemaal in de tekst voor:

1. Corisa of catarrus. dats .1. ongemac dat men heet den matral of die reume

2. Dits oec .1. goet experiment iegen den matral die comt van couden humoren

3. iegen die reume die men heet in sulke steden matral

Leon Elaut, de uitgever van de middeleeuwse tekst, merkte in een afzonderlijk artikel uit 1972 op dat het woord matral niet in de Middelnederlandse woordenboeken staat en hij geen overtuigende etymologie kon vinden. Naar mijn mening gaat het bij matral waarschijnlijk om een uit het middeleeuwse Frans of Waals afkomstige term aangezien ook de rest van Ypermans geschriften uitbundig uit het Oudfranse medische vocabulaire lenen. We mogen dan bijvoorbeeld denken aan een afleiding bij Oudfrans maltraire “lijden, pijn hebben” waar dissimilatie is opgetreden (bv. Oudfrans maltrai “leed, pijn” > matral) of eventueel een samenhang met Oudwaals macral “tovenares” en macraller “betoveren” (zie Remacle 1967: 363; FEW s.v. makelare) middels een verlezing van <t> voor <c>  in de handschriftoverlevering. Mocht iemand een betere suggestie hebben, sta ik natuurlijk open voor alternatieve etymologieën. 

Conclusie

Tot besluit van deze korte blogpost hier nog even het volgende: het gebeurt met enige regelmaat dat historici en archivarissen in middeleeuwse rekeningen en registers woorden of samenstellingen aantreffen die niet in de woordenboeken staan. Het lijkt mij daarom een goed idee dat wij historisch-taalkundigen en Neerlandici (mbv transkribus en een digitaal meldpunt?) een nieuwe poging doen om de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne administratieve bronnen na te speuren op tot op heden onopgemerkt lexicaal materiaal. Zodoende kunnen ook nog in de éénentwintigste eeuw nieuwe delen van de historische Nederlandse woordenschat boven water komen.  

Voetnoot

1. De oudste vermelding in Noordwest-Europa van een pomander die ik heb kunnen vinden bevindt zich in de huishoudrollen van de Engelse koning Henry III waar we in 1261 over een “compotum de uno pomo de aumbre cum apparatu auri et diuersis lapidibus” lezen (Wardrobe Acc.Hen.III (PRO) [OD col.]1.m.1). In Frankrijk zelf treffen we een “pome d’ambre” aan in de boedelinventaris van de Franse koningin Clementia van Hongarije uit het jaar 1328 (InvClemD, DEAF SV pon). 

Bibliografie

  • Elaut, L. (1972a). “Etymologie en betekenis van enige leen- en bastaardwoorden in de vaktaal van Johan Ypermans Medicina.” Leuvense Bijdragen, Tijdschrift voor Germaanse filologie 61e jaargang, 1972, 13-28
  • Yperman, J., & Elaut, L. (1972b). De medicina van Johan Yperman : naar het Middelnederlands Hs. 15624-41 (14e eeuw) uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Gent: Story-Scientia.
  • Huizenga, E. (2003). Tussen autoriteit en empirie: de Middelnederlandse chirurgieën in de veertiende en vijftiende eeuw en hun maatschappelijke context. Verloren.
  • Remacle, L. (1967). Documents lexicaux extraits des archives scabinales de Roanne (La Gleize) 1492-1749, Paris.
  • Verhoef, H. A. (2016). De graven van Blois; heren van Schoonhoven en Gouda. Schoonhoven: Historische uitgaven Schoonhoven.
  • Verwijs, E., Verdam, J., & Stoett, F. A. (1882-1952). Middelnederlandsch woordenboek. ‘s-Gravenhage: Nijhoff.
  • Weijnen, A. A., & Ficq-Weijnen, A. P. G. M. A. (1995). Ziektenamen in de Nederlandse dialecten. Den Haag: SDU.

Smots en Smodzje: smeerboel in het zeventiende-eeuwse Nederlands en Fries

lithografie De Ruyter – Meijer 1878

inleiding

In het recente boekje Alle Amsterdamse Akten: Ruzie, rouw en roddels bij de notaris, 1578-1915 uit 2022 staat een prachtig artikel van Nicoline van der Sijs over scheldwoorden in de Amsterdamse notarisakten van de zestiende tot de achttiende eeuw. Hierin wordt beschreven dat vrouwen meestal met het woord “hoer” of samenstellingen met “hoer” werden uitgescholden, bv. gauwdiefshoer, allemanshoer, donderhoer en dievenhoer.

Niet heftig genoeg

Wat Nicoline van der Sijs opviel, was dat woorden zoals slons, del, dweil of slet in de Amsterdamse notarisakten nauwelijks voorkwamen terwijl ze ook in die tijd al als negatieve vrouwenbenamingen in omloop waren. Voor het woord slet is de negatieve betekenis al bekend uit de vroege zestiende eeuw in de samengestelde uitdrukking dronken slet (zie Bremmer 1996: 27). Maar mogelijk was een dergelijke belediging nog niet heftig genoeg om voorbereidingen voor een rechtszaak over te beginnen en de hulp van een notaris in te schakelen.

Smots

Dit herinnerde mij aan het volgende: in de achttiende-eeuwse getuigenissen die voor de Antwerpse vierschaar zijn afgenomen komt geregeld een scheldwoord voor vrouwen voor dat in de Amsterdamse akten ontbrak: het woord smots “zedeloze vrouw, slet, hoer”, een woord dat nog steeds in het zuidelijke Nederlands in gebruik is. Hier een voorbeeld uit de Antwerpse archieven:

“…ende aen welcken vrouw persoone geseght wiert dat sij jouff Van den Bergen, wesende de ouste doghter van weylen dhr Van den Bergen, op de straete soude geattaqueert hebben soo met injurieuse woorden haer noemende te sijn eene hoer ende smotse, als met de daet haer in het aensight gevlogen ende eenige slaegen soude toegebroght hebben…” (Antwerpen 1761)

Etymologisch houdt het woord smots verband met het Middelnederlandse modde “modder, slijk” dat bij extensie ook “vuil vrouwmens, lomp vrouwmens, onhandig vrouwmens” kon betekenen. Het Middelnederlandse woord modde is later uitgebreid met een expressieve s-beginklank waaruit Vroegmodernnederlands smodde “slordige vrouw, schoonmaaklap, servet” uit voort kwam. Deze uitbreiding is mogelijk erg oud als we de verwante woordvormingen in het Middelengels, Middelnederduits en Middelhoogduits als aanwijzingen hiervoor nemen (vgl. Middengels smut, smod, smutten, Middelnederduits smudden, Middelhoogduits smotzen). Het is dus goed mogelijk dat het woord smodde al in het Middelnederlands bestond maar door toeval pas laat is overgeleverd. Dit blijkt ook uit het feit dat het Nederlandse woord smoddich “smerig, vuil” al in de vijftiende eeuw bestond.

Aan de vorm smodde werd later nog een se-achtervoegsel toegevoegd zodat we smodse, smotse krijgen (vgl. kluns “sukkel”uit Bargoens klunte “hoer”). Ook konden van smodde iteratieven gemaakt worden die we als smoddelen, besmoddelen en besmodderen in de historische teksten tegenkomen.

Hoe oud is de woordvorming?

Over de ouderdom van de woordvorming smod + se durf ik geen zekere uitspraken te doen. Er zijn namelijk woordafleidingen met dat achtervoegsel WGm. *-isja die heel erg oud zijn, bv. Oudnederlands kevisa “bijvrouw” dat in de Leidse Williram (ca. 1080) voorkomt.

“Seszogh sint thero kuninginnan, aghtzhogh sint thero keuese, thero thiernan neis nehein zala.”

“Er zijn zestig koninginnen, er zijn tachtig bijvrouwen, er zijn meisjes zonder tal”

Ditzelfde woord komt voor als kevese in één van onze oudste Vroegmiddelnederlandse (= VMidNL) woordenlijsten van ca. 1220 (VMidNL kevese gl. concubina, fornicatio Glossarium Bernense).

Maar het is opvallend dat de vorm smotse beduidend jonger is dan modde en smodde. Men zou dus voor een vrij “nieuwe” woordvorming uit de zeventiende of achttiende eeuw kunnen pleiten.

Er is ook wel opgemerkt dat het woord smots “zedeloze vrouw” enige overlap met het Zuid-Nederlandse woord smossen “vuil maken” heeft (vgl. ModNL smos “vuile vrouw”), maar dat werkwoord lijkt toch eerder etymologisch met morsen samen te hangen. Van Veen en Van der Sijs (1997) merken in hun etymologisch woordenboek terecht op dat bij de etymologie van smots “zedeloze vrouw” de Duitse woorden schmutz en schmutzig “vies, vuil” mogelijk een rol hebben gespeeld. Deze woorden kunnen namelijk al vroeg de zuidelijke Nederlanden hebben bereikt.

Fries

Een volgende vraag is hoe het dan met de Modern Friese woorden smots “fruitmoes, smeerboel”, smodzje “modderig worden” en besmodzje, besmodzgje “besmeuren, vuil maken” zit. Moeten we die als leenwoorden uit Nederlands smodden en besmodden beschouwen?

Dat hoeft wat mij betreft niet want het is goed mogelijk dat het Oudfries een oud werkwoord *smodia “bevuilen”bezat, dat in de middeleeuwse bronnen niet bewaard is gebleven (vgl. Middelengels smod “vuiligheid”, Middelnederduits smudden “bevuilen”). In de latere ontwikkeling van het Fries wordt middeleeuws *smodia automatisch smodzje (vgl. reedzje “vertellen” < Oudfries rethia) en het Friese woord smots en smodze “smeerboel”kunnen dan secundaire afleidingen bij het werkwoord zijn.

Een interessante zijkwestie is of het Friese werkwoord smodzje “bevuilen” ook verband houdt met de Engelse werkwoorden smudge “bevuilen, besmeren”en smutch “zwart maken”. De Engelse dzj-klank in smudge wijst er namelijk op dat het oorspronkelijk geen Engels woord was. Op het eerst gezicht lijkt het Fries echter niet als donorvorm in aanmerking te komen. Desalniettemin is de gelijkenis treffend.

Conclusie

In dit artikel begonnen we bij historische scheldwoorden van vroegmodern Amsterdam en eindigden we met verschillende Friese woorden voor bevuilen. Het artikel van Nicoline van der Sijs over de historische scheldwoorden uit de Amsterdamse archieven vormde zo een mooie aanleiding om de oorsprong van de Nederlandse woordfamilie van smodden en de Friese woordfamilie van smodzje nader onder de loep te nemen. Zo houdt de smeerboel uit de zeventiende eeuw ons tegenwoordig nog steeds bezig.

Bibliografie

Ancien Régime Archief Antwerpen, Vierschaar Antwerpen (1729-1790), v. 105, 2, blz. 215-217.

Bremmer Jr Rolf H. (1996). “Schelden doet zeer: verbaal kwetsen in laat-middeleeuws Friesland”. Leidschrift. Historisch Tijdschrift 12: 2, 19-36.

Kerkhof, P. A. (2020). Vloeken in Middeleeuws Brabant. URL: https://treasuresofdutch.com/2020/07/15/vloeken-in-middeleeuws-brabant/

Van der Sijs, N. (2022). “’Injurieuse expressien’ Scheldwoorden in Amsterdamse notarisakten 1583-1796”. in: Alle Amsterdamse Akten: Ruzie, rouw en roddels bij de notaris, 1578-1915. Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, 114.

De etymologische woordenboeken van De Vries (1970) en Philippa e.a. (2009) zijn geraadpleegd via Etymologiebank.nl

De historische woordenboeken zoals MNW = Middelnederlandsch Woordenboek, WNT = Woordenboek der Nederlandse Taal en WFT = Woordenboek der Friese Taal zijn geraadpleegd via de grote taalbank van het INT: https://gtb.ivdnt.org.

Taalgrieven bij een Antwerpse herbergruzie in 1751

Jacob Cats, halte voor een herberg in zomertijd, ca. 1760

In de achttiende eeuw, toen Antwerpen onder Oostenrijks bewind stond, werd er in de stad zowel Nederlands als Frans gesproken. Het Frans was de omgangstaal van de Antwerpse magistratuur en bovenklasse, terwijl het Brabants-Nederlands (ook toen al vaak Vlaams genoemd) de moedertaal van het grootste deel van de bevolking was. Zelfs de ambachtslieden die veel aanzien en welvaart genoten, spraken vooral Nederlands. Ook na de Franse bezetting van Antwerpen in 1744-1748, bleef het prestige van het Frans overeind staan. Toch blijken er in deze periode wel degelijk taalgrieven te zijn geweest. Een intrigerend inkijkje in de alledaagse tweetaligheid van de stad bieden enkele getuigenissen gegeven voor de schepenbank van Antwerpen op de tiende september van het jaar 1751.

Nazomer in herberg Hoegaerden

Ons verhaal begint enkele dagen voor de tiende september, op de aangename nazomerdag van de achtste september 1751. Rond een uur of drie uur in de namiddag ging François de Bock – 28 jaar oud en advocaat van beroep – samen met zijn vrouw Regina Gomer – 27 jaar oud – naar herberg Hoegaarden. Deze herberg, ook wel Herberg Vandezande genaamd, lag ten zuidoosten van de stad, net buiten de Sint-Jorispoort en de daaromheen gebouwde verdedigingswerken. Het was het eerste huis buiten de stadsvesten en stond benoorden wat toen nog de Berchemse steenweg heette (de hedendaagse Mechelsesteenweg). François en Regina hadden bij de herberg met Petrus (31 jaar oud, goudslager en François’ broer) afgesproken om wat te drinken, te roken en te praten.

locatie van de herberg op de Ferrariskaart van ca. 1770

terrasruzie

Petrus, Regina en François gingen vermoedelijk op een terras achter herberg Hoegaarden zitten. Van daaraf had je uitzicht op de tuinen en op de bomenrij van de Langeleemstraat.1) Het gezelschap zat een uurtje te praten totdat Petrus zich excuseerde om in de keuken een pijp op te steken. Nadat zijn broer vertrokken was, zag François toevallig boven bij het open venster twee soldaten staan die hem en zijn vrouw brutaal aankeken. François besloot zijn dag niet door de heren te laten vergallen en keek weer naar beneden maar tegelijkertijd hoorde hij de militairen spottende opmerkingen maken. Daar bleef het niet bij en de soldaten begonnen naar beneden te spugen en steentjes te gooien.

François had er genoeg van en riep tegen de militairen omhoog: “un honête homme ne feroit point des choses pareilles” (een eerlijk man doet zulke dingen niet) waarna één van de soldaten naar beneden kwam om verhaal te halen. 2) De man, een grote officier van 27 jaar met een witte jas en rode omgeslagen mouwen, zei tegen hem in het Frans: “Jean-foutre, que veux tu?” (Jantje onbenul, wat wil je daarmee zeggen). François antwoordde in het Vlaams dat hij niks met hem te maken wilde hebben en gewoon verder wilde drinken. De soldaat werd boos en riep tegen hem: “parlez sakerdieu en françois, je vous parlerai” (spreek verdorie Frans, ik zal je eens wat zeggen)! François – die wel degelijk Frans sprak – zei dat hij daar geen zin in had en weigerde verder het gesprek aan te gaan.

de gebroken pijp

Omdat de ruzie veel bekijks trok, is de officier afgedropen en terug naar boven gegaan. François liep hem nog even achterna maar hield halt bij de deur van de woning en keerde terug naar zijn vrouw aan het tafeltje. Het had hier kunnen eindigen, ware het niet dat Petrus, de broer van François, net terug kwam en zag dat zijn broer danig overstuur was. Petrus vroeg zijn jongere broer wat er was gebeurd waarna François hem uit de doeken deed wat er was voorgevallen. Vervolgens besloot Petrus de herberg in te gaan. Later zou hij tegen de schepenbank zeggen dat hij daar zijn vrienden ging opzoeken, maar het is heel goed mogelijk dat hij alsnog de confrontatie met de onbeschofte soldaten aan wilde gaan.

Petrus ging de woning in en liep met zijn pijp in de mond de trap op richting de bovenkamer waar de soldaten zaten. Hij passeerde de kamer waar Jean-Baptiste Reijnier, meesterbakker van beroep, samen met zijn vrouw en een vriend zaten te drinken.3) In de bovenkamer vond Petrus in totaal vier soldaten waaronder de officier die zijn broer bedreigend had toegesproken. Petrus salueerde naar de militairen en is vervolgens bij het venster gaan staan. De jongste van de soldaten, een knul van een jaar of twintig, kwam toen op hem af gelopen, sloeg hem de pijp uit de mond en zei: “Jean-foutre, il ne t’est pas permis de fumer ici sans demander la permission” (Jantje onbenul, je mag hier niet roken zonder eerst toestemming te vragen). De pijp van Petrus viel op de vloer aan diggelen. Petrus vroeg hem toen: “À qui doit on demander la permission” (aan wie moet men dan toestemming vragen) waarop de soldaat het venster sloot zodat niemand van buiten kon zien wat er ging gebeuren en liep langzaam op Petrus toe. De Fransman gaf hem met veel geweld een slag tegen het hoofd en trok zijn degen. Het zag er niet goed voor Petrus uit.

de slag na

De gemolesteerde goudslager, zwaar in de minderheid, besloot de benen te nemen en rende uit de bovenkamer weg. Met geweld trok hij de deur achter zich dicht en riep “Jesus Maria“, de enige woorden die Jean-Baptiste Reijnier – die geen Frans verstond – van de ophef in de naburige bovenkamer had meegekregen. Jean-Baptiste zag wel dat de soldaat met een getrokken degen Petrus achtervolgde en hem op de trap van achteren een zwaardhouw gaf. De slag kliefde door Petrus’ jas en trof hem onder de rechterarm. Volgens Petrus drong het staal tot op het bot door. De soldaat keerde daarop terug naar de bovenkamer en Jean-Baptiste snelde de arme Petrus te hulp. Petrus zei hem “ik heb het spek weg” (ik ben getroffen).

Niet lang daarna zag François zijn broer naar beneden strompelen. François ontstak in woede (in coleir) toen hij merkte dat Petrus met een zwaard bewerkt was en hij trok zijn eigen degen om de eer van zijn broer te verdedigen. Hij rende de herberg in, maar de mensen beneden in de keuken hielden hem tegen, vrezend dat er meer gewonden zouden vallen.

François hervond zijn kalmte en besloot de stadswacht erbij te halen die vlak bij de herberg aan de Sint-Jorispoort een wachthuisje had. Bij het wachthuisje trof François een korporaal met twee stadswachten die beloofden hem te volgen om de soldaten te arresteren. François rende terug naar de herberg maar in de haast had hij niet opgemerkt dat de stadswachten hem niet gevolgd waren. Kennelijk hadden ze er geen zin in de confrontatie aan te gaan met zwaar bewapende soldaten.

wachthuisje ca. 1795, illustratie Pierre-Antoine-Joseph Goetsbloets (ms. II 1492)

François liep terug naar de poort maar de stadswachten waren nergens te bekennen. De mensen bij de poort vertelden hem dat de luitenant kolonel van het garnizoen op de stadsvesten stond en wezen hem in de juiste richting. François beklom de stadswal, liep naar de luitenant toe en vertelde wat er was voorgevallen. De luitenant besloot in te grijpen en gaf de stadswacht alsnog het bevel de zich misdragende soldaten uit de herberg weg te halen. Nadat de soldaten gearresteerd waren, gingen François, Regina en Petrus op huis aan.

Reinier Vinkeles 1776, arrestatie bij een herberg

Conclusie

Deze gebeurtenissen zijn gereconstrueerd uit de getuigenverklaringen van vier van de betrokkenen; François de Bock, Petrus de Bock, Regina Gomer en Jean-Baptiste Reijnier. Opvallend zijn de subtiele verschillen tussen de verklaringen. Zo parafraseert Regina de confrontatie iets omzichtiger dan dat François dat zelf doet. Ook beweert zij pas later gemerkt te hebben dat Petrus gewond was geraakt, wat niet erg waarschijnlijk is. Opvallend is ook dat Petrus verhaalt niet de herberg in te zijn gegaan met het plan de soldaten te confronteren maar om vrienden op te zoeken. Deze verklaring lijkt weinig overtuigend aangezien zowel François als Regina vertellen dat Petrus meteen na kennis te hebben genomen van de woordenwisseling naar boven was gegaan. Wat ook opvalt, is dat Jean-Baptiste – de meesterbakker – de ruzie in het Frans niet kon volgen of in ieder geval overtuigend kon beweren dat hij de taal niet sprak. Verder is een belangrijk plotpunt in het verhaal natuurlijk dat een vlot tweetalige magistraat zoals François de Bock weigerde de ruzie in de moedertaal van de soldaten uit te praten. Taal en identiteit gaan hier duidelijk hand in hand. Kortom: we krijgen hier een zeldzame inkijk in de taalattitudes van achttiende-eeuws Antwerpen; niet in een hoogdravend ideologisch geschrift over de Franse en Nederlandse taal, maar gewoon in de getuigenverklaringen over een alledaagse herbergruzie.

Voetnoten

  1. Aan de voorkant van de herberg bevonden zich een smederij en wat bouwmanshuisjes en was het vast minder fijn vertoeven. Dit blijkt uit het vergelijken van de ingetekende bebouwing op de Ferrariskaart van ca. 1770 met het kadaster van 1835.
  2. Volgens Regina waren François’ woorden: “Que ce n’ etoit point une maniere d’ agir pour un honéte homme”
  3. ln hetzelfde vertrek zat ook nog een groepje geestelijken (wat nonnen en een cellebroeder) maar aan hen is geen getuigenis afgenomen

bibliografie

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring Regina Gomer

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring Petrus de Bock

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring François de Bock

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring Joannis Baptista Reynier

De moordvloer van Detzem: de oprichting van een Duitse buitengalg in 1731

Detzem is een klein dorpje aan de Moezel – niet ver van Trier – waar al tweeduizend jaar geleden een nederzetting stond. De naam Detzem gaat terug op het Galloromaanse decima leuga (10 mijlen), een naam die al in de Oudheid gegeven moet zijn en verwijst naar het feit dat Detzem tien Gallische mijlen van Trier vandaan ligt.

Deze blogpost gaat echter niet over plaatsnamen maar over een achttiende-eeuwse notitie over Detzem uit 1731 (vermoedelijk bewaard in een stadsboek), herteld door Jacob Grimm in 1841. In deze notitie wordt beschreven hoe de buitengalg van Detzem in 1731 werd opgericht. Alhoewel het oorspronkelijke handschrift waaraan Grimm de notitie ontleend heeft door een gebrek aan een bronvermelding moeilijk na te speuren is, zijn de details van dit relaas fascinerend…

Het Hochgericht van Detzem met de expositiegalg stond op de grens van de heerlijkheid op een bergweide bij de Schleicherberg die ook nu nog de Mordflur heet, vlakbij een beek met de naam Mordbache en een straat met de naam Mordstrasse. In de lokale veld- en waternamen rond het dorp is de herinnering aan de lugubere geschiedenis van deze plek dus bewaard gebleven.

gebied van het hooggerecht op de Tranchotkaart van het Moezelland van 1803-1820

Volgens het bericht uit 1731 ging de oprichting als volgt:

Toen de timmerlui bijna klaar waren met het maken van de stellage, begon de ceremonie. Allereerst stelden de Halsrechtmeier, de schepenen, de grondbezitters en schutters zich in een kring rond de galg op. Zodra de laatste pen in het houten bouwsel werd gestoken, trad de Amtmann, een beambte van het St-Maximins-klooster, naar voren. De Amtmann sloeg toen de eerste spijker in de pen. Vervolgens was het de beurt van de meier die de tweede spijker sloeg. Daarna mochten de schepenen hetzelfde doen en sloegen ook hun spijkers in de pen.

Vervolgens werd gezamenlijk – als gemeenschap – het bouwsel overeind gezet. Zowel de timmerlieden, de inwoners als de notabelen hielpen een handje mee. De Amtmann verklaarde toen plechtig dat dit voor niemands eer nadelig is. Het terechtstellen van misdadigers was immers geen eerzame aangelegenheid

Daarna begon de volgende stap van het ritueel. De Amtmann beroerde de galg feestelijk met zijn staf waarna de schepenen en de halsrechtmeier hetzelfde mochten doen. Ten slotte waren de gewone inwoners aan de beurt die dan geen staf hadden maar alsnog de galg met blote hand aanraakten.

Als afsluiting van de inwijding bevestigde de meestertimmerman een met bloemen versierde berkenstruik aan de galg en sprak een spreuk. Om het ritueel duidelijk in het geheugen van de jongste generatie te prenten wierp de rentmeester geldstukken naar de kinderen en vuurden de schutters ceremonieel hun geweren af…. Zo eindigt de hertelling van Grimm van de notitie uit 1731.

voorbeeld van een Expositiegalg bij het Freilichtmuseum Neuhausen

Wat ik vooral interessant vind aan deze historische anekdote zijn de details waarmee het plattelandsritueel beschreven staat. We krijgen als het ware een venster op een buitengewone gebeurtenis in een achttiende-eeuws dorpje aan de Moezel. Ook bemerkenswaardig is dat het ritueel plaats vindt op de limieten van de heerlijkheid (zie ook deze blogpost), in de liminale ruimte zoals antropologen dat zo mooi noemen. Het ritueel heeft duidelijk een hiërarchisch karakter (de vertegenwoordiger van het klooster gaat vóór de wereldlijke notabelen) maar schijnt vooral ter bevestiging van de autonomie en groepsidentiteit van de gemeenschap te dienen.

Wat ik me ook afvraag; zijn er in de vroegmoderne bronnen uit de Lage Landen ook zulke beschrijvingen van dorpse galginwijdingen bewaard gebleven? Hadden die een soortgelijk karakter of waren die juist wezenlijk anders? Ik ben wel bekend met vroegmoderne plattelandsrituelen die te maken hebben met de oprichting van grensstenen, huwelijken, dijkschouwingen en kapel- of kerkwijdingen maar eigentijdse voorbeelden van galginwijdingen ken ik niet. Mocht iemand een voorbeeld kennen, ik hoor het graag.

Hoe ’t migranten it Nederlânsk nei Frysktalich Hollân brochten

Dit artikel verschijnt ook in het Nederlands op Neerlandistiek.nl in het kader van het jubileum 30 jaar Neerlandistiek.nl

Stel no, do setst in tiidmasine del op ‘e heuvel fan it kastiel fan Leien en beslútst om alvehûndert jier werom yn ‘e de tiid te gean. Wat soest sjen? Wat soest hearre? Wat soest meimeitsje?

Ympresje fan de Leidske boarch ca. 950 (tekening: Kerkhof)

Earst efkes in warskôging foar de argeleaze tiidreizger; de tsiende iuw is gjin noflik plak foar immen mei moderne gefoelichheden. Oarlochsgeweld, honger, oerstreamingen, slavernij. Kom dus wapene mei in aardich poarsje kultuerrelativisme, want oars silst grif in minne ûnderfining hawwe.

Okee, de tiidmasine docht syn ding en bringt ús yn in twirrewyn fan tiid en romte werom nei de tsiende iuw. Wy steane yn ‘e midden fan it iermidsiuwske mottekastiel fan Leien, de Leitheriburch. Om ús hinne rinne de feinten fan ’e greef fan Rynlân, wapene mannen mei swiere maliënkolders; guon roppe befelen nei de hearrigen dy ’t hea en nôt nei binnen bringe, oaren beprate it nijs dat de Fikinghaadman Harald Walcheren ynnommen hat.

Dizze tsiende iuw is in bysûndere perioade yn it taalferline fan it Nederlânsk; yn dy perioade waard der nammentlik yn in grut part fan Nederlân gjin Nederlânsk praat. It Nederlânsk wie doedestiids mear de taal fan it lânyngeande rivieregebiet en fan de suderlingen – de minsken út Utert, Tiel en Nijmegen dus en de minsken út Brussel, Antwerpen en Gent. Oan de kust dêrfoaroer praten se in âld soart Frysk. Dat is net frjemd want de Fryske kening Redbad hie grutte bûtens op de Hollânske dúnrêgen; fan it eilân Voorne oant Heiloo.

Dochs hiene de kustbewenners geregeld kontakt mei Nederlânsktalige frjemdlingen; foarby de grutte feansompen – yn Nifterlake (Utert) en Hamaland (Gelderlân) – waard nammentlik wol Nederlânsk praat sadat foar de hannel en de kontakten mei de biskop it learen fan de Nederlânske taal in nuttige oangelegenheid wie. Ek kamen der bytiden migranten út Nederlânsktalige streken yn it kustgebiet te wenjen. Sa waard wat letter Hollân wurde soe twatalich, in situaasje dy ’t pas yn de rin fan de tolfde iuw omsloech yn it foardiel fan it Nederlânsk.

It ferdwinen fan de twataligens yn Hollân is al gauris bestudearre troch histoarisy en taalwittenskippers. Gelearden lykas Izaak Gosses, Klaas Heeroma, Dirk Blok, Cor Van Bree en – koartlyn noch – Michiel de Vaan ha gelearde ferhannelingen oer dit ûnderwerp skreaun. Dochs is dit meartalige ferline fan Nederlân relatyf ûnbekend bleaun. Dat is spitich want dat it Nederlânsk eartiids as migrantetaal Hollân binnenkaam is liket my in wichtich maatskiplike ynsjoch.

Werom nei de tsiende iuw. Wy stappe de tiidmasine út en rinne rjochting it westlike poartegebou fan de Leidse boarch: it útsjoch is fenomenaal. Wy sjogge de bosken, de sompen en sels – yn ‘e fierte – de toppen fan ‘e dunen. As wy nei ûnderen sjogge, bespeure wy dat krekt wat skippen oanlizze; oan it skipstype te sjen binne it Flamingen. De kastielhear dy ’t neist ús yn de poarte stiet, bromt gnoarrich: “Ik fyn it prima as der frjemdlingen komme, salang ’t se mar wol de taal leare. Foardatst it witst prate wy hjir allegearre Nederlânsk!”

dr. P A Kerkhof (Fryske Akademy)

De herbouw van een 16e-eeuwse standerdmolen in het land van Bergen op Zoom

Al in de dertiende eeuw stonden er twee windmolens in de parochie Wouw (eerste vermelding in een oorkonde uit 1289, ONB I, nr. 1265). Deze windmolens waren standerdmolens, een molentype dat rond een centrale staak (de standerd) werd gebouwd. Dankzij deze standerd, die als draaias fungeerde, kon de molen de juiste richting op worden gedraaid.

Standerdmolen, Aegidius Sadler naar Jan Brueghel ca. 1580

Een van deze middeleeuwse molens stond ten zuidwesten van de dorpkom van Wouw, niet ver van de Bergsebaan. Deze molen werd indertijd de “westmoelen” genoemd. De andere molen – “de oostmoelen” – stond ten noordoosten van de dorpskom bij de heirweg naar Roosendaal en werd ook wel “de Veldtsche molen” genoemd vanwege het nabijgelegen “Veld van Spellestraat“.

locaties historische westmolen en oostmolen t.o.v. Wouwse dorpskom. Onderlaag: Google Maps

jaarrekening 1533

In 1533 liet de heer van Bergen op Zoom de westmolen afbreken en opnieuw opbouwen. Dankzij de jaarrekening van de rentmeester van Bergen op Zoom is er vrij veel over deze herbouw bekend (ARR BoZ inv. 954, f. 200-201). De reden voor de afbraak wordt niet gegeven maar we mogen vermoeden dat er een accute aanleiding voor was. We kunnen dan denken aan stormschade of brand. In 1530 was immers nog één van de molenstenen vervangen, dus een drastische renovatie waarvoor ook nieuwe molenstenen moesten worden gekocht, stond duidelijk niet in de planning.

De rentmeester van de heer van Bergen op Zoom gaf de bouw in opdracht aan Jan de Molenmaker die met zijn gezellen en aangeworven arbeiders aan het werk toog. Hij kreeg voor de bouw 150 karolus guldens betaald waarvoor hij het bouwhout en de standerd zelf moest bekostigen. Jan bedong wel als voorwaarde dat extra onvoorziene kosten na afloop alsnog gedeclareerd konden worden.

ARR BoZ inv. 954, f. 200v

kosten

Voor de herbouw werd een deel van het hout en ijzerwerk van de oude afgebroken molen gebruikt. Het oude ijzerwerk werd door de smid van Wouw omgesmeed tot nieuw ijzerwerk. De rest van de benodigde ijzeren onderdelen werden door de smid van Bergen op Zoom vervaardigd. Jan de slotenmaker kreeg de opdracht een nieuw “blockslot” voor de molen te maken en ook andere lokale ambachtslieden droegen aan de herbouw bij: extra bouwhout voor zolderplanken, spijkers e.d. werden in het dorp aangeschaft.

kostenpostbedrag (afgerond)
bouw van de molen (incl. arbeid, bouwhout & standerd)150 Karolus gulden + 7 gulden declaratie
molenstenen84 Karolus gulden
nieuw ijzerwerk23 Karolus gulden
omsmeden oud ijzerwerk7 Karolus gulden
spijkers11 Karolus gulden
nieuw blokslot14 stuivers
zolderplanken6 Karolus gulden
vervoer groot bouwhout & molensteen4 Karolus gulden
invetten nieuwe standerd met reuzel4 stuivers
geschenk van 1 ton bier1 gulden

Toen de standerd van de windmolen was opgericht schonk de heer van Bergen volgens de oude “costume” een ton bier aan de molenbouwer en zijn arbeiders. Voor het invetten van de standerd werd vier pond reuzel gebruikt. De molenstenen en de planken werden in Antwerpen gekocht en via Bergen op Zoom naar Wouw vervoerd. Vermoedelijk moesten ze daarna met veel moeite van de Bergsebaan naar de bouwplaats worden gesleept. De dorpelingen van Wouw verrichtten het sjouwwerk van het kleinere bouwhout gratis. Voor het grotere houtwerk en de molenstenen moesten grote wagens en boten worden gehuurd.

conclusie

De bouw duurde iets meer dan twee maanden (9 weken) en kostte 296 karolus gulden waarvan maar liefst 84 gulden bestemd waren voor de aanschaf van de molenstenen. Toch zal de rentmeester van dat grote bedrag niet lang wakker hebben gelegen; het molenrecht was immers één van de meest lucratieve inkomsten voor de Brabantse heren (cf. Damen 2022). In het geval van de Wouwse westmolen, kreeg de heer van Bergen op Zoom elk jaar zo’n 28 pond Brabants pacht voor de molen (ongeveer 112 Karolus gulden). De investering was dus snel weer terugverdiend.


Nawoord over locatie

De locatie van de middeleeuwse Wouwse westmolen komt waarschijnlijk overeen met de locatie van de huidige molenberg waarop ook nu nog de vroeg-negentiende-eeuwse korenmolen “De Arend” (1811) staat. Daarvoor, vermoedelijk in de dertiende eeuw nog, zal er een molen tussen Wouw en de Ouwburg (hoogmiddeleeuwse kasteellocatie) in hebben gestaan. We mogen dit aannemen omdat in het Wouwse cijnsboek van 1758 een oude veldnaam molenberg aan de zuidwaartse weg naar de Ouwburg staat ingetekend (ARR Boz inv. 1347, f. 120r).

Heerlijksheidskaart H. Adan 1758; het rechthoekige roodomlijnde blok linksonder werd in 1758 “Molenberg” genoemd met twee oude woonpercelen ten westen daarvan (toen bos). Het kleine roodomlijnde blok daar rechtsboven is de huidige Molenberg.

bibliografie

Archieven van de Raad en Rekenkamer van de Markiezen van Bergen op Zoom (= ARR Boz), inv. 954, Rekening van de rentmeester van Wouw, Moerstraten, Steenbergen, Roosendaal en Nispen, 1524/1525-1533/1534

ARR BoZ, inv. 1347, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw , 1758

Damen, Mario (2022). “The counts of Nassau and the Performance of Lordship in Late Medieval Brabant”. in: Communities, Environment and Regulation in the Premodern World, ed. by Claire Weeda, Roert Stein & louis Sicking, CORN Publications Series 20, 233-262.

Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 (= ONB) II; de heerlijkheden Breda en Bergen op Zoom, tweede stuk (1289-1312), M. Dillo, G.A.M. van Synghel & E.T. van der Vlist eds., Rijks geschiedkundige Publicatiën uitgegeven door het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Den Haag.