Het lied van het leger van Igor is een twaalfde-eeuws Oost-Slavisch heldendicht over de nederlaag van de vorst Igor, prins van Kiev/Kyiv, op de oostelijke steppen van de Oekraïne in de strijd tegen het Turkische steppenvolk van de Koemanen.
De reden voor de nederlaag was een voortslepend conflict met zijn broer Svevolod waardoor de Koemanen de Oekraïne binnen konden trekken en de steden Kiev/Kyiv en Chernigov/Chernihiv in gevaar kwamen.
De mooiste passage van het dichtwerk is de treurzang van de vrouw van Igor, Yaroslavna, die vanaf de transen van de stadsmuur van Putivl haar verdriet in woorden giet.
Nicholas Roerich, Yaroslavna’s lament (1914)
Hieronder heb ik het begin van het lied van het leger van Igor naar het Oudnederlands vertaald. Waarom? Als protest tegen een zinloze oorlog. Ter viering van de mooie dingen in deze wereld. Ter herinnering aan de prachtige literatuur die voortkwam uit de tijd dat de tegenstelling Russen en Oekraïners nog niet bestond.
ne wari uns gitemi, bruother, biginnan in wordon aldon biginnan thia talon vilo hardo thes volkes Ingwares, Ingwares, suno Swentislaves aver ne skulin wi thit liet biginnan bi theson dâdon, in tîde unsara, vora jenon kunstin Baganon, Bagano, thie gôkelari, so hi woldi mannon gimakon ên liet hi fliugi in môdi thora then bômon soso ên grawo wolf ovar thera erthon soso ên sôro athelaro ondar then wolkon wanda hi gihugên condi , seida hi, thia strîda in êrdagum than hi lâti tian valkon ana then swanon sowelliko valko nitharvalli, these swano skuli singan
“Were it not seemly to us, brothers, to begin in ancient diction the tales of the toils of the army of Ígoŕ, Ígoŕ Svyatoslávič? [Or] to begin this song in accordance with the ballads of this time, and not like the invention of Boyán? For the wise Boyán when he wished to make a song for any man, in his thought used to fly in the trees, [race] like a grey wolf on earth, [soar] like a dusky eagle beneath the clouds. He used to recall the words and the dissensions of the early times. Then he released falcons on a flock of swans; whichever [falcon] first arrived, its swan sang a song”
beluister hier de Oudnederlandse uitspraak
Не лѣпо ли ны бѣщеть, братие, начяти старыми словесы трудьныхъ повѣстии о пълку Игоревѣ, Игоря Святославичя? Начяти же ся тои пѣсни по былинамъ сего врѣмене <веремене>, а не по замыщлению Бояню. Боянъ бо вѣщии, аще <аче> кому хотяше пѣснь творити, то растѣкашеть <рос-> ся мыслию по дрѣву <дереву>, сѣрымь вълкъмь по земли, сизымь орьлъмь подъ облакы <оболокы>. Помьняшеть бо – рече – пьрвыхъ врѣменъ <веременъ> усобицѣ, – тъгда пыщяшеть десять соколовъ <соколъ> на стадо лебедии: которыѣ дотечяше, та прѣди <переди> пѣснь пояше. Боянъ же, братие, не десять соколовъ <соколъ> на стадо лебедии пущяше, дъ своѣ вѣщѣѣ пьрсты на живыѣ струны въскладаше; оны же самы къняземъ славу рокотаху:
Wilt u dit twaalfde-eeuwse magistrale stuk Oud-Slavische literatuur in Modern-Engelse vertaling lezen? Dat kan hier. Wilt u de kinderen van de Oekraïne helpen? Doneer dan aan Unicef.
Brabants landschap met herbergvan Jacop Grimmer (ca. 1550). Het uithangbord doet vermoeden dat de herberg “de Swane” heette
Zoals u misschien weet, hadden vroeger veel huizen karakteristieke huisnamen waarmee ze binnen de gemeenschap bekend stonden. Dankzij deze namen kon grondbezit gemakkelijk geïdentificeerd worden zonder dat daar huisnummers, een kadaster of een landmeterskaart voor nodig was. Zo waren er in middeleeuws Antwerpen huizen die de Luijaert, de Conte (= kont), dOorcussen en de Moriaen (= vreemdeling met donkere huid) heetten, en in middeleeuws Bergen op Zoom huizen met namen zoals tWildewijf, dVierheemskinderen, dBlaeuwenhont en de Drinckaluyt (= drink op!). Dit gebruik om naar huizen te verwijzen met hun karakteristieke huisnaam bleef ook in de eeuwen daarna in gebruik. Hier kunt u bijvoorbeeld een overzicht vinden van de historische huisnamen van Amsterdam in de periode 1500 tot 1850.
Benoemingsmotief
Het benoemingsmotief voor deze huisnamen hing vaak samen met de uithangborden die aan de huizen hingen of afbeeldingen die op de gevel waren geschilderd. Zo zal een middeleeuws huis dat “dBlaeuwenhont” werd genoemd waarschijnlijk een uithangbord of gevelornament met een blauw geschilderde hond hebben gehad. In sommige gevallen lijkt de naam echter afgeleid te zijn van de naam of bijnaam van de bewoner. Dit zou namen zoals de Luijaert of de Conte kunnen verklaren. Tot slot kan nog opgemerkt worden dat in zeldzame gevallen deze oude huisnamen zelfs tot in de moderne tijd bewaard gebleven zijn, vaak doordat het bijbehorende gevelornament ook de tand des tijds doorstaan heeft.
Huisnamen in de dorpen
Maar wat misschien minder bekend is, is dat zulke huisnamen niet alleen in middeleeuwse steden te vinden waren, maar ook in kleine dorpen. Deze dorpse huisnamen zijn vaak minder goed in kaart gebracht en hebben zelden de tijdsprong van middeleeuwen naar moderne tijd overleefd. Dat is te verklaren doordat in de dorpen veel van de middeleeuwse huizen van hout waren gemaakt. De kans is dan groot dat deze huizen op enig moment herbouwd moesten worden waarna een oude gevelnaam niet werd voortgezet. De verstening van de dorpen in de achttiende en negentiende eeuw zal eveneens tot hernoeming van veel oude huispercelen hebben geleid.
Wouw
Als bijvangst van mijn onderzoek naar de middeleeuwse geschiedenis van het land van Bergen op Zoom en Breda heb ik afgelopen jaar een vrij volledig overzicht kunnen maken van de huizen die aan het marktplein van het West-Brabantse dorp Wouw stonden. Dit overzicht geeft een beeld van de dorpskom voordat het dorp in de jaren 1580 door de oorlogshandelingen van de Tachtigjarige Oorlog verwoest werd. In een heemkundig artikeltje dat in de zomer verschijnen zal, heb ik de middeleeuwse huisnamen van Wouw verzameld en in kaart gebracht. In deze bijdrage wil ik alleen kort even toelichten wat mij opviel aan deze namen en wat een dergelijk onderzoekje op microniveau ons kan vertellen over de continuïteit van huisnaamgeving op het platteland.
plattegrond Wouw omstreeks 2020. Bron: Open Streetview
Bronnen
Voor het overzicht van de Wouwse huisnamen heb ik gebruik gemaakt van verscheidene bronnen: de meeste huisnamen komen uit twee Wouwse belastingregisters die respectievelijk in het jaar 1560 en 1574 ontstaan zijn. De informatie uit deze registers kan aangevuld worden met behulp van oudere archiefstukken; vijftiende-eeuwse schepenverklaringen (1400-1515) die in het Felix Archief te Antwerpen bewaard worden. Ik heb de huisnamen en dorpspercelen ten slotte vergeleken met de percelen die in de Wouwse registers van 1609 worden genoemd. Zo krijgen we een idee van wat de “nieuwbouw” tussen 1500 en 1600 was.
Wouwse middeleeuwse huisnamen
Op het hieronder afgebeelde kaartje vindt u een overzicht van de huisnamen die in de vijftiende en zestiende eeuw in de Wouwse dorpskom in gebruik waren en een lokalisering op basis van de historische perceelbeschrijvingen.
bron: Kerkhof 2022
Sommige van deze namen zijn geen echte huisnamen maar namen die verwijzen naar de functie van een gebouw. Zo is een “vierschaar” een soort van gemeentehuis waar het dorpsgerecht zitting had, een “duifhuis” een woonstede met duiventoren en “de doelen” een oefenterrein waar de schutterij het schieten met de handboog oefende. Andere namen zoals tHert, dHaen en dVos hebben zonder twijfel wel met de gevelversiering te maken.
Antwerpen
Wat mij verder opviel is dat een deel van deze huisnamen ook in Antwerpen te vinden is. Zo waren er in middeleeuws Antwerpen ook huizen die dLeeuw, de Valck en de Vos heetten. Het is goed mogelijk dat dat met de Antwerpse grondeigenaren te maken heeft die veel van de dorpspercelen in eigendom hielden en aan Wouwse dorpelingen verhuurden. Een bijzonder geval is het huis dat de Bargie wordt genoemd. Nu was een bargie (spreek uit bardzjie, vergelijk Engels barge) een plat vijftiende-eeuws vrachtschip en had een vijftiende-eeuwse Antwerpenaar een Wouws dorpsperceel in onderpand gegeven voor de financiering van de bouw van zo’n vrachtschip. Het is waarschijnlijk dat deze omstandigheden verklaren waarom dit huis aan de Wouwse markt de naam Bargie droeg.
Oorlog
In 1581 werd het dorp door het oorlogsgeweld van de Tachtigjarige Oorlog verwoest en hebben veel van de dorpelingen de wijk moeten nemen. Volgens de overlevering zijn ze in 1591 onder begeleiding van hun pastoor Filip Meynaerts weer naar hun woonplaatsen teruggekeerd. Ondanks het feit dat veel van de huizen herbouwd moesten worden, is verrassend genoeg een deel van de huisnamen onveranderd gebleven. Wel kwamen er nieuwe huisnamen bij aangezien de westzijde van de “plaetse” (de markt) nu ook met kleinere huizen bebouwd werd. Mogelijk gaat het hier oorspronkelijk om noodwoningen – gebouwd op grond van de Markies van Bergen en het klooster Sint-Bernaerd te Hemiksem- die na de herbouw van de oudere huizen aan de oostzijde van de markt in gebruik bleef.
Continuïteit
In de eeuwen die volgden, bleven de huisnamen in de Wouwse dorpskom redelijk stabiel. Wanneer we de namen uit het belastingregister van 1609 vergelijken met die uit een register van 1748 zijn zeker zes van de namen nog in gebruik. Wel zijn er in de tussentijd opnieuw huizen bijgekomen. Zo waren er in 1748 twee huizen in Wouw die de naam “de Swaen” droegen, een herbergnaam die ook elders op het Brabantse platteland veelvuldig voorkomt. De influx van nieuwe naamgeving houdt mogelijk verband met de verstening van de achttiende eeuw, een ontwikkeling waarin de oudere houten bebouwing vervangen werd door bakstenen diepe huizen die dicht op de straat waren gebouwd. De huisnaam de Bargie die al voor 1560 in gebruik was, werd tijdens dit proces vervangen door de huisnaam “de Kroon” die nog steeds in de Wouwse volksmond voortleeft.
huis “de Kroon” (logement) op een foto van vóór 1909
De naam “de Bargie” werd echter niet vergeten want het perceel bouwland dat achter het dorpsperceel lag bleef tot in de twintigste eeuw de naam “Bargie” dragen. Hetzelfde geldt voor de middeleeuwse naam “duifhuis” en ondanks dat er toen al lang geen “duifhuis” meer was, kende men nog wel de daar achter gelegen “Duifhuisheining”. Tot slot kan nog opgemerkt worden dat de Wouwenaren bij de bouw van een Wouws buurthuis omstreek 1960 opnieuw voor de naam “Bargie” kozen. Zo was de middeleeuwse naam een opvallend lang leven beschoren!
Conclusie
Valt er uit deze microstudie ook iets algemeens op te maken over de historische huisnaamgeving op het Brabantse platteland? Wat mij in ieder geval opvalt is de relatieve stabiliteit van het Wouwse huisnamenbestand. Zoals eerder opgemerkt heeft een deel van deze huisnamen zelfs de verwoesting van het dorp in 1581 overleefd. Dat is opvallend en past bij het conservatieve karakter van een plattelandsgemeenschap. Toch moeten we dit conservatisme niet overdrijven. Zo kwam ik in de archiefstukken ook huisnamen tegen die aan behoorlijk wat verandering onderhevig waren: een herberg met schuur en brouwerij, gelegen aan de noordzijde van de markt tegenover de dorpsvijver werd in 1460 “Schollant” genoemd, maar een eeuw later – in 1560 – heette deze hofstede kennelijk “de Leeuw” en nog een eeuw later – in 1660 – “de Rode Leeuw”. In 1758 was deze naam dan al weer in de vergetelheid geraakt. Zo blijkt maar…Ook onze middeleeuwse voorvaderen waren weleens aan verandering toe.
Nawoord
Wellicht had de hofstede Schollant – een vorm die taalkundig terug kan gaan op Schotland – oorspronkelijk een geveldecoratie met het “wapen van Schotland”, te weten een rode leeuw op een goud veld. De naam is dan van Schotland naar (Rode) Leeuw veranderd. Ik heb deze suggestie aan Joey Spijkers te danken.
Ik heb een leuk nieuwtje met u te delen: muzikaal trio Under the Surface brengt op hun nieuwe album “Miin Triuwa” (Mijn Trouw) liederen ten gehore met duizend jaar oude teksten gezongen in de gereconstrueerde uitspraak van toen. Dit album is inmiddels met veel lof door de muziekredacties van Trouw en NRC ontvangen dus we hebben hier echt met iets bijzonders van doen. In dit stukje wil ik kort uit de doeken doen hoe ik bij dit project betrokken ben geraakt.
verzoek
Vorig jaar kreeg ik een fascinerend verzoek in de mail: zangeres Sanne Rambags vroeg mij of ik in staat zou zijn om de uitspraak van een uitgebreide liedtekst samengesteld uit authentieke Oudnederlandse verzen voor haar op te nemen.
Deze liedtekst was door haar samen met onderzoeker Roland de Bonth van het INT bij elkaar gepuzzeld en bestond uit tekstmateriaal dat ontleend was aan de Wachtendonckse psalmen en de Leidse Williram. Dit zijn twee middeleeuwse teksten die in de tiende en elfde eeuw in het Nederlandse taalgebied ontstaan zijn.
Ik wees Sanne er op dat deze teksten wetenschappelijk gezien niet helemaal Oudnederlands waren omdat beide teksten kopieën zijn van Duitse voorbeelden. De Nederlandse monniken hebben indertijd de taal van deze voorbeelden aangepast naar hun eigen “Nederlandse” dialect maar op flink veel plekken schemert de Duitse oertekst nog in het handschrift door. Daar komt bij dat de Wachtendonckse Psalmen en de Leidse Williram taalkundig flink van elkaar verschillen en de teksten daarom allebei op een andere manier “Duitse” taalsporen bevatten.
hertaling
Sanne en ik besloten daarom om taalkundig in te grijpen. Ik stelde voor de taal te “normaliseren” tot één Oudnederlandse grondvorm waarmee de liedtekst taalkundig consistent werd en we ook de Duitse invloeden van de handschriften konden opruimen. Hiervoor was een volledige hertaling nodig, een hertaling naar één Oudnederlandse taalvariant die omstreeks het jaar 1000 gesproken zou zijn.
Garo herta min
ne sal ik vrohtan
minna bihuodit mi
reinon githankon
in miinemo herton bim ik triuwa
“Mijn hart is bereid ik zal niet vrezen liefde beschermt mij Zuivere gedachten in mijn hart ben ik trouw”
Deze hertaling kon gemaakt worden omdat er behoorlijk wat Oudnederlands bekend is: veel meer dus dan alleen het “hebban olla vogala”-zinnetje. Zo hebben taalwetenschappers vrijwel een gehele Oudnederlandse grammatica kunnen schrijven. Door gebruik te maken van zo’n grammatica heb ik de taalregels van het Oudnederlands consequent op de liedtekst kunnen toepassen.
Dat brengt ons bij het punt van de uitspraak waarmee Sanne’s verzoek eigenlijk begonnen was. Nadat de hertaling klaar was heb ik samen met haar de uitspraak van elk woord en elke zin doorgenomen. Deze historische uitspraak is taalkundig te achterhalen door taalreconstructie, een wetenschappelijke reconstructiemethode waar u hier meer over kunt lezen. Op deze manier zouden de woorden van de liedtekst als het ware ook duizend jaar geleden gezongen kunnen zijn, ergens in de duistere veenmoerassen van het Nederlandse rivierengebied.
resultaat
Under the Surface heeft deze liedtekst vervolgens op fenomenale wijze op muziek gezet in een album dat de Oudnederlandse taal met zijn exotische klanken op een unieke wijze bij een groot publiek brengt en bovendien nooit verveelt. Het resultaat kunt u hier beluisteren.
Het album is hier te bestellen. Wilt u meer weten over de mogelijkheden om teksten naar het historische Nederlands te vertalen, stuur mij hier dan een berichtje. Een paar dagen geleden verscheen over het album ook dit nieuwsbericht op Neerlandistiek, online tijdschrift voor Taal en Letterkunde.
Iedereen die bekend is met mijn taalhistorisch onderzoek weet dat ik de boeren en buitenlui van de middeleeuwen vaak een stuk interessanter vind dan de burgers en adel. Dit artikeltje gaat over een archiefstuk waarin de verschillende werelden dicht bij elkaar komen; de stedelijke administratie waarin adel en burgers de inkomsten uit erfrentes en boerengrondbezit regelen.
Het document dat mijn aandacht trok, bevindt zich in de schepenregisters van de stad Leuven. In het register van 1451 vond ik een kopie van een schepenbrief waarin gesproken wordt over de afhandeling van een geschil tussen edelman Jan van der Lek en de rekenmeester van de hertog van Brabant.[i] Merkwaardigerwijze wordt in deze schepenbrief ook het dorp Wouw genoemd, het West-Brabantse dorp waar ik ben opgegroeid en waar ik meerdere naamkundige artikelen over heb gepubliceerd.[ii]
De inhoud van de brief is niet eenvoudig. In dit artikeltje wil ik daarom kort uitleggen hoe de ontzettend gecompliceerde regeling die erin beschreven wordt, in elkaar zat en waarom ik het interessant vond.
Afbeelding van aanhef schepenbrief; SAL 7345, f. 83r
Huwelijk
Adriaan van der Ee – de rekenmeester van de hertog van Brabant – was op kerstavond van 1449 in het huwelijksbootje gestapt. Hij had een goede partij gevonden in de dochter van Jan van der Lek, telg van het machtige geslacht Van der Lek-Polanen. Als bruidsschat had heer Jan aan de familie van Adriaan driehonderd “saluuten” beloofd.[iii] Daarnaast zou zijn dochter honderd Rijnse guldens jaarlijkse erfrente ontvangen. Twee jaar later was deze som echter nog steeds niet betaald zodat Adriaan in het najaar van 1451 naar Leuven trok om daar met Jan van der Lek tot een vergelijk te komen. Op de tweede oktober lieten zij door de Leuvense schepenbank hun overeenkomst bekrachtigen.
Betalingstermijn
Zij spraken af dat de driehonderd gouden “saluuten” voor twee februari betaald zouden zijn en bij uitblijven van betaling Jan van der Lek uiterlijk twee weken na het verstrijken van de betalingstermijn een waardebrief ter waarde van 250 Bourgondische “klinkers” bij Adriaan thuis in Brussel af zou leveren.[iv] Deze waardebrief was een schuldbekentenis van zijn zwager, Hendrik van Bergen, de zoon van Jan II van Glymes (de heer van Bergen op Zoom en kasteelheer van Wouw). Als garantie voor de belofte dat Hendrik de schuld in naam van Jan van der Lek zou voldoen, had Jan zijn deel in de erfrenten op enkele landgoederen in de heerlijkheid Wouw als onderpand gegeven.
Wouw
De landgoederen waar het om ging, waren het goed Moerbeke – gelegen ten zuiden van de Heerlese buurtschap de Vijfhoek – en een landgoed op de “Zantberch” – gelegen ten zuidoosten van Kruisland – dat toentertijd in het Wouwse deel van het “gemeene lant van Wouwe en Roesendael” lag.[v] Bij uitblijven van betaling (in dit geval door Hendrik) mocht Adriaan de erfrenten op deze goederen, tot en met de waarde van driehonderd “saluuten”, te Wouw in ontvangst nemen. Enige conflicten die verder zouden ontstaan over het mogelijke verschil tussen de inkomsten uit de Wouwse goederen en de schuld zouden dan door onafhankelijke bemiddelaars voor de schepenbank van Leuven worden afgehandeld.
het middeleeuwse goed Moerbeke op de kaart van de heerlijkheid Wouw van 1758, (noord is links) ARR BoZ inv. 1347
Belofte maakt schuld
Mocht het nu voorvallen dat Hendrik van Bergen zou overlijden voordat Jan van der Lek zijn schuld had betaald, zouden beide delen in de erfrente op Moerbeke en de Zandberg (dus zowel het deel in deze inkomsten van Jan van der Lek als het deel van Hendrik van Bergen) aan Adriaan toevallen. Daarvoor moest hij wel eerst samen met zijn vrouw Cornelia naar het dorp Wouw toegaan om daar voor de vierschaar en het landrecht van Wouw gevestigd te worden als eigenaar van de grond.
De lezer zou zo de indruk krijgen dat deze zaak geheel dichtgetimmerd is. Toch blijkt dat niet zo te zijn want pas in 1512 slaagde de kleinzoon van Jan van der Lek erin de schuld van zijn grootvader aan Adriaan geheel te betalen.[vi] Of Adriaan en zijn vrouw naar aanleiding van deze zaak op enig punt toch nog naar Wouw zijn gereisd, heb ik niet vast kunnen stellen. Het lijkt mij echter wel waarschijnlijk gezien de Wouwse goederen de belangrijkste garantie waren totdat de schuld geheel voldaan was.
Conclusie
Kortom: we mogen concluderen dat Jan van der Lek zich diep in de schulden had gestoken voor het huwelijk van zijn dochter Cornelia. Wellicht wilde Jan zo invloed verwerven aan het hof van de hertog van Brabant. Ook kunnen we vaststellen dat Adriaan van der Ee – als hoveling van bescheiden afkomst – belangrijk genoeg was om de edelman tot betaling te dwingen. Dat daar de jaarlijkse erfrenten van het Wouwse grondbezit mee gemoeid waren hoeft niet te verbazen, want het was een belangrijke bron van inkomsten in het land van Bergen op Zoom. Zo kon het voorvallen dat op een rechtszitting in de Brabantse “hoofdstad” Leuven, een hoge edelman zoals Jan van der Lek en een rijke patriciër zoals Adriaan van der Ee, inkomsten uit Wouws boerenland bespraken.
[i] Het schepenregister geeft “Adriaen van der Ede” met hypercorrecte <d> als spelling.
[ii] SAL (= Schepenarchief Leuven) 7345, f. 83r-84v. Hier gedigitaliseerd.
[iii] Het geldbedrag in “saluuten” staat in de tekst gewaardeerd op vierentwintig en een halve stuiver (vermoedelijk Brabantse grote) per goudstuk.
[iv] Het geldbedrag in “clinckaerts” staat in de tekst gewaardeerd op veertien stuivers per goudstuk.
[v] J.B. van Loon. (1964). “Perceel en terreinnamen in het zuidelijk deel van Kruisland”. Jaarboek Ghulden Roos 24, 79-80.
De trouwe lezer weet inmiddels dat in mijn onderzoek historisch naammateriaal een grote rol speelt. Plaatsnamen en veldnamen uit middeleeuwse en vroegmoderne bronnen (bv. oorkondes en belastingregisters) bieden ons een uniek venster op de nederzettings- en landschapsgeschiedenis. Aan de hand van deze namen kunnen we heel even door de ogen van de middeleeuwers naar het landschap kijken en begrijpen hoe zij hun leefwereld hadden ingedeeld.
Komende tijd zal ik voor Golfbreker Radio, een radiozender die Amersfoort en omstreken bedient, iedere twee weken in het programma Actueel van Roel Mulder een plaatsnaam uit de omgeving Amersfoort etymologisch toelichten en uitleggen waarom juist deze naam historisch bijzonder of taalkundig interessant is.
afbeelding van Hengist en Horsa in de Pageant of British History
Twee weken geleden was de eerste editie van deze rubriek met een korte uitleg over de naam van het historische gehucht Henschoten bij Woudenberg. Tegenwoordig is deze naam nog bewaard in het Henschotermeer, een lokale recreatieplas.
het gehucht Henschoten op de postroutekaart van 1810
In het anderhalf minuten durende fragmentje leg ik uit dat deze naam waarschijnlijk een verwijzing naar een mythologische figuur bevat; de legendarische koning Hengist die samen met zijn broer Horsa vanaf het continent naar Brittannië voer en aan het hoofd van een Angelsaksisch leger het land op de Britten veroverde. Het geluidsfragment is hier na te luisteren.
Mocht u dit interessant vinden, luister dan komende zaterdag naar Actueel tussen 9 en 11 op Golfbreker radio voor een nieuwe etymologie!
In deze moeilijke tijden helpt het mij om afleiding te zoeken in het onderzoek. Af en toe kom ik dingen tegen die een glimlach op mijn gezicht toveren. Zo vond ik gisteren een antwoord op een onderzoeksvraag waar ik al maanden op zat te puzzelen en vandaag kwam ik de volgende totaal niet daaraan verwante wetenswaardigheid tegen die ik u niet wilde onthouden.
Om het verhaal voldoende op waarde te schatten, moeten we terug naar een blogartikeltje dat ik ongeveer een jaar geleden schreef; het ging over een Brabantse boerin die in een middeleeuws belastingregister van omstreeks 1424 regelmatig voorkwam en Ymme die Lems heette; deze vrouw bezat landgoederen tussen Wouw en Roosendaal, voornamelijk in de buurt van de gehuchten Spellestraat, de Triest en Vroenhout, straatgehuchten die elk uit ongeveer een twintigtal grote boerderijen bestonden.1
Ymme die Lems in het register van 1424
Wat ik interessant vond is dat de zes kinderen van Ymme die Lems in datzelfde belastingregister niet allemaal vermeld staan met een afstammingstoenaam die naar de vader verwees (een zogeheten patroniem) maar ook met een toenaam die naar de moeder verwees (een metroniem dus); zo staat zoon Godschalk in het belastingregister van 1424 opgetekend als Godscalc Ymme die Lemsf (= filius wat zoon betekent). Let op! In 1424 leefde haar man Adde uten Dale gewoon nog dus Ymme was geen weduwe (dat zou immers een andere verklaring zijn voor het voorkomen van een metroniem).
Godschalk Ymme Lems in het register van 1424
Wat mij betreft is dat een aanwijzing dat deze Ymme een belangrijke rol in haar gemeenschap speelde; het zou bijvoorbeeld kunnen dat ze van een betere afkomst was dan haar echtgenoot en daarom ook meer land bezat. Het feit dat de kinderen vermeld worden met de naam van hun moeder zou dan de lokale reputatie van deze vrouw en de machtsverhoudingen binnen de gemeenschap weergeven.
Onlangs was ik een belastingregister uit 1471 aan het doornemen en – wie schetst mijn verbazing – daar vond ik dezelfde Godschalk, zoon van Ymme, terug, bijna een halve eeuw na zijn eerste ‘optreden’ in het register van 1424. Ervan uitgaande dat Godschalk pas cijnsplichtig was nadat hij bij zijn huwelijk een eigen stuk grond kreeg toegewezen en hij pas toen in het register van 1424 vermeld kon staan moet hij omstreeks 1471 toch redelijk op leeftijd geweest zijn (wellicht rond de 70 jaar oud?). Kennelijk was Godschalk op deze vrij bejaarde leeftijd nog steeds gekend als “de knul van Ymme Lemsdochter” want hij staat in het register van 1471 opgetekend als godscalck ymme lems die samen met een zekere “hein de vissche(re?)”drie Vlaamse penningen betaald heeft.2 En ja, dat deze zeventig jaar oude boer met de naam van zijn moeder vermeld stond, vond ik toch enigszins grappig.
Godschalk Ymme Lems in het register van 1471
Voetnoten
1 Aan de kant van de weg stonden de grote boerderijen en aan de akker bevonden zich dan weer tientallen kleinere boerderijtjes waar de pachters woonden. Zo waren in deze drie buurtschappen in de vijftiende eeuw meerdere honderden mensen woonachtig.
2 Opvallend is dat Godschalk volgens het register van 1471 kennelijk toen nog de enige levende zoon van Ymme die Lems was.
Bibliografie
AAR BoZ inv. 1338, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw, met de gehuchten onder Roosendaal, Kruisland en Langendijk, 15e eeuw (gedateerd op 1424 in Kerkhof 2020)
AAR BoZ inv. 1349, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Roosendaal, Kruisland en Langendijk, 1471.
Kerkhof, P.A. (2020). “Saer, Saert; een Zuid-Nederlandse veldnaam van oznekere oorsprong.” Noordbrabants Historisch Jaarboek 37, 66-84.
Twee weken geleden bood de Belgische stad Lier publiekelijk excuses aan voor een heksenproces uit 1590. In dat jaar werd de ongelukkige Kathelyne van den Bulcke ter dood gebracht wegens vermeende omgang met de duivel. Op Twitter barstte vervolgens een discussie los over de zin en onzin van dergelijke excuses. Een collega-historicus merkte voorzichtig op dat zolang zulke gebaren bijdragen aan historisch bewustzijn, iedereen erbij wint. Dat zou ook mijn insteek zijn, met de kanttekening dat het belichten van historisch onrecht in de eerste plaats moet dienen om het verleden in zijn context te plaatsen. Ik ben er dus geen voorstander van om historische casussen te gebruiken ter ondersteuning van hedendaagse maatschappelijke kwesties of om moderne moralistische denkbeelden te onderstrepen.
Heksen zonder context
Het nieuwtje over de heksen-excuses deed me aan het heksenmuseum in Oudewater denken dat ik verleden jaar bezocht had. De trouwe lezer zal zich herinneren dat mijn voornaamste bezwaar tegen de opzet van dat museum was dat er geen context werd gegeven aan de vraag waarom de zestiende en zeventiende-eeuwse tijdgenoot in heksen geloofde. In mijn blogartikel probeerde ik vervolgens uit te leggen dat hierbij rationele beweegredenen en algemene psychologische neigingen een rol spelen en het heksengeloof dus echt niet terug te voeren is op de domheid van onze voorouders. Massahysterie, complot-denken en wantrouwen binnen de gemeenschap komen namelijk ook in ons huidige tijdsgewricht veelvuldig voor.
de waag in Oudewater
Befana
Daar komt bij dat her en der in Europa ook nog sporen te vinden zijn van een andere kant van het heksengeloof. Een prachtig voorbeeld hiervan is de Befana, de Italiaanse goedwillende toverheks die op de avond voor driekoningen op een bezemsteel door de luchten vliegt. Deze oude vrouw in gehavende lompen komt deze avond door de schoorsteen de huizen binnen, laat cadeautjes in de sokken van de kinderen achter en sluit zo de kerstperiode af. Het moge duidelijk zijn dat de Befana-traditie wel iets weg heeft van onze Sinterklaastraditie aangezien ook de Befana een dubbelrol speelt als kindervriend en kinderschrik. De Befana ziet er namelijk oud en onooglijk uit (heeft soms een zwartgemaakt gezicht) en straft de ondeugende kinderen door houtskool in hun sokken achter te laten. De Befana is natuurlijk ook ten prooi gevallen aan de commercialisering; rond deze tijd verkoopt men in Italië in alle supermarkten poppen van de Befana en sokken vol snoepgoed.
befana optocht in Urbania
Hoe oud is de Befana traditie?
De Befana-traditie is in de huidige vorm verbonden met de viering van Driekoningen, de Epifania in het Italiaans. Het woord Befana is heel duidelijk van het woord Epifania afgeleid. Een heksenfiguur met de naam Befana wordt voor het eerst in een gedicht uit de vroege zestiende eeuw genoemd maar het is erg waarschijnlijk dat ze al een stuk langer bestond. Elders in Europa was er namelijk ook een heks met de nieuwjaarsviering verbonden; de heks Berchta die in delen van Duitsland en Zwitserland, ook rond de jaarwisseling, huishoudens zegende en kinderen met snoep begunstigde. Elders in Duitsland werd deze heks Frau Holle genoemd, een mythologische figuur uit het volksgeloof waarvan bekend is dat ze in de tiende eeuw al aanbeden werd. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat al deze tradities op enige manier uiteindelijk teruggaan tot de voorchristelijke periode waarin een godin verbonden was aan de nieuwjaarsviering.
illustratie van een Italiaanse Befana
Italiaans volksgeloof
Daarnaast kennen we uit Italië ook een ander voorbeeld van een oude heksentraditie die weinig of niets met de theologie van de kerk te maken lijkt te hebben. In zestiende-eeuwse processtukken uit Friuli (een provincie in het noordoosten van Italië) wordt gesproken over een wijdverspreid geloof in zogenaamde benandanti, tovenaars die op bezemstelen konden vliegen, demonen bevochten en het boerenland vruchtbaar hielden. Saillant detail; de benandanti zouden tijdens hun nachtelijke tochten met venkelroedes de vrouwelijke demonen te lijf zijn gegaan. Uit de getuigenverklaringen wordt echter duidelijk dat de benandanti zelf dachten niks onchristelijks gedaan te hebben. Het bevechten van de demonen deden ze in naam van God en ook het veiligstellen van de oogst en genezen van ziektes rekenden zij onder godsvruchtige bezigheden. Ook interessant; in vroegmoderne processtukken uit het pas gekerstende Oostzeegebied komen we (met iets andere details) het zelfde volksgeloof tegen. Dit betekent waarschijnlijk dat de Italiaanse benandante-traditie erg oud is.
Meer nuance
Het is jammer dat deze kant van het heksengeloof nauwelijks een rol speelt in hoe musea en erfgoedinstellingen omgaan met de heksenprocessen. Vaak blijft de focus beperkt tot het slachtofferschap van degenen die het leven lieten tijdens de heksenvervolgingen. Dat is een gemiste kans, want het heksengeloof biedt een venster op een rijk en complex deel van de vroegmoderne belevingswereld. En om terug te komen op de excuses voor het heksenproces in Lier: ik zou willen voorstellen dat dergelijke symbolische gebaren voortaan gepaard gaan met het presenteren van een genuanceerd beeld van de historische beleving. Een beeld waarin de volkscultuur van destijds geduldig wordt uitgelegd en waarin voldoende aandacht is voor de oorsprong van dergelijke tradities. Zo kunnen bijvoorbeeld ook vergelijkbare volksgebruiken uit landen als Marokko en Turkije worden betrokken, wat mogelijk bijdraagt aan meer intercultureel begrip. En dat zou pas echt winst zijn.
Niet iedereen weet dat de historische taalkunde vrij nauwkeurig kan bepalen hoe het Nederlands van de zeventiende eeuw geklonken moet hebben. Om de taal en tekst van de zeventiende eeuw dichter bij het grote publiek te brengen, hebben Ineke Huysman (Huygens ING) en ikzelf een podcastaflevering gemaakt over het gesproken Nederlands van driehonderdvijftig jaar geleden aan de hand van het reisjournaal (1645-1647) van de gebroeders de Witt. De reisaantekeningen van Johan de Witt worden hierin voorgelezen met de authentieke klanken van toen.
Podcast
In de podcast bespreken wij de Grand Tour van de gebroeders de Witt, de tegenstellingen tussen de correspondentietaal van Johan de Witt en de taal van zijn reisaantekeningen, de gekunsteldheid van het geschreven zeventiende-eeuwse Nederlands en hoe wetenschappers desondanks toegang kunnen krijgen tot de alledaagse uitspraak van toen. De podcast is hier te beluisteren.
YouTube
Daarnaast hebben wij een YouTube-filmpje gemaakt waarin een kleine selectie van De Witts reisaantekeningen in woord en beeld te volgen zijn. De lezer met archief-ervaring kan zo zelf meelezen met de handgeschreven aantekeningen van Johan de Witt in hoogsteigen persoon!
Terug in de tijd naar de Zeventiende Eeuw
Tot slot wil ik nog even benadrukken dat dit de eerste keer is dat het zeventiende-eeuws Nederlands met de oorspronkelijke klanken (die wel iets van het Zuid-Afrikaans wegheeft) aan het grote publiek wordt gepresenteerd. We hopen dat het zo een positieve rol kan spelen in de algemene interesse in Johan de Witt en de Zeventiende Eeuw en natuurlijk in de historische taalkunde. Want wie wil er nu niet terug naar de tijd van Rembrandt en Huygens en horen hoe zij gesproken hebben?
Wetenschappelijke leestips
Bree, C. van, Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands, 2e uitgave (S.l.: Universiteit Leiden, 2016)
Loon, J. van, Historische fonologie van het Nederlands, herziene uitgave (Deurne: Universitas Books, 2014)
Schönfeld, M., Loey, H. van, Clement, A., Schönfeld’s Historische grammatica van het Nederlands: klankleer, vormleer, woordvorming, 6e druk. (Zutphen: Thieme, 1960)
In 1480 werd een ordonnantie tussen de heer van Bergen op Zoom en de stad Dordrecht opgesteld over de veerdienst tussen Oudenbosch en Dordrecht. Het archiefstuk geeft een mooi inkijkje in hoe deze middeleeuwse vervoersdienst behoorde te functioneren. Je zou het kunnen vergelijken met het reglement voor een train of tramdienst.
Kaart waterlopen ca. 1500, landschapsreconstructie volgens Vos e.a. 2018
Route
Welke route de veerboot in de vijftiende eeuw precies nam wordt in dit archiefstuk niet toegelicht. Ik vermoed dat men via het riviertje de Mooiekene naar het Hollands Diep voer. Volgens zestiende-eeuwse kaarten heetten de daar gelegen vaargeulen toentertijd Buttervliet en Wijvekene (de naam Hollands Diep komt pas voor het eerst in de zeventiende eeuw voor).
Kaart van den verdronken Zuid-Hollandse Waard 1560met Dordrecht linksboven
Inhoud
Hieronder volgt een samenvatting van de bepalingen vertaald naar het Modern Nederlands. Voor de oorspronkelijke tekst, zie de bronnenuitgave van Moll (1916: 124-126).
De veerman dient met een goede gezel en een goed schip de overtocht te maken.
Een overtocht kost tien stuivers, of je nu alleen komt of met een groep van tien.
Iedere persoon meer dan tien moet een stuiver betalen.
Er mogen niet meer dan dertien personen in één boot.
Arme mensen en kinderen jonger dan twaalf reizen voor half geld.
De veerman moet als het tij opkomt voordat de veerboot afvaart met een klepperlangs alle herbergen van Oudenbosch gaan en het aanstaande vertrek van de veerboot aankondigen door “Tordrecht, Tordrecht” te roepen. In donker weer moet hij deze rondgang met een lantaarn in de hand doen.
Hetzelfde moet de veerman doen in Dordrecht.
Men mag alleen mensen afzetten in Dordrecht en Oudenbosch en dus niet halverwege tenzij het om ridders of bodes van de landsheer gaat.
De veerman mag gebruik maken van de havens van Oudenbosch en Dordrecht.
De veerman zal betrouwbaar en rustig zijn werk doen zodat de reizende kooplieden daar geen last van ondervinden.
De veerman mag niet zonder reden onbeleefd zijn tegen de passagiers.
Tijdens de jaarmarkten zullen alle veerboten tegelijkertijd varen om zoveel mogelijk mensen over te kunnen zetten.
Als de veerman af wil varen en er komt nog iemand aan die een teken geeft dat hij mee wil moet de veerman op deze persoon wachten tenzij er een andere veerboot klaarligt om deze persoon mee te nemen.
Niemand anders dan de voorschreven veermannen mogen deze veerdienst bedienen.
De heer van Bergen en de stad van Dordrecht beloven elkaar dat dit het definitieve document is voor de regeling van de veerdiensten. Men mag niet eenzijdig veranderingen aanbrengen. Dit op een boete van veertien schellingen Vlaamse groten.
Bootjes op de Brabantse binnenwateren op de Scheldekaart van 1505
bibliografie
Moll, W. (1916). ‘Middeleeuwsche rechtsbronnen van het platteland der Heerlijkheid Bergen op Zoom’. in: Verslagen en mededeelingen van de vereniging tot de uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, 7e dl. no. 1, blz. 124-126.
Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans (2018). Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus).
Aan het einde van de zomer bezocht ik het zestiende-eeuwse waaggebouw van Oudewater. Het is een prachtig stadsmonument gelegen in de binnenstad van Oudewater dat meer dan vier eeuwen oud is. In het gebouw is een klein museum gevestigd (museum de Heksenwaag) waar aandacht wordt geschonken aan de heksenprocessen van de vroegmoderne periode en hoe de gemeentelijke wegingscertificaten van Oudewater hierin een bevrijdende rol konden spelen.
Heksenwaan
Alhoewel het museum met zijn bescheiden opzet een aantal mooie stukjes lokale geschiedenis aanbood, ging ik toch een beetje teleurgesteld naar buiten. De heksenprocessen worden namelijk niet in een breder cultureel kader geplaatst en in sommige informatiepanelen wordt onze zestiende- en zeventiende-eeuwse voorgangers zelfs onwetendheid en paranoia aangewreven.
Wat mij betreft had men er goed aan gedaan ook uit te leggen waaróm mensen in heksen geloofden. In veel delen van de wereld is het geloof in heksen namelijk nog steeds een belangrijk deel van de religieuze belevingswereld en uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat heksengeloof helemaal niet irrationeel is.
Nulsomspel
Volgens cultureel-antropologen ontkennen samenlevingen waarin heksengeloof een deel van het geloofssysteem vormt niet zozeer alledaagse oorzakelijkheid maar zoekt men een achterliggende reden achter de directe oorzaak van de tegenspoed. Dit vanuit een algemene tendens binnen de menselijke psychologie om geluk en welvaart als een nulsomspel (zero-sum game) te zien.
Het principe van het nulsomspel werkt als volgt; als er een cake te verdelen is dan zijn idealiter alle stukken even groot. Als één iemand een groter stuk heeft komt dat doordat iemand anders een kleiner stuk heeft. Natuurlijk kun je de verdeling van voorspoed en welbevinden niet vergelijken met het verdelen van een cake maar psychologisch voelt dat wel zo. Het gebrek van de één komt voort uit de overvloed van de ander en er is dus een achterliggende reden voor de tegenspoed die je overkomt.
Vroegmoderne tegenspoed
Deze cognitieve vertekening (cognitive bias) uit zich op veel manieren binnen het menselijke gedrag en verklaart waarom een zestiende-eeuwse tijdgenoot bij grote tegenspoed kon vermoeden dat er een boosaardige partij verantwoordelijk was; een jaloerse buurvrouw, het alleenstaande kruidenvrouwtje buiten het dorp. Men kwam dus niet tot deze conclusie omdat men geen directe oorzaken voor een onverwacht overlijden in de familie of een veeziekte kon aanwijzen, maar omdat men geloofde dat er een achterliggende reden achter de directe reden moest liggen.
zeventiende-eeuws heksenproces in videospel “little hope’
In een kwetsbare vroegmoderne samenleving waar pech en rampspoed een hardwerkende burger aan de bedelstaf kon brengen was het hekserijgeloof één van de manieren waarop de tijdgenoot tegenslagen probeerde te duiden.
Begrip
Het lastige is natuurlijk dat de heksenprocessen van de zestiende en zeventiende eeuw duizenden mensen in vroegmodern Europa het leven hebben gekost. Het is daarom begrijpelijk dat dit historische verhaal vaak teruggebracht wordt tot een evolutionaire ontwikkeling waarin onwetendheid uiteindelijk door de voortgang van de wetenschap en de triomf van de rede overwonnen is. Op deze manier houdt onze omgang met deze erfenis echter iets krampachtigs en moeizaams .
Ik zou daarom voor willen stellen dat men ook buiten de wetenschap de moeite neemt het historische heksengeloof zonder paternalisme onder het voetlicht te brengen en probeert uit te leggen waarom onze vroegmoderne voorgangers vast hielden aan het idee dat hekserij een rol speelde in tegenspoed.
Conclusie
Hekserijgeloof hangt dus samen met een algemeen verschijnsel binnen de menselijke psychologie en is geen teken van culturele achterlijkheid of domheid. Suggesties dat dat wel zo zou zijn doen geen recht aan het intellect en de culturele interpretatiekaders van onze voorouders en van talrijke niet-westerse samenlevingen over de hele wereld. Een kentering in de publieke omgang met het westerse hekserijgeloof zou daarom niet alleen onze waardering voor ons eigen immateriële erfgoed ten goede komen maar ook de verdraagzaamheid richting soortgelijke geloofssystemen in andere culturen.
Bibliografie
Bowie, F. (2006). The anthropology of religion : an introduction. 2nd ed. Malden (Mass.): Blackwell.
Segal, R. Alan. (2006). The Blackwell companion to the study of religion. Malden (Mass.): Blackwell.