Ocean’s Eleven in achttiende-eeuws Harderwijk

In 1730 slaat een groep inbrekers een grote slag in het hartje van de ommuurde stad Harderwijk. Het slachtoffer? Burgemeester Oosterbaan. Wat hieraan voorafging, is een fascinerend verhaal waarvan met een beetje fantasie zo een misdaadfilm gemaakt kan worden.

Inbrekersleutel ca. 1700. bron: London Museum

Ons verhaal begint met een loterij in Harderwijk gehouden in 1724. Na de trekking probeerden twee Joodse mannen de prijs van tienduizend gulden op het winnende lot op te eisen: Emanuel van Gelder en de Amsterdammer Efraïm Asser.1

Wat volgde was een lange rechtszaak die begon bij de stadsrechtbank van Amsterdam en eindigde bij het Hof van Holland, de hoogste rechtbank van de Republiek.2 Daar trok Emanuel definitief aan het kortste eind en het deel van de prijs dat zich in Amsterdam bevond werd daarom aan Efraïm toegewezen. De loterij van Harderwijk werd opgedragen ook de rest van het prijzengeld aan de Joodse Amsterdammer uit te keren.

De ruzie

Dit gebeurde niet. Sterker nog, de zaakwaarnemer van Emanuel van Gelder liet via de Harderwijkse rechtbank beslag leggen op het deel van de prijs dat zich in Harderwijk bevond. Daartoe was de rechtbank van Harderwijk niet bevoegd. Een sleutelfiguur in deze ontwikkeling was de directeur van de loterij én burgemeester van de stad Harderwijk, Peter Oosterbaan.

Efraïm was hier zo nijdig over dat hij bij het Hof van Holland diezelfde burgemeester Oosterbaan persoonlijk aansprakelijk stelde voor het uitblijven van de betaling. Daarom werd de burgemeester in 1729 bij een bezoek aan Amsterdam door de schout hoogstpersoonlijk gearresteerd en naar de gevangenis in Den Haag gebracht. Dat was zeer uitzonderlijk. Een Gelderse regent in de Haagse Gevangenpoort.

Uit de Resolutiën van de Heeren Staten van Holland en West-Friesland 1729

De ontbrekende schakel

Het hof van Gelre stuurde daarop een dringend verzoek naar Den Haag om de burgemeester vrij te laten. Hoe de zaak verder afgelopen is, kon ik zo gauw niet vinden. Het lijkt mij waarschijnlijk dat het Amsterdamse deel van het prijzengeld bij Efraïm Asser is gebleven en het Harderwijkse deel bij de zaakwaarnemer van Emanuel van Gelder. Hoe dan ook, de wederzijdse weerzin tussen de Harderwijkse burgemeester en de Amsterdammer zal er niet minder om zijn geworden. Vandaar dat de volgende gebeurtenis, overgeleverd in een compleet ongerelateerd strafdossier uit 1737, me intrigeerde. 

De kraak

In het najaar van 1730, een jaar na de vernederende arrestatie in Amsterdam, werd er ingebroken in het huis van burgemeester Oosterbaan aan de Harderwijkse Vismarkt. Een groep gauwdieven met connecties in de Joods-Amsterdamse onderwereld forceerde de deur en stal alles wat los en vast zat, van kleding en gouden knopen tot en met het zilveren servies. De inbraak was een uitzonderlijk goed voorbereide kraak voor een groep gauwdieven die normaliter alleen boerderijen, koetsen en schuiten beroofden. Sommige bendeleden stonden op schildwacht, anderen braken de deur open en weer anderen waren alleen betrokken bij het wegsmokkelen van de buit. Ocean’s Eleven, minus de glamour, in achttiende-eeuws Harderwijk.

De vispoort te Harderwijk, Springer 1862. bron: Rijksmuseum

Theorie

Het lag ook niet voor de hand om een regentenhuis binnen de stadsmuren te beroven. Waarom nam de bende toch het risico? Daarover heb ik de volgende (zeer speculatieve) theorie.

Volgens de bekentenissen van de daders ging het om een groep die geregeld naar Amsterdam reisde om het gestolen goed in de Jodenbreestraat te verkopen. In augustus van 1730, enkele weken voor de kraak in Harderwijk, had dezelfde bende een boerderij bij Meppel overvallen.3 Deze overval was uitgelopen op een roofmoord, maar al met al leverde de roof toch nog een aardige buit op. 

Zou het niet kunnen dat de betrokken gauwdieven de buit van de Meppelse roofmoord in Amsterdam verkocht hebben?4 Dat ze in een kroeg de wrokkige koopman Efraïm Asser tegen het lijf liepen die hen had voorgehouden dat in Harderwijk, bij Oosterbaan duizenden guldens aan loterijgeld lagen opgeslagen? Dit alles is niet te bewijzen, maar het zou verklaren waarom de bende toch weer naar Gelderland trok ondanks dat ze daar gezocht werd.

Extract uit de bekentenis van Jan Willemze Krieger over de kraak (1736)

Misdaadverhaal

Zo levert dit archiefmateriaal de grote lijnen voor een misdaadverhaal. Een groep bandieten die denkt de slag van hun leven te slaan en op de achtergrond een vete tussen twee voorname families uit een kwetsbare gemeenschap. Een Gelderse regent die partij kiest in de ruzie met de vernederende arrestatie in Amsterdam tot gevolg. Een respectabele Joodse koopman die zich uit rancune inlaat met het criminele circuit. En tenslotte het hoogtepunt: een spannende nachtelijke kraak in het midden van het ommuurde stadje Harderwijk. Tel daarbij op dat ook vrouwelijke bandieten bij de bende betrokken waren en het zou zo maar een Ocean’s Eleven of Guy Ritchie film kunnen worden. 

Conclusie

Zie hier de fantastische kronkels die mijn brein soms maakt. Een therapeutisch gedachte-experiment voor een historisch zijspoor dat veel te wild rondslingert om door mij uitgeplozen te worden. Waarom zie ik deze film niet zo snel gemaakt worden? Historische films met goede acteurs, authentieke kostuums en overtuigende decors zijn duur. Ook moet het voorgestelde lijntje van de Joodse loterijruzie naar de Amsterdamse onderwereld zorgvuldig behandeld worden. Er zijn immers al veel te veel stereotyperingen over Joden in het criminele circuit. 

Vooralsnog bestaat de misdaadfilm over de Harderwijkse kraak daarom alleen in mijn hoofd, hoe jammer dat ook is. Maar als een TV-producer dit leest en toch potentie in het verhaal ziet, stuur mij vooral een mailtje. Ik ben graag als historisch-consulent betrokken. 

Voetnoten

1. Het lot stond op naam van Emanuel, maar die woonde in Düsseldorf en had het lot bij een zekere Marcus Heyman in beheer gegeven. Marcus had het fysieke lot vervolgens aan zijn zwager gegeven en die zwager was Efraïm Asser.

2. De rechtszaak begon voor de schepenbank van Amsterdam omdat een deel van het prijzengeld daar in bewaring was. De zaak eindigde voor het Hof van Holland omdat het de hoogste rechterlijke instantie van de Republiek en het hoogste hof van beroep was.

3. Over deze roofmoord, ook wel bekend als de Knijper Sluismoord, is in Drentse publicaties meermaals geschreven. Ook in dit blogartikel van mij komt de moord ter sprake.

4. Volgens hun eigen verklaringen hadden ze de buit overigens in Zwolle verkocht.

Wetenschappelijke verantwoording

De rechtbankstukken van het Hof van Holland en de Harderwijkse schepenbank zijn te vinden in de Resolutiën van de Heeren Staten van Holland en West-Friesland van 1729 en het gedrukte stuk Schrijven van de burgemeester en schepenen van Harderwijk aan de staten van Gelre uit 1729. De geraadpleegde archiefstukken bevinden zich in Tiel in het Regionaal Archief Rivierenland, toegang 3185 Gerechtelijk Archief Zaltbommel, inv. nr. 54, inv. nr. 2420.

Verraad in de Bommelse ‘Wolfskuil’

Illustratie: A.E. Kerkhof

Een koude zaterdag in februari

Zaterdagmiddag 8 februari 1738. Het is winter en bar koud in de Gelderse gevangenis waar Johannes Hendricus Sticksner opgesloten zit. Johannes is 22 jaar oud, kleermaker van opleiding en afkomstig uit Düsseldorf. Nu zit hij al een half jaar in Zaltbommel in hechtenis. Voetstappen klinken op de gang. De gerechtsbode. Een onaangenaam gevoel bekruipt hem. Wat als Jan met de schepenen heeft gepraat, denkt hij. Het zou toch niet. Hij probeert zichzelf moed in te spreken. Wat is het ergste dat kan gebeuren?

Vroegmoderne gevangenisdeur in Haastrecht. bron: RCE

Vergeten stemmen uit het archief

Johannes was een naïeve jongeman van begin twintig die in de marge van de achttiende-eeuwse samenleving leefde. Een vergeten stem in de geschiedenis. Opgegroeid in het Duitse Düsseldorf, raakte hij als tiener op het verkeerde pad. Hij trok van stad naar stad, dwars door de Duitse vorstendommen naar de Republiek. Soms bedelde hij, soms stal hij kleding uit huizen die hij voor een habbekrats verkocht. Wat we over Johannes weten, komt uit processtukken van de rechtbank van Zaltbommel die in Archief Rivierenland te Tiel bewaard worden: een tragisch verhaal over armoede, same-sex desire en naïviteit.

Johannes: een leven op hol

Johannes werd rond het jaar 1715 geboren in Düsseldorf, dat toen deel uitmaakte van het hertogdom Gulik-Berg. Hij groeide op in een huis op de Nieuwe Brug naast een bakkerij waar een klok aan de gevel hing. Zijn vader, Simon Sticksner was metselaar. Zijn moeder, Geertruyd Waels, had een winkeltje in levensmiddelen, een komenijwinckel zoals dat toen heette. Thuis werd Johannes geregeld geslagen. Hij ging op zijn twaalfde aan de slag als kleermakersleerling, maar dat beviel hem slecht. De ene baas betaalde te weinig, de andere brak zijn arm.

Plattegrond Düsseldorf ca. 1730. Illustratie: A.E. Kerkhof

Op zijn zeventiende besloot Johannes de benen te nemen. Een jaar lang werkte hij op de riviervaart naar Amsterdam. Daarna zwierf hij als dagloner door de heuvels van de Brandenburgse vorstendommen Kleef, Meurs en Mark. Op een van zijn zwerftochten kwam hij Katrien Elisabeth tegen. Deze ervaren dievegge besloot de jonge Johannes onder haar hoede te nemen en liet hem op de uitkijk staan, terwijl zij huizen binnensloop en kleding stal. Soms zat het mee en hadden ze geld voor eten, drinken en een slaapplaats. Soms zat het tegen en leden ze honger en kou. Zo leefden zij van dag tot dag.

Kaart Republiek en naburige gewesten. Illustratie: A.E. Kerkhof

De ontmoeting

Johannes’ leven veranderde in 1735 toen hij in het graafschap Kleef de Schiedammer Jan Hartman ontmoette. Katrien was inmiddels van het toneel verdwenen en Johannes was onder de indruk van de ervaren Hollandse gauwdief die jarenlang in een bende had gezeten. Een korte tijd gingen Jan en Johannes samen uit bedelen; gekleed in een zeemansbroek met ontbloot bovenlijf deden ze alsof ze schipbreuk hadden geleden en als medelijdende weldoeners dan kleren aan hen gaven, konden ze die verkopen. Zo trokken ze samen rond en kwamen in de zomer van 1737 in de Bommelerwaard terecht. Daar werden ze aangehouden voor landloperij. De twee jongens werden naar het ‘gevangenhuis’ van Zaltbommel gebracht, een pand dat tegen het raadhuis aanleunde en ijzeren tralies voor de ramen had.

Illustratie: A.E. Kerkhof

Een zware beschuldiging

Toen Johannes op de tweede augustus 1737 door de rechtbank werd ondervraagd, moet hem de schrik om het hart zijn geslagen. De schepenen vroegen hem naar een zeven jaar oude roofmoord, gepleegd op een Drentse boerderij tussen Meppel en Steenwijk. Op 28 september 1730 was daar met veel geweld een boer met zijn huisgezin overvallen waarbij de boerin zwaargewond raakte en de boer overleed. Johannes hoort het met grote ogen aan. Daarna noemden de schepenen een hele reeks andere misdaden; een inbraak bij een burgemeester van Harderwijk, het stelen van wasgoed voor de Catharinapoort te Utrecht, de beroving van een trekschuit bij Groningen. Was hij daar bij geweest? Op elke vraag antwoordde Johannes beduusd nee. Johannes was daar niet bij.

Boerderij de Knijpe in 1905 waar in 1730 de roofmoord plaats vond. Over deze moord is al geregeld gepubliceerd. Bron: Fotoarchief De Wijk-Koekange nr. 10372

Jan Hartman en de bende

Wie daar wel bij was? Jan Hartman. De Schiedammer was de dag ervoor, op 1 augustus, verhoord en had zijn betrokkenheid bij deze misdrijven schoorvoetend toegegeven. Op dat moment waren zijn handlangers al tegen de lamp gelopen. Zijn aandeel in de misdrijven was dus ruimschoots bekend en ontkennen had geen zin meer. 

Jan Hartman werd rond 1712 in Schiedam geboren. Zijn vader was soldaat geweest in het Staatse leger, zijn moeder kwam uit het Brabantse Vught, maar beide ouders stierven voor hij vier jaar oud was. Jan groeide op in een weeshuis en sloot zich op twaalfjarige leeftijd aan bij een bende van gauwdieven en rovers, die toen al geruime tijd de Lage Landen onveilig maakte.

De namen van de bendeleden lijken zo uit een Baantjer-roman te komen. Rooie Toon, Jan met de Pleister, Pietje van Montfoort, Barent Snoek, Philips Bartel (domoor). Ook enkele vrouwen maakten deel uit van het beruchte gezelschap. De jonge Jan vond in deze groep lotgenoten zijn draai. Samen was overleven gemakkelijker dan alleen.

Zo reisde het gezelschap van stad naar stad; met valse sleutels en een breekijzer pleegden ze inbraken, met messen en pistolen overvielen ze reizigers, koetsen en schuiten. Op zeventienjarige leeftijd was Jan Hartman een geharde crimineel. Hij kende het klappen van de zweep, had al meerdere keren in rasphuizen gezeten en was bij vele tientallen misdrijven betrokken geweest. Maar als Jan op 1 augustus 1737 voor de schepenen van Zaltbommel zijn verklaring aflegt, is hij eerlijk. Johannes maakte geen deel uit van deze bende.

De Wolfskuil: wat er in de cel gebeurde

Normaliter zou na de verhoren en onderzoeken een spoedig vonnis volgen, maar door onenigheid in de stedelijke magistratuur werden de vonnissen uitgesteld. Zo maakte de nazomer van 1737 plaats voor de koude winter van 1738. Ergens midden januari werd Johannes bij Jan Hartman in de cel gezet, een ruimte die in de processtukken de “Wolfskuil” wordt genoemd. In de weken die volgden, lijkt er iets gebeurd te zijn tussen de twee mannen. 

Op 8 februari om vijf uur legde Jan voor de schepenen een verklaring af: Johannes zou hem meerdere keren met zijn geslachtsdeel in de hand benaderd hebben met de straffe woorden: “Ik wil mijn ding in uw gat steken!”. Jan zou geantwoord hebben “dat lust ik niet” en hem gewaarschuwd hebben dat dat “doodzondes” waren. Johannes zou hierop gezegd hebben: “Tut tut, is dat alles?” en hem daarna met geweld tot seks hebben gedwongen. 

Een uur later legde Johannes echter een geheel andere verklaring af. Hij zei dat Jan al weken geleden tegen hem had gezegd: “als gij een vrouwmens waart, zou ik u naaien”. Daarna zouden Jan en Johannes tien tot twaalf keer “malkanderen de natuur gemaakt hebben”. In deze eerste bekentenis van zaterdagmiddag en in een tweede bekentenis van zaterdagavond spreekt Johannes in veel details over wat er volgens hem tussen de twee mannen gebeurd is. Het lijkt alsof hij niet goed weet welke gevolgen een dergelijke verklaring kan hebben.

Interieur vroegmoderne gevangenis Zierikzee. Bron: RCE

Twee verklaringen, twee waarheden

Ondertussen was Jan Hartman in het najaar van 1737 al ter dood veroordeeld en zat Johannes enkel voor landloperij vast. Die ongelijke uitgangspositie roept aanvullende vragen op. Want waarom volgden de bekentenissen precies op 8 februari, vlak voor de terechtstelling van Jan Hartman op 10 februari? Misschien waren ze die middag betrapt en dacht Jan door Johannes te beschuldigen uitstel van zijn terechtstelling te kunnen krijgen? Hoe het ook zij, een nieuw onderzoek betekende in ieder geval nieuwe verhoren.

Diezelfde avond paste Johannes zijn verklaring over het incident aan: hij erkende dat er intieme handelingen hadden plaatsgevonden, maar verkleinde de ernst van het vergrijp; het was maar een aantal keer gebeurd en er was geen penetratieve seks geweest. Deze details waren juridisch belangrijk en het lijkt erop alsof Johannes dan beseft dat zijn leven in de waagschaal lag.

Maar wiens feitenrelaas is geloofwaardiger? De verklaringen van Johannes lezen spontaner en zijn rijk aan concrete details. Jan Hartman schoof de schuld vooral naar Johannes. Hijzelf zou alleen slachtoffer geweest zijn. Maar dat lijkt mij weinig waarschijnlijk; de intimiteiten waren volgens beide verklaringen al twee weken aan de gang. En laten we niet vergeten dat Jan een goede reden had om de waarheid te verdraaien. Zolang hij ondervraagd werd, stond hij niet op het schavot.

Verlangen en risico

De bekentenissen in het strafdossier zijn verrassend openhartig in taalgebruik en details. Johannes benoemde de seksuele handelingen als poedelen (bepotelen) en kiddelen (kietelen). Ook vertelde Johannes dat hij al op zijn negentiende ervaring had opgedaan met een Brandenburgse soldaat. Jan Hartman bekende eveneens een voorgaande ‘ontmoeting’: in het verleden zou hij een seksuele relatie hebben gehad met de bandiet ‘Jan met de pleister’.

Fragment bekentenis Johannes 8 februari 1738. Bron: Archief Rivierenland Tiel

Die bekentenissen sluiten aan op wat andere historische bronnen ons vertellen over homoseksualiteit in de achttiende eeuw. Ondanks de illegaliteit bestond er in die tijd een levendige subcultuur voor mannen die op zoek waren naar dergelijk contact. Deze clandestiene wereld moest zorgvuldig genavigeerd worden: Tussen 1730 en 1739 leefde in delen van de Republiek een hardvochtige vervolgingsdrift en zelfs als dergelijke escapades intiem en wederkerig begonnen, konden ze tragisch aflopen. Binnen dit spanningsveld is het aannemelijk dat voor wie toch al buiten de norm leefde, de drempel lager was om verboden verlangens te volgen.

Doodsangst en vonnis

Op 10 februari 1738 werd Jan Hartman terechtgesteld voor medeplichtigheid bij de roofmoord te Meppel. Hij werd langzaam geradbraakt, in het gezicht geblakerd en daarna onthoofd. Zijn stoffelijke resten werden op het galgenveld buiten de Gamerse poort tentoongesteld. Dat was het einde van de Schiedammer.

Plattegrond Zaltbommel ca. 1735 met locatie galgenveld. Illustratie: A.E. Kerkhof

Johannes kreeg een week later, op 17 februari 1738, zijn eigen aanklacht voorgelezen. Die loog er niet om: hoewel de kruimeldiefstallen van Johannes met geseling, brandmerking of verbanning ‘gecorrigeerd’ konden worden, stond op sodomie onherroepelijk de doodstraf. De strafeis? Johannes zou opgehangen worden. Het juridische bewijs voor de aanklacht leunde zwaar op de beschuldigingen van Jan Hartman. De aanklager achtte de bekentenis van de Schiedammer geloofwaardig omdat die nogmaals bevestigd was op maandag 10 februari, de dag van zijn executie.

Na de aanklacht stelde een pro-deoadvocaat een verweer voor Johannes op dat tien dagen later aan de rechtbank gepresenteerd werd. Tal van verzachtende omstandigheden komen hierin naar voren. Belangrijk was vooral dat Johannes nog nooit eerder veroordeeld was en de sodomie niet uitdrukkelijk bewezen kon worden. Alleen een poging tot sodomie was aannemelijk. Volgens het verweer moest de beklaagde daarom vrijgesproken worden. 

De dagen daarna wachtte Johannes op de uitspraak van de rechtbank. Op 3 maart 1738 haalde de gerechtsbode hem opnieuw uit zijn cel en kreeg hij in de rechtszaal van het raadhuis de sententie voorgelezen: hij, Johannes Hendricus Sticksner, zou op de plaats van justitie worden gegeseld en gebrandmerkt, en daarna voor veertig jaar in het tuchthuis van het vorstendom Gelre geïnterneerd. Na het vonnis verliet Johannes de raadzaal en stapte voor de laatste maal de drempel van het raadhuis over, terug naar het gevangenhuis van Zaltbommel.

Ommezwaai bij het Hof

Een paar dagen later werd het vonnis van Johannes ingeleverd bij het hof van Gelre maar dit was nog niet het einde van het verhaal. Meerdere weken gingen voorbij en eind maart zat Johannes nog steeds in de gevangenis. Wat was er nu aan de hand? Het hof van Gelre had bezwaar gemaakt tegen het vonnis. Want wist de rechtbank van Zaltbommel wel zeker dat er sprake was van sodomie en was het wel verstandig zo iemand in een tuchthuis vol met mannen te zetten?

Tuchthuis van Arnhem, 1718, L.M. Berkhuys. Bron: Gelders Archief

Een onderzoekscommissie moest onderzoeken of Johannes niet in een aparte cel kon worden gezet. En hier neemt ons verhaal voor de tweede maal een gelukkige wending. Het Hof constateerde dat internering niet mogelijk was en stelde daarom voor om de sententie van Johannes om te zetten in levenslange verbanning uit het vorstendom Gelre. De Bommelse rechtbank ging akkoord. Op 19 mei 1738 werd de herziene uitspraak aan Johannes voorgelezen. Wat moet hij opgelucht zijn. De littekens op zijn rug zouden verbleken. Het brandmerk kon hij verstoppen. Een tweede kans wachtte op hem. 

Slot

Hiermee komen we aan het einde van wat we over de ongelukkige Johannes uit Düsseldorf weten. Het is een verhaal vol verraad en onrechtvaardigheid, waargebeurd en rechtstreeks afkomstig uit het archief van de rechtbank van Zaltbommel. In deze tijden waarin queer-personen zich steeds minder veilig voelen, een sobere herinnering aan een periode in de Nederlandse geschiedenis waarin het leven nog veel moeilijker kon zijn. Maar gelukkig eindigde het leven van Johannes Hendricus Sticksner in het voorjaar van 1738 niet op het schavot van Zaltbommel. Zijn verhouding met een doorgewinterde beroepscrimineel werd hem bijna noodlottig, maar na maanden van opsluiting en een zware lijfstraf mocht hij eindelijk naar huis. Een hoopvol einde voor een tragische geschiedenis.

Wetenschappelijke verantwoording

De geraadpleegde archiefstukken bevinden zich in Tiel in het Regionaal Archief Rivierenland, toegang 3185 Gerechtelijk Archief Zaltbommel, inv. nr. 54, inv. nr. 2420, inv. nr. 2554.

Bibliografie

L.J. Boon (1997). ‘Dien godlosen hoop van menschen’. Vervolging van homoseksuelen in de Republiek in de jaren dertig van de achttiende eeuw. Eds. I. Schöffer, J. Roelevink, J.P. de Valk & A.J. Veenendaal Jr. Amsterdam.

D.J. Noordam (1984). ‘Homoseksuele relaties in Holland in 1776’. Regionaal-Historisch Tijdschrift Holland 1-1984, 3-34.

Noordam, D. J. (1995). Riskante relaties :1233-1733. : vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland, 1233-1733. Verloren.

T. van der Meer (1995). Sodoms zaad in Nederland. Het ontstaan van homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd. Nijmegen.

boekbespreking “Het IJzeren Veulen”

Ik wist van tevoren dat ik geen spijt zou krijgen van mijn laatste impulsaankoop want het fictiedebuut van historicus Enny de Bruijn ligt geheel in mijn straatje: een moordmysterie geïnspireerd door een historisch rechtbankdossier dat zich afspeelt op het zeventiende-eeuwse platteland? Count me in! Als taalhistorisch onderzoeker met een voorliefde voor plattelandsgeschiedenis en vroegmoderne processtukken spraken de setting en de premisse mij ontzettend aan. Aangezien het boek nog weinig besproken is in de pers, hier in ieder geval mijn bescheiden bijdrage om de belangstelling aan te zwengelen

De roman draagt de titel “het IJzeren Veulen” en gaat over een zeventiende-eeuwse moord in een klein Gelders dorp aan de rivier de Waal. Met veel passie voor historische details vertelt de auteur hoe in het Gelderse Herwijnen in 1676, slechts enkele zomers na het rampjaar, het leven van de 36-jarige Gijsbertje wordt opgeschud. Op een warme zomermiddag wordt het lichaam van haar oom, een deftige dorpssecretaris, levenloos teruggevonden bij een poldermolen die in de volksmond “het IJzeren Veulen” heet. Wie o wie heeft het gedaan? 

De verdachte bij uitstek is een lokale soldaat met de naam Jan Hous, het zwarte schaap van een andere belangrijke dorpsfamilie, die de dag voor de moord nog heet van woede had verkondigd dat hij de secretaris naar het leven stond. De verdenking wordt versterkt door het feit dat Jan Hous bescherming geniet van de lokale dorpsschout, een man die al jarenlang een vete voerde tegen de secretaris. Terwijl de familie van Gijsbertje probeert om de vermeende moordenaar veroordeeld te krijgen, probeert zij zelf uit te vogelen of Jan Hous het eigenlijk wel gedaan kan hebben. Zo lopen er twee verhaallijnen door het boek; de eerste gaat over het wel en wee van een boeren dorpsgemeenschap terwijl een complexe rechtszaak de gemoederen bezig houdt, de tweede gaat over Gijsbertje zelf die vanaf de zijlijn een apart broodkruimelspoor volgt om de toedracht van de moord boven water te krijgen en tegelijkertijd met verschillende gewetenskwesties worstelt; wat nu als iemand uit haar eigen kring er iets mee te maken heeft?

De Bruijn besteedt veel aandacht aan de gevoelswereld en overpeinzingen van de hoofdpersoon, een alleenstaande herbergierster met een vrome inborst en een groot loyaliteitsgevoel. De emoties en dilemma’s van Gijsbertje worden in het boek gevoelvol besproken, maar slagen er niet altijd in om de spanningsboog te ondersteunen. Ook was het gebrek aan agency van de protagoniste soms pijnlijk groot. Gijsbertje ziet het allemaal maar gebeuren, grijpt zelden persoonlijk in en komt vaak tot de conclusie dat het maar beter is om niks te doen. Zo bekroop het gevoel me soms dat ik een Thea Beckman-boek aan het lezen was, waarin de hoofdpersoon, het braafste meisje van de klas, luidkeels “nee” zegt als het avontuur op de deur klopt. 

Dat ik het boek desondanks verslond, ligt aan het talent van de auteur die de lezer een prachtige schets van de zeventiende-eeuwse dorpelingen en hun leefwereld biedt. De Bruijns proza is kleurrijk en treffend met veel aandacht voor historische details zoals huisraad, klederdracht en de plaatselijke topografie en veldnamen. De beschrijvingen van de akkers, het bakken van het brood, het wieden van de koolhof en zelfs de verpachting van de lokale belastingen; de Bruijn slaagt erin om de lezer door een aansprekend en detailrijk historisch decor te leiden. En dan heb ik het nog niet over de authentieke rechtbankverhoren die met veel smaak worden herverteld.

Als ik toch nog een puntje van kritiek mag aanvoeren: er wordt wel erg veel van de lezer gevraagd wat betreft visualiserend oriëntatievermogen. Ik heb dikwijls het kaartje uit het begin van het boek erbij moeten pakken want uit de tekst zelf is soms moeilijk te achterhalen hoe de verschillende locaties zich tot elkaar verhouden. Lag kasteel Drakenburg nu aan de westkant of de noordkant van het dorp. En de eendenkooien? En de weg naar Asperen? Als je al bekend bent met de lokale topografie is dat misschien geen probleem maar voor mij, als West-Brabantse verstekeling, was het een stuk moeilijker te volgen.

Nu mijn kindle weer vredig op het nachtkastje ligt, spelen er nog een aantal vragen door mijn hoofd: had het verteltempo van het verhaal niet wat hoger kunnen liggen en was Gijsbertje wel de juiste keuze om ons als hoofdpersoon langs de gebeurtenissen te leiden?  Waren de zijsporen en de red herrings wel interessant genoeg en had er in Herwijnen niet meer kunnen gebeuren tussen de moord en de ontknoping? Enfin, voor mij doen de antwoorden er eigenlijk niet zoveel toe. Ook al is “het IJzeren Veulen” geen detective waar je met sneltreinvaart doorheen vliegt, de vaardige vertelstijl, de historische expertise van de auteur en het fascinerende procesdossier dat als inspiratie diende, zijn voldoende reden om dit boek een kans te geven. Bovendien bevindt zich op de laatste pagina’s ook nog eens een ijzersterke verantwoording met bronvermelding en archiefsignaturen, waardoor mijn voorgevoel ruimschoots bewaarheid werd: ik heb geen spijt van mijn koop want als liefdesbetuiging aan de Gelderse plattelandsgeschiedenis is “het IJzeren Veulen” zeer geslaagd.

Dr. Alex (Alexia Elise) Kerkhof (Fryske Akademy)

Taalgrieven bij een Antwerpse herbergruzie in 1751

Jacob Cats, halte voor een herberg in zomertijd, ca. 1760

In de achttiende eeuw, toen Antwerpen onder Oostenrijks bewind stond, werd er in de stad zowel Nederlands als Frans gesproken. Het Frans was de omgangstaal van de Antwerpse magistratuur en bovenklasse, terwijl het Brabants-Nederlands (ook toen al vaak Vlaams genoemd) de moedertaal van het grootste deel van de bevolking was. Zelfs de ambachtslieden die veel aanzien en welvaart genoten, spraken vooral Nederlands. Ook na de Franse bezetting van Antwerpen in 1744-1748, bleef het prestige van het Frans overeind staan. Toch blijken er in deze periode wel degelijk taalgrieven te zijn geweest. Een intrigerend inkijkje in de alledaagse tweetaligheid van de stad bieden enkele getuigenissen gegeven voor de schepenbank van Antwerpen op de tiende september van het jaar 1751.

Nazomer in herberg Hoegaerden

Ons verhaal begint enkele dagen voor de tiende september, op de aangename nazomerdag van de achtste september 1751. Rond een uur of drie uur in de namiddag ging François de Bock – 28 jaar oud en advocaat van beroep – samen met zijn vrouw Regina Gomer – 27 jaar oud – naar herberg Hoegaarden. Deze herberg, ook wel Herberg Vandezande genaamd, lag ten zuidoosten van de stad, net buiten de Sint-Jorispoort en de daaromheen gebouwde verdedigingswerken. Het was het eerste huis buiten de stadsvesten en stond benoorden wat toen nog de Berchemse steenweg heette (de hedendaagse Mechelsesteenweg). François en Regina hadden bij de herberg met Petrus (31 jaar oud, goudslager en François’ broer) afgesproken om wat te drinken, te roken en te praten.

locatie van de herberg op de Ferrariskaart van ca. 1770

terrasruzie

Petrus, Regina en François gingen vermoedelijk op een terras achter herberg Hoegaarden zitten. Van daaraf had je uitzicht op de tuinen en op de bomenrij van de Langeleemstraat.1) Het gezelschap zat een uurtje te praten totdat Petrus zich excuseerde om in de keuken een pijp op te steken. Nadat zijn broer vertrokken was, zag François toevallig boven bij het open venster twee soldaten staan die hem en zijn vrouw brutaal aankeken. François besloot zijn dag niet door de heren te laten vergallen en keek weer naar beneden maar tegelijkertijd hoorde hij de militairen spottende opmerkingen maken. Daar bleef het niet bij en de soldaten begonnen naar beneden te spugen en steentjes te gooien.

François had er genoeg van en riep tegen de militairen omhoog: “un honête homme ne feroit point des choses pareilles” (een eerlijk man doet zulke dingen niet) waarna één van de soldaten naar beneden kwam om verhaal te halen. 2) De man, een grote officier van 27 jaar met een witte jas en rode omgeslagen mouwen, zei tegen hem in het Frans: “Jean-foutre, que veux tu?” (Jantje onbenul, wat wil je daarmee zeggen). François antwoordde in het Vlaams dat hij niks met hem te maken wilde hebben en gewoon verder wilde drinken. De soldaat werd boos en riep tegen hem: “parlez sakerdieu en françois, je vous parlerai” (spreek verdorie Frans, ik zal je eens wat zeggen)! François – die wel degelijk Frans sprak – zei dat hij daar geen zin in had en weigerde verder het gesprek aan te gaan.

de gebroken pijp

Omdat de ruzie veel bekijks trok, is de officier afgedropen en terug naar boven gegaan. François liep hem nog even achterna maar hield halt bij de deur van de woning en keerde terug naar zijn vrouw aan het tafeltje. Het had hier kunnen eindigen, ware het niet dat Petrus, de broer van François, net terug kwam en zag dat zijn broer danig overstuur was. Petrus vroeg zijn jongere broer wat er was gebeurd waarna François hem uit de doeken deed wat er was voorgevallen. Vervolgens besloot Petrus de herberg in te gaan. Later zou hij tegen de schepenbank zeggen dat hij daar zijn vrienden ging opzoeken, maar het is heel goed mogelijk dat hij alsnog de confrontatie met de onbeschofte soldaten aan wilde gaan.

Petrus ging de woning in en liep met zijn pijp in de mond de trap op richting de bovenkamer waar de soldaten zaten. Hij passeerde de kamer waar Jean-Baptiste Reijnier, meesterbakker van beroep, samen met zijn vrouw en een vriend zaten te drinken.3) In de bovenkamer vond Petrus in totaal vier soldaten waaronder de officier die zijn broer bedreigend had toegesproken. Petrus salueerde naar de militairen en is vervolgens bij het venster gaan staan. De jongste van de soldaten, een knul van een jaar of twintig, kwam toen op hem af gelopen, sloeg hem de pijp uit de mond en zei: “Jean-foutre, il ne t’est pas permis de fumer ici sans demander la permission” (Jantje onbenul, je mag hier niet roken zonder eerst toestemming te vragen). De pijp van Petrus viel op de vloer aan diggelen. Petrus vroeg hem toen: “À qui doit on demander la permission” (aan wie moet men dan toestemming vragen) waarop de soldaat het venster sloot zodat niemand van buiten kon zien wat er ging gebeuren en liep langzaam op Petrus toe. De Fransman gaf hem met veel geweld een slag tegen het hoofd en trok zijn degen. Het zag er niet goed voor Petrus uit.

de slag na

De gemolesteerde goudslager, zwaar in de minderheid, besloot de benen te nemen en rende uit de bovenkamer weg. Met geweld trok hij de deur achter zich dicht en riep “Jesus Maria“, de enige woorden die Jean-Baptiste Reijnier – die geen Frans verstond – van de ophef in de naburige bovenkamer had meegekregen. Jean-Baptiste zag wel dat de soldaat met een getrokken degen Petrus achtervolgde en hem op de trap van achteren een zwaardhouw gaf. De slag kliefde door Petrus’ jas en trof hem onder de rechterarm. Volgens Petrus drong het staal tot op het bot door. De soldaat keerde daarop terug naar de bovenkamer en Jean-Baptiste snelde de arme Petrus te hulp. Petrus zei hem “ik heb het spek weg” (ik ben getroffen).

Niet lang daarna zag François zijn broer naar beneden strompelen. François ontstak in woede (in coleir) toen hij merkte dat Petrus met een zwaard bewerkt was en hij trok zijn eigen degen om de eer van zijn broer te verdedigen. Hij rende de herberg in, maar de mensen beneden in de keuken hielden hem tegen, vrezend dat er meer gewonden zouden vallen.

François hervond zijn kalmte en besloot de stadswacht erbij te halen die vlak bij de herberg aan de Sint-Jorispoort een wachthuisje had. Bij het wachthuisje trof François een korporaal met twee stadswachten die beloofden hem te volgen om de soldaten te arresteren. François rende terug naar de herberg maar in de haast had hij niet opgemerkt dat de stadswachten hem niet gevolgd waren. Kennelijk hadden ze er geen zin in de confrontatie aan te gaan met zwaar bewapende soldaten.

wachthuisje ca. 1795, illustratie Pierre-Antoine-Joseph Goetsbloets (ms. II 1492)

François liep terug naar de poort maar de stadswachten waren nergens te bekennen. De mensen bij de poort vertelden hem dat de luitenant kolonel van het garnizoen op de stadsvesten stond en wezen hem in de juiste richting. François beklom de stadswal, liep naar de luitenant toe en vertelde wat er was voorgevallen. De luitenant besloot in te grijpen en gaf de stadswacht alsnog het bevel de zich misdragende soldaten uit de herberg weg te halen. Nadat de soldaten gearresteerd waren, gingen François, Regina en Petrus op huis aan.

Reinier Vinkeles 1776, arrestatie bij een herberg

Conclusie

Deze gebeurtenissen zijn gereconstrueerd uit de getuigenverklaringen van vier van de betrokkenen; François de Bock, Petrus de Bock, Regina Gomer en Jean-Baptiste Reijnier. Opvallend zijn de subtiele verschillen tussen de verklaringen. Zo parafraseert Regina de confrontatie iets omzichtiger dan dat François dat zelf doet. Ook beweert zij pas later gemerkt te hebben dat Petrus gewond was geraakt, wat niet erg waarschijnlijk is. Opvallend is ook dat Petrus verhaalt niet de herberg in te zijn gegaan met het plan de soldaten te confronteren maar om vrienden op te zoeken. Deze verklaring lijkt weinig overtuigend aangezien zowel François als Regina vertellen dat Petrus meteen na kennis te hebben genomen van de woordenwisseling naar boven was gegaan. Wat ook opvalt, is dat Jean-Baptiste – de meesterbakker – de ruzie in het Frans niet kon volgen of in ieder geval overtuigend kon beweren dat hij de taal niet sprak. Verder is een belangrijk plotpunt in het verhaal natuurlijk dat een vlot tweetalige magistraat zoals François de Bock weigerde de ruzie in de moedertaal van de soldaten uit te praten. Taal en identiteit gaan hier duidelijk hand in hand. Kortom: we krijgen hier een zeldzame inkijk in de taalattitudes van achttiende-eeuws Antwerpen; niet in een hoogdravend ideologisch geschrift over de Franse en Nederlandse taal, maar gewoon in de getuigenverklaringen over een alledaagse herbergruzie.

Voetnoten

  1. Aan de voorkant van de herberg bevonden zich een smederij en wat bouwmanshuisjes en was het vast minder fijn vertoeven. Dit blijkt uit het vergelijken van de ingetekende bebouwing op de Ferrariskaart van ca. 1770 met het kadaster van 1835.
  2. Volgens Regina waren François’ woorden: “Que ce n’ etoit point une maniere d’ agir pour un honéte homme”
  3. ln hetzelfde vertrek zat ook nog een groepje geestelijken (wat nonnen en een cellebroeder) maar aan hen is geen getuigenis afgenomen

bibliografie

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring Regina Gomer

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring Petrus de Bock

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring François de Bock

Ancien Régime Archief van de Stad Antwerpen (= ARAA), Hoge Vierschaer, Ondervragingen en Getuigenverklaringen, 1750-1752, verklaring Joannis Baptista Reynier

De moordvloer van Detzem: de oprichting van een Duitse buitengalg in 1731

Detzem is een klein dorpje aan de Moezel – niet ver van Trier – waar al tweeduizend jaar geleden een nederzetting stond. De naam Detzem gaat terug op het Galloromaanse decima leuga (10 mijlen), een naam die al in de Oudheid gegeven moet zijn en verwijst naar het feit dat Detzem tien Gallische mijlen van Trier vandaan ligt.

Deze blogpost gaat echter niet over plaatsnamen maar over een achttiende-eeuwse notitie over Detzem uit 1731 (vermoedelijk bewaard in een stadsboek), herteld door Jacob Grimm in 1841. In deze notitie wordt beschreven hoe de buitengalg van Detzem in 1731 werd opgericht. Alhoewel het oorspronkelijke handschrift waaraan Grimm de notitie ontleend heeft door een gebrek aan een bronvermelding moeilijk na te speuren is, zijn de details van dit relaas fascinerend…

Het Hochgericht van Detzem met de expositiegalg stond op de grens van de heerlijkheid op een bergweide bij de Schleicherberg die ook nu nog de Mordflur heet, vlakbij een beek met de naam Mordbache en een straat met de naam Mordstrasse. In de lokale veld- en waternamen rond het dorp is de herinnering aan de lugubere geschiedenis van deze plek dus bewaard gebleven.

gebied van het hooggerecht op de Tranchotkaart van het Moezelland van 1803-1820

Volgens het bericht uit 1731 ging de oprichting als volgt:

Toen de timmerlui bijna klaar waren met het maken van de stellage, begon de ceremonie. Allereerst stelden de Halsrechtmeier, de schepenen, de grondbezitters en schutters zich in een kring rond de galg op. Zodra de laatste pen in het houten bouwsel werd gestoken, trad de Amtmann, een beambte van het St-Maximins-klooster, naar voren. De Amtmann sloeg toen de eerste spijker in de pen. Vervolgens was het de beurt van de meier die de tweede spijker sloeg. Daarna mochten de schepenen hetzelfde doen en sloegen ook hun spijkers in de pen.

Vervolgens werd gezamenlijk – als gemeenschap – het bouwsel overeind gezet. Zowel de timmerlieden, de inwoners als de notabelen hielpen een handje mee. De Amtmann verklaarde toen plechtig dat dit voor niemands eer nadelig is. Het terechtstellen van misdadigers was immers geen eerzame aangelegenheid

Daarna begon de volgende stap van het ritueel. De Amtmann beroerde de galg feestelijk met zijn staf waarna de schepenen en de halsrechtmeier hetzelfde mochten doen. Ten slotte waren de gewone inwoners aan de beurt die dan geen staf hadden maar alsnog de galg met blote hand aanraakten.

Als afsluiting van de inwijding bevestigde de meestertimmerman een met bloemen versierde berkenstruik aan de galg en sprak een spreuk. Om het ritueel duidelijk in het geheugen van de jongste generatie te prenten wierp de rentmeester geldstukken naar de kinderen en vuurden de schutters ceremonieel hun geweren af…. Zo eindigt de hertelling van Grimm van de notitie uit 1731.

voorbeeld van een Expositiegalg bij het Freilichtmuseum Neuhausen

Wat ik vooral interessant vind aan deze historische anekdote zijn de details waarmee het plattelandsritueel beschreven staat. We krijgen als het ware een venster op een buitengewone gebeurtenis in een achttiende-eeuws dorpje aan de Moezel. Ook bemerkenswaardig is dat het ritueel plaats vindt op de limieten van de heerlijkheid (zie ook deze blogpost), in de liminale ruimte zoals antropologen dat zo mooi noemen. Het ritueel heeft duidelijk een hiërarchisch karakter (de vertegenwoordiger van het klooster gaat vóór de wereldlijke notabelen) maar schijnt vooral ter bevestiging van de autonomie en groepsidentiteit van de gemeenschap te dienen.

Wat ik me ook afvraag; zijn er in de vroegmoderne bronnen uit de Lage Landen ook zulke beschrijvingen van dorpse galginwijdingen bewaard gebleven? Hadden die een soortgelijk karakter of waren die juist wezenlijk anders? Ik ben wel bekend met vroegmoderne plattelandsrituelen die te maken hebben met de oprichting van grensstenen, huwelijken, dijkschouwingen en kapel- of kerkwijdingen maar eigentijdse voorbeelden van galginwijdingen ken ik niet. Mocht iemand een voorbeeld kennen, ik hoor het graag.

De herbouw van een 16e-eeuwse standerdmolen in het land van Bergen op Zoom

Al in de dertiende eeuw stonden er twee windmolens in de parochie Wouw (eerste vermelding in een oorkonde uit 1289, ONB I, nr. 1265). Deze windmolens waren standerdmolens, een molentype dat rond een centrale staak (de standerd) werd gebouwd. Dankzij deze standerd, die als draaias fungeerde, kon de molen de juiste richting op worden gedraaid.

Standerdmolen, Aegidius Sadler naar Jan Brueghel ca. 1580

Een van deze middeleeuwse molens stond ten zuidwesten van de dorpkom van Wouw, niet ver van de Bergsebaan. Deze molen werd indertijd de “westmoelen” genoemd. De andere molen – “de oostmoelen” – stond ten noordoosten van de dorpskom bij de heirweg naar Roosendaal en werd ook wel “de Veldtsche molen” genoemd vanwege het nabijgelegen “Veld van Spellestraat“.

locaties historische westmolen en oostmolen t.o.v. Wouwse dorpskom. Onderlaag: Google Maps

jaarrekening 1533

In 1533 liet de heer van Bergen op Zoom de westmolen afbreken en opnieuw opbouwen. Dankzij de jaarrekening van de rentmeester van Bergen op Zoom is er vrij veel over deze herbouw bekend (ARR BoZ inv. 954, f. 200-201). De reden voor de afbraak wordt niet gegeven maar we mogen vermoeden dat er een accute aanleiding voor was. We kunnen dan denken aan stormschade of brand. In 1530 was immers nog één van de molenstenen vervangen, dus een drastische renovatie waarvoor ook nieuwe molenstenen moesten worden gekocht, stond duidelijk niet in de planning.

De rentmeester van de heer van Bergen op Zoom gaf de bouw in opdracht aan Jan de Molenmaker die met zijn gezellen en aangeworven arbeiders aan het werk toog. Hij kreeg voor de bouw 150 karolus guldens betaald waarvoor hij het bouwhout en de standerd zelf moest bekostigen. Jan bedong wel als voorwaarde dat extra onvoorziene kosten na afloop alsnog gedeclareerd konden worden.

ARR BoZ inv. 954, f. 200v

kosten

Voor de herbouw werd een deel van het hout en ijzerwerk van de oude afgebroken molen gebruikt. Het oude ijzerwerk werd door de smid van Wouw omgesmeed tot nieuw ijzerwerk. De rest van de benodigde ijzeren onderdelen werden door de smid van Bergen op Zoom vervaardigd. Jan de slotenmaker kreeg de opdracht een nieuw “blockslot” voor de molen te maken en ook andere lokale ambachtslieden droegen aan de herbouw bij: extra bouwhout voor zolderplanken, spijkers e.d. werden in het dorp aangeschaft.

kostenpostbedrag (afgerond)
bouw van de molen (incl. arbeid, bouwhout & standerd)150 Karolus gulden + 7 gulden declaratie
molenstenen84 Karolus gulden
nieuw ijzerwerk23 Karolus gulden
omsmeden oud ijzerwerk7 Karolus gulden
spijkers11 Karolus gulden
nieuw blokslot14 stuivers
zolderplanken6 Karolus gulden
vervoer groot bouwhout & molensteen4 Karolus gulden
invetten nieuwe standerd met reuzel4 stuivers
geschenk van 1 ton bier1 gulden

Toen de standerd van de windmolen was opgericht schonk de heer van Bergen volgens de oude “costume” een ton bier aan de molenbouwer en zijn arbeiders. Voor het invetten van de standerd werd vier pond reuzel gebruikt. De molenstenen en de planken werden in Antwerpen gekocht en via Bergen op Zoom naar Wouw vervoerd. Vermoedelijk moesten ze daarna met veel moeite van de Bergsebaan naar de bouwplaats worden gesleept. De dorpelingen van Wouw verrichtten het sjouwwerk van het kleinere bouwhout gratis. Voor het grotere houtwerk en de molenstenen moesten grote wagens en boten worden gehuurd.

conclusie

De bouw duurde iets meer dan twee maanden (9 weken) en kostte 296 karolus gulden waarvan maar liefst 84 gulden bestemd waren voor de aanschaf van de molenstenen. Toch zal de rentmeester van dat grote bedrag niet lang wakker hebben gelegen; het molenrecht was immers één van de meest lucratieve inkomsten voor de Brabantse heren (cf. Damen 2022). In het geval van de Wouwse westmolen, kreeg de heer van Bergen op Zoom elk jaar zo’n 28 pond Brabants pacht voor de molen (ongeveer 112 Karolus gulden). De investering was dus snel weer terugverdiend.


Nawoord over locatie

De locatie van de middeleeuwse Wouwse westmolen komt waarschijnlijk overeen met de locatie van de huidige molenberg waarop ook nu nog de vroeg-negentiende-eeuwse korenmolen “De Arend” (1811) staat. Daarvoor, vermoedelijk in de dertiende eeuw nog, zal er een molen tussen Wouw en de Ouwburg (hoogmiddeleeuwse kasteellocatie) in hebben gestaan. We mogen dit aannemen omdat in het Wouwse cijnsboek van 1758 een oude veldnaam molenberg aan de zuidwaartse weg naar de Ouwburg staat ingetekend (ARR Boz inv. 1347, f. 120r).

Heerlijksheidskaart H. Adan 1758; het rechthoekige roodomlijnde blok linksonder werd in 1758 “Molenberg” genoemd met twee oude woonpercelen ten westen daarvan (toen bos). Het kleine roodomlijnde blok daar rechtsboven is de huidige Molenberg.

bibliografie

Archieven van de Raad en Rekenkamer van de Markiezen van Bergen op Zoom (= ARR Boz), inv. 954, Rekening van de rentmeester van Wouw, Moerstraten, Steenbergen, Roosendaal en Nispen, 1524/1525-1533/1534

ARR BoZ, inv. 1347, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw , 1758

Damen, Mario (2022). “The counts of Nassau and the Performance of Lordship in Late Medieval Brabant”. in: Communities, Environment and Regulation in the Premodern World, ed. by Claire Weeda, Roert Stein & louis Sicking, CORN Publications Series 20, 233-262.

Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 (= ONB) II; de heerlijkheden Breda en Bergen op Zoom, tweede stuk (1289-1312), M. Dillo, G.A.M. van Synghel & E.T. van der Vlist eds., Rijks geschiedkundige Publicatiën uitgegeven door het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Den Haag.

Hoe klonk Johan de Witt? Reconstructie van het Zeventiende-Eeuwse Nederlands

Niet iedereen weet dat de historische taalkunde vrij nauwkeurig kan bepalen hoe het Nederlands van de zeventiende eeuw geklonken moet hebben. Om de taal en tekst van de zeventiende eeuw dichter bij het grote publiek te brengen, hebben Ineke Huysman (Huygens ING) en ikzelf een podcastaflevering gemaakt over het gesproken Nederlands van driehonderdvijftig jaar geleden aan de hand van het reisjournaal (1645-1647) van de gebroeders de Witt. De reisaantekeningen van Johan de Witt worden hierin voorgelezen met de authentieke klanken van toen.

Podcast

In de podcast bespreken wij de Grand Tour van de gebroeders de Witt, de tegenstellingen tussen de correspondentietaal van Johan de Witt en de taal van zijn reisaantekeningen, de gekunsteldheid van het geschreven zeventiende-eeuwse Nederlands en hoe wetenschappers desondanks toegang kunnen krijgen tot de alledaagse uitspraak van toen. De podcast is hier te beluisteren.

YouTube

Daarnaast hebben wij een YouTube-filmpje gemaakt waarin een kleine selectie van De Witts reisaantekeningen in woord en beeld te volgen zijn. De lezer met archief-ervaring kan zo zelf meelezen met de handgeschreven aantekeningen van Johan de Witt in hoogsteigen persoon!

Terug in de tijd naar de Zeventiende Eeuw

Tot slot wil ik nog even benadrukken dat dit de eerste keer is dat het zeventiende-eeuws Nederlands met de oorspronkelijke klanken (die wel iets van het Zuid-Afrikaans wegheeft) aan het grote publiek wordt gepresenteerd. We hopen dat het zo een positieve rol kan spelen in de algemene interesse in Johan de Witt en de Zeventiende Eeuw en natuurlijk in de historische taalkunde. Want wie wil er nu niet terug naar de tijd van Rembrandt en Huygens en horen hoe zij gesproken hebben?

Wetenschappelijke leestips

de gebroeders de Witt op reis, illustratie Jean-Marc va Tol

Het middeleeuwse wetboek van een West-Brabants dorp

De dorpskeuren van Wouw van 1500

In dit artikel geef ik een vertaling in Modern Nederlands van het middeleeuwse wetboek van het West-Brabantse dorp Wouw. Op deze manier wil ik de lezer laten zien hoe rechtsbronnen een mooi venster op het alledaagse leven in een middeleeuwse plattelandsgemeenschap bieden. Soortgelijke bronnen zijn in veel steden (en sommige dorpen) in Nederland en Vlaanderen bewaard gebleven. Wilt u meteen door naar de vertaling, klik dan hier. Lees anders gerust door voor een inleiding op het middeleeuwse dorp, de historische bron en de middeleeuwse rechtspraktijk.


Inleiding

In de vijftiende eeuw maakte het West-Brabantse dorp Wouw een periode van relatieve welvaart mee. Het was rustig in het land van Bergen op Zoom; de heer van Bergen liet zijn Wouwse kasteel, toentertijd “thof van Wouw” geheten, uitbouwen tot modern militair steunpunt en comfortabele woning. Ook de religieuze topografie van de heerlijkheid werd in deze eeuw uitgebreid: stenen kapellen verrezen in de Wouwse gehuchten Zaafsel, Vinkenbroek en Vroenhout en memoriekruizen bij de Hoge Braak en de Vroenhoutseweg.

kasteel van Wouw opgenomen in een schets van Hans Bol uit 1579

Wat betreft de omvang van de bebouwing was het middeleeuwse dorp op zijn pre-industriële hoogtepunt. De dorpskom bestond in deze periode uit het ommuurde kerkhof met de parochiekerk, daarnaast de woning van de pastoor met bijbehorende tuin en boomgaard, het marktplein met waterput en drenk en enkele tientallen huizen ten oosten van het plein en aan de doorlopende steenweg. Niet ver van de dorpskom lagen dan weer enkele grote hofstedes zoals de Bulk-hoeve, de hoeve Smallebeeke en het stenen huis te Spellestraat.

pre-kadastrale kaart van H. Adan van Wouw uit 1758

De bekroning van de Wouwse vijftiende-eeuwse welvaart was zonder twijfel het besluit om de parochiekerk op grootse wijze uit te breiden. Tussen 1480 en 1520 verrees een gigantische kruisbasiliek in Kempense stijl met hoge bakstenen toren die de oudere kerk verving die daar mogelijk al eeuwen stond. Kortom: het moet de Wouwse parochianen in de late vijftiende eeuw zeker voor de wind zijn gegaan.


Gebrek aan bronnen

Maar deze welvaart zou niet aanhouden. In de zestiende eeuw werd de streek geteisterd door de pest en de oorlogshandelingen van de Tachtigjarige oorlog. In de jaren 1580 sloeg de bevolking op de vlucht en stond het dorp vele jaren leeg. Mede hierdoor is er weinig middeleeuwse administratie uit Wouw bewaard gebleven: slechts één schepenprotocol uit de jaren 1507-1511 en een schepenbrief uit 1483.[1] Uit een Bergen-op-Zooms belastingregister van 1424 zijn ook nog wat gegevens te putten maar de meeste hiervan hebben betrekking op het buitengebied en niet op de dorpskom.[2]

Aanvullende informatie bieden de Antwerpse schepenregisters waarin rijke Antwerpenaren hun Wouwse bezittingen lieten registreren. Zodoende weten we dat zich in het dorp een brouwerij bevond die ‘Scholland’ heette en twee herbergen stonden met de namen ‘de Vos’ en ‘de Leeuw’. Herberg ‘de Vos’ stond ten oosten van de markt aan de steenweg (op de plek van het Chinese restaurant) en herberg ‘de Leeuw’ bij het ommuurde kerkhof (op de plek van de nieuwe pastorie).

Ook staan in de Antwerpse schepenaantekeningen tientallen Wouwse dorpspercelen met hun namen en perceelafmetingen genoteerd. Deze informatie kan gedeeltelijk aangevuld worden aan de hand van een schotboek van omstreeks 1560.[3] Door te puzzelen met deze kleine brokjes informatie kunnen we ons toch een beeld vormen van de bebouwing in en rondom de vijftiende-eeuwse dorpskom.


De dorpskeuren van het land van Bergen

De Wouwse dorpskeuren laten ons weer een andere kant van het middeleeuwse dorp zien. De heer van Bergen op Zoom liet in het jaar 1500 deze dorpskeuren in een officiële brief vastleggen. Dat deed hij niet alleen voor Wouw maar ook voor de heerlijkheden Hildernisse, Woensdrecht, Putte, Ossendrecht, Moerstraten en Borgvliet.

De Wouwse dorpskeuren zijn opgetekend door de dienstdoende secretaris Goort Anthonissen, klerk van de Bergse raad en rekenkamer van 1485 tot 1507. Doordat de Wouwse keuren vaak woordelijk overeenkomen met de dorpskeuren van Borgvliet en Hildernisse (historisch dorpen ten zuiden van Bergen op Zoom) is het waarschijnlijk dat de drie brieven kort na elkaar ontstaan zijn. De originele Wouwse brief is jammer genoeg niet bewaard gebleven. Mogelijk is dit document omstreeks 1514 in een brand op de Wouwse vierschaar verloren gegaan.[4] Gelukkig stond de inhoud van deze brief ook in het ‘principale bruecboec’ (= algemene boetenboek) van Wouw geschreven zodat omstreeks 1522 de Wouwse rentmeester Erasmus Govaert Schuijten een kopie van de tekst kon maken.

Zoals boven vermeld, vertonen de Wouwse dorpskeuren een grote affiniteit met andere dorpskeuren uit het land van Bergen. Verrassend is echter dat de boetelijst in de dorpskeuren van Borgvliet en Hildernisse een stuk uitgebreider zijn dan hun Wouwse tegenhanger. Het is niet helemaal duidelijk hoe we dit moeten verklaren. Het is mogelijk dat Erasmus Govaert Schuijten de tekst van de Wouwse brief heeft ingekort maar het is wellicht waarschijnlijker dat voor Wouw een minder uitgebreide boetelijst was voorzien om zodoende niet teveel afbreuk te doen aan het gezag van de Wouwse schepenbank. Uit de kopie van Erasmus wordt duidelijk dat Wouw al geruime tijd vóór 1500 een eigen rechtsadministratie bijhield waarin een deel van het plaatselijke gewoonterecht stond vastgelegd.


Een nieuwe uitgave

De tekst van de brief met de Wouwse dorpskeuren is in 1916 door W. Moll uitgegeven in het mededelingentijdschrift van de “Vereniging tot de uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsche recht”. In deze editie staan de dorpskeuren van meerdere heerlijkheden van het platteland van Bergen op Zoom afgedrukt. Jammer genoeg is deze editie niet foutloos en is het meer dan honderd jaar oude mededelingentijdschrift tegenwoordig niet makkelijk te raadplegen. Daar komt bij dat de laat-vijftiende-eeuwse taal van de tekst niet voor iedereen toegankelijk is. Daarom leek het me een goed idee om het handschrift opnieuw te transcriberen en de tekst in modern-Nederlandse vertaling aan te bieden.


Venster op een middeleeuws dorp

Het belang van deze bron voor de lokale geschiedschrijving is evident. Een bloemlezing uit de Wouwse strafbepalingen vinden we in een artikel over het middeleeuwse dorp uit 1979. In dit artikel merkt Van Ham terecht op dat de bron een prachtig inkijkje in de vijftiende-eeuwse handel en wandel van het dorp biedt. Zo bevat de tekst bepalingen over alledaagse gebeurtenissen zoals scheldpartijen en herbergruzies maar ook grove misdrijven zoals doodslag en verwondingen. Aangrijpende materie dus.


Herbergruzie, Gerard ter Borch 1675

Laat-middeleeuws recht

Tot slot nog enkele woorden over de rechtsgang. Recht werd gesproken in de vierschaar op het marktplein, aanvankelijk in de open lucht, later in een “dinghuys” (voor het eerst genoemd in 1525). De rechtbank bestond uit het college van schout en schepenen met een dienstdoende klerk die de getuigenissen en gepasseerde aktes registreerde.

Uit het enige overgebleven Wouwse schepenprotocol (uit de jaren 1507-1511) leren we dat het merendeel van de rechtszittingen over verpachtingen, erfenissen en onroerendgoedtransacties ging. Toch kwamen van tijd tot tijd ook geweldsdelicten voor de rechtbank.

Zoals ik al zei, spelen deze geweldsdelicten een grote rol in de Wouwse dorpskeuren. Dat hoeft niet te verbazen want ze vormden een wezenlijk gevaar voor de stabiliteit van de dorpsgemeenschap. Een herbergruzie waar klappen vielen of steekwapens werden getrokken, kon namelijk makkelijk tot een vete escaleren. Vetes waren moeilijk te beteugelen omdat wraakneming die eerherstel tot doel had door veel leden van de dorpsgemeenschap als rechtvaardig werd gezien.

Om deze reden probeerde de lokale overheid dergelijke geweldsdelicten met hoge boetes en compensatiebedragen te ontmoedigen. De boetebedragen in de Wouwse dorpskeuren zijn gegeven in “oude schilden” en “oude groten”, rekenmunten die we geregeld in de middeleeuwse bronnen van West-Brabant tegenkomen. Het gaat hier om behoorlijke bedragen aangezien het dorpse geldverkeer meestal stuivers betrof.


Inhoud (f. 2r-5v)

Statuten en overeenkomsten, keuren en strafbepalingen opgesteld in enige artikelen zoals men ze voortaan in acht zal nemen binnen de vierschaar van Wouw en waarnaar de schout en schepenen van deze vierschaar eenieder zullen vonnissen en recht zullen spreken.

Eerst dat men vanaf nu in Wouw elke twee weken een rechtsdag zal houden die plaats zal hebben op zaterdagochtend. In de zomer zal de rechtsdag plaats hebben om acht uur en in de winter om negen uur, meer precies van Pasen tot Sint-Baafs-mis om acht uur en van Sint-Baafs-mis tot Pasen om negen uur. Op deze rechtsdag moeten de schout en schepenen in de vierschaar aanwezig zijn om de procederende partijen met een uitspraak recht en vonnis te doen zoals ook in andere plaatsen gebeurt waar men elke twee weken de rechtsdag houdt. Met dien verstande dat zij die gedaagd zijn en zich niet vertonen voordat de schepenen de zitting openen beboet zullen worden. Beide partijen, zowel de beschuldigende als de verwerende partij, moeten voor het gerecht aanwezig zijn vóór tien uur op straffe van het betalen van twee stuivers, één voor de kerk en één voor het gerecht, ter vergoeding van de gemaakte kosten.

Verder dat men niet langer dan drie jaar een bewijs-eed kan afleggen op schepenbrieven, schepenverklaringen of registers.

Verder over de bekendmaking van het verkopen van een erf, huis en hof dat het vanaf nu verplicht is om de drie bekendmakingen openbaar op gelijke wijze in de vierschaar te doen zodat de familieleden vanwege hun verwantschapsrechten de verkoop kunnen volgen als zij dat willen. De verkoper moet elke keer als hij een hof verkocht heeft naar de klerk gaan en laten registreren dat hij alle drie bekendmakingen over zijn erf, huis en hof heeft gedaan en daarvoor zal de klerk een oortstuiver krijgen.

Verder als iemand die in Wouw voor een misdrijf of een schuld veroordeeld is voor zijn straf wegvlucht en als hij in een andere plaats binnen het land van Bergen aangetroffen en aangehouden wordt…  

…is het besloten dat men hem op die plek waar men hem aantreft zal berechten op die manier zoals ook in Wouw zou zijn geschied of zoals men zou doen als men hem aantrof op de plek waar hij veroordeeld was. Zo zal men ook in Wouw die personen behandelen die in andere plaatsen van het land van Bergen veroordeeld zijn.

Verder dat er vanaf nu in Wouw een onderbreking van de rechtspraak zal zijn die half juni begint en de hele augustusmaand zal duren. In deze periode mag men niemand voor het gerecht brengen of dagvaarden.

Verder dat de getuigen en kennissen die men in de rechtbank wil horen in het openbaar voor de rechtbank hun eed zweren terwijl beide partijen aanwezig zijn. En nadat de reputatie van beide partijen gehoord is, moeten zij naar de gezworen klerk gaan en daar vooraf hun getuigenis en verklaring op laten schrijven. Aan het einde zal men deze getuigenis openbaar voorlezen voor de schepenen en dan zal de schout hun eed in herinnering roepen. Op geen andere manier zal een  verklaring en getuigenis ontvankelijk zijn voor de rechtbank. Hiervoor zal de klerk voor elke getuigenis een geldbedrag krijgen naar goeddunken van de schepenen tenzij de schepenbank van mening is dat de zaak zeer klein en niet schrijvenswaardig is; dan zal de zaak onbeschreven blijven.

Verder dat alle getuigenverklaringen en geloftes, hetzij van nalatenschappen, bemiddelingen, uitspraken, erfenissen, overdrachten, rentes, geldschulden of wat voor zaak dan ook die voor de schepenbank gepasseerd moet worden of waar de schepenen hun oordeel over zullen uitspreken, in de eerste plaats beschreven en geregistreerd moet worden door de gezworen klerk en door niemand anders. Nadien mogen geen geloftes te boek worden gesteld. En daarvoor zal de klerk hetzelfde bedrag als loon krijgen als voor gelijke zaken van oudsher gewoonlijk was.

Hierna volgen de vergrijpen en geldstraffen

  1. Wie een ander met een dolk, met een mes of met een piek steekt, die verbeurt daarvoor een hand of tien oude schilden.
  2. Verder, wie een ander een dergelijke houw geeft of slaat met enigerlei wapen of wat dan ook zodat de botten uitsteken of er verminking is, die verbeurt zeven en een halve oude schilden.
  3. Verder voor het trekken van een mes; drie oude schilden.
  4. Verder voor het ten aanval richten van een piek of een vork met kwade wil of een ander dergelijk wapen, verbeurt drie oude schilden.
  5. Verder voor wie een ander laat bloeden met behulp van een stok waaraan ijzer is bevestigd; twee oude schilden.
  6. Verder voor het spannen van een boog; twee oude schilden.
  7. Verder voor wie ook een pijl op de boog heeft gelegd; drie oude schilden.
  8. Verder voor als er geschoten is met een boog maar niet geraakt is; vijf oude schilden.
  9. En als men geraakt heeft zodat het bloedt, verbeurt hij een hand of tien oude schilden.
  10. Verder voor als er een hoofdwond geslagen is waar geen beenderen uitsteken met behulp van een hamer of een geslepen wapen; drie oude schilden.
  11. En als er een hoofdwond geslagen is met een stok of een houten wapen zonder ijzer; één oude schild.
  12. Verder voor het tegenspreken van een schepen; vier oude schilden.
  13. Voor een vuistslag zonder verminking of bloeding; vijf oude schilden.
  14. En als het bloedt; tien oude groten.
  15. En op zelfde manier als er met een stok geslagen is zonder verminking of zonder bloed; tien oude groten.
  16. En als het bloedt; twintig oude groten.

  17. Verder voor het begaan van een onnozele geweldsdaad; twee oude schilden.
  18. Verder voor het begaan van een hoogmoedige geweldsdaad; tien oude schilden.
  19. Verder, wie de beesten van de schutter wegjaagt; tien oude schilden.
  20. Verder, wie om een erfenis een rechtszaak begint maar in het testament genoemd wordt; vier oude schilden.
  21. Verder, wie een ander mishandeld heeft in een schermutseling die wordt door de heer verplicht een wapenstilstand af te kondigen binnen vierentwintig uur, tenzij afgezien wordt van wraakneming of de verzoening is voltooid. In het geval hij niet binnen vierentwintig uur een bestand durft af te kondigen of hij het niet doet, verbeurt hij voor elke dag dat er geen wapenstilstand is één oude schild tot die tijd dat het bestand er wel is of totdat de verzoening is voltooid. Bij het in gebreke blijven van de verdachte, te weten dat hij geen bestand heeft afgekondigd, zullen de vrienden en de verwanten van de misdadiger de wapenstilstand mogen afdwingen. Als het bestand er is, zal het zes weken duren. Aan het einde van de zes weken moeten de beide partijen opnieuw bij elkaar komen om het bestand te hernieuwen en het bestand zal opnieuw zes weken duren. En op deze manier elke keer weer zes weken wapenstilstand tot de verzoening tot stand is gekomen op het verbeuren van de voornoemde geldboete….


    …en als de verzoening gemaakt wordt moeten beide partijen bij de schout en schepenen komen en de verzoening bekend maken met de bedoeling dat de schout en schepenen het bestand opheffen. De schout moet dit in de naam van de landsheer en volgens het recht van de landsheer doen. De klerk zal dat bijhouden en iedere keer een halve stuiver krijgen van de zijde van de misdadiger.
  22. Verder voor wie een wapenstilstand driemaal weigert en hij daar met getuigen toe is opgedragen, die zal verbeuren tien oude schilden.
  23. En als hij volhoudt in de weigering geen wapenstilstand te willen dan kan de landsheer hem gevangen nemen en gevangen houden tot die tijd tot dat het bestand gegeven zou zijn en hij tien oude schilden heeft betaald en de vijandschap zal niettemin als nog in alle manieren beëindigd zijn alsof het bestand afgekondigd zou zijn.
  24. Verder wie in eigen persoon een wapenstilstand verleent en datzelfde bestand breekt en opnieuw wraak neemt terwijl hij goed weet dat er een bestand van kracht is, die verbeurt lijf en goed.
  25. Verder voor doodslag, moorddadige brandstichting, verkrachting van vrouwen en dergelijke zaken; lijf en goed.
  26. Verder wie een huis of erf verkoopt of enige rente schenkt maar de lasten verzwijgt; tien oude schilden.

  27. Verder als enige vrouwen in het openbaar naar elkaar hebben geschreeuwd en elkaar hoer of dievegge of andere woorden van die strekking hebben genoemd, die moeten, langs dezelfde route waarlangs de schout en schepenen de inspectie van wegen en wateren doen, de boetesteen ronddragen of verbeuren anders één oude schild.
  28. Verder wie overdag huisvredebreuk begaat; twintig oude schilden.
  29. En als hij het ’s nachts doet, dat wil zeggen voor de zon opkomt en nadat de zon is ondergegaan, die verbeurt een hand of zestig oude schilden.
  30. Verder wie iemand met een kwade wil uitdaagt om zijn eigen huis te verlaten om zodoende met hem te kunnen vechten verbeurt vijf oude schilden als het voorval overdag plaats heeft.
  31. En ‘s nachts tien oude schilden.
  32. En als degene die uitgedaagd zou zijn naar buiten komt en bovendien op zo’n manier dat hij klaar voor de strijd is, zal hij verbeuren één oude schild.
  33. En als zij allebei gewond raken zo zullen zij allebei de boete betalen die voor deze verwonding geldt, bovenop de voornoemde boete.
  34. Verder, wie in een herberg gaat drinken en weggaat zonder te betalen en de waard of waardin daar over geklaagd hebben, die zal verbeuren aan de heer één oude schild.
  35. En de heer zal aan de waard of waardin het verschuldigde bedrag doen toekomen door het van de desbetreffende persoon in beslag te nemen en hem daarvoor gevangen te zetten.
  36. Verder van wie vastgesteld wordt dat hij een ‘brandereel’ (wapen met loden bal) bij zich draagt of een ander dergelijk moordwapen…


    …van wat voor materiaal of soort dan ook, die zal verbeuren tien oude schilden.
  37. Verder voor wie in een ruzie of gevecht één van de voornoemde wapens naar iemand anders gooit maar hem niet raakt, die verbeurt vijftien oude schilden.
  38. En als hij iemand, zoals boven reeds gesteld is, wel raakt maar diegene daar niet aan stierf, verbeurt hij een hand of twintig oude schilden.
  39. Verder wie hout snoeit van iemands groeiende eikenboom zal hij drie oude schild verbeuren voor elk stuk hout en van dat bedrag zal degene die aangifte heeft gedaan een vierde hebben.
  40. Verder wie hout snoeit van een ander soort groeiende boom, niet zijnde een eikenboom, wat voor soort dan ook, die zal twee oude schild verbeuren voor elk stuk hout en degene die aangifte heeft gedaan zal een vierde hebben.
  41. Als iemand aangetroffen wordt in iemand anders’ bosschage of bos en daar de volgende dingen gedaan heeft, te weten het snijden van bezemhout of het snijden van hout van gevelde bomen, evenals het zelf snoeien van bomen voor het gebruik van meitakken of andere takken, van wat voor hout dan ook. Hetzelfde geldt voor het leegplukken van iemands bomen en voor het nemen van rapen, appelen, fruit, peulen, erwten of soortgelijke vruchten. Wie één van deze dingen gedaan heeft, zal verbeuren één oude schild en zal bovendien altijd de schade aan de eigenaar moeten betalen. Van dit bedrag krijgt degene die aangifte heeft gedaan een vierde.

  42. Verder wie hazen en konijn vangt, hetzij met honden, hetzij met fretten, hetzij met netten, die zal verbeuren volgens de oude bepalingen, die in vroegere tijden gemaakt en uitgevaardigd zijn, het boetebedrag dat daar aangegeven en toegelicht staat.
  43. Verder in het geval dat er vergrijpen of rechtsfeiten binnen de voornoemde vierschaar plaatsvinden waarvan de strafbepaling niet boven verklaard staat, zullen de schepenen oordelen en corrigeren aan de hand van de voornoemde stukken of naar hoe zij menen dat het juridisch volgens de voornoemde stukken zou moeten gebeuren.

Aldus opgemaakt en gesloten op de negende dag van februari in het jaar van onze heer 1499 volgens het gebruik van het hof van Brabant, ondertekend door Goort Anthonis.

Deze kopie is gemaakt uit het principale vergrijpbroek en de strafbepalingen komen uit dat boek en zijn daar op deze manier aangetroffen door mij meester Erasmus Goort Schuiten

Dankbetuiging

Dank aan Joey Spijkers voor paleografische ondersteuning.

Bibliografie

ARAA = Ancien Régime Archief van de stad Antwerpen, Schepenregisters, inv. SR (= Schepenregister) 31, Schepenregister 1424.

ARR BoZ (= Archieven van de Raad en Rekenkamer van de Markiezen van Bergen op Zoom), inv. 432, “Keuren”, ordonnanties regelende het bestuur en de rechtspraak in Borgvliet, 15e eeuw.

ARR BoZ, inv. 1338, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw, met de gehuchten onder Roosendaal, Kruisland en Langendijk.

ARR Boz, inv. 1342, Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw.

AW = Archief van het dorp Wouw, inv. 1584, Schepenbrief van Jan Thonissen, Antonius Joossen, Jan Willems en Wouter Clais, schepenen van Wouw, waarbij Cornelis Sitters op Spuijtendonck en Margriete, zijn vrouw, voor de Armen van Wouw een erfrente van twee veertelen rogge vestigen op enige percelen onder Zaafsel, 1483.

Bakx, R., G. Haast, R. Hermans, K. Hoendervangers. (2012). Het kasteel van Wouw. Gemeentearchief Roosendaal, Roosendaal.

Van Ham, W.A. (1979). ‘Dorp en dorpsleven in middeleeuws Wouw’. In: De Heren XVII van Nassau Brabant; publikaties van het archivariaat “Nassau-Brabant”, 315-336.

Moll, W. (1916). ‘Middeleeuwsche rechtsbronnen van het platteland der Heerlijkheid Bergen op Zoom’. in: Verslagen en mededeelingen van de vereniging tot de uitgaaf der bronnen van het Oud-Vaderlandsche Recht, 7e dl. no. 1, blz. 11-150.

RAW = Rechterlijk archief Wouw, inv. 1, Schepenprotocol 1507 (1 jan)-1511 (9 oktober).


Voetnoten

[1] RAW inv. 1 & AW inv. 1584.

[2] ARR BoZ inv. 1338. Deze bron bevat duizenden namen van vijftiende-eeuwse Wouwenaren maar biedt geen beschrijving van het middeleeuwse dorp. Slechts zelden komen we in het register perceelafmetingen en perceelsnamen tegen.

[3] ARR BoZ, inv. 1342. Dit schotboek is vermoedelijk meegenomen door de op de vlucht geslagen schepenen en bestaat uit een ongebonden legger met losse papieren bladen vol belastingafdrachten.

[4] Dankzij een Antwerpse schepenaantekening weten we dat rond dit jaar een gedeelte van de Wouwse administratie in “de brant tot Wouwe” verloren zijn gegaan. In deze aantekening wordt vermeld dat de schout van Wouw, Symoen Jansz. alias de Sluijter, in 1514 in Antwerpen kopieën van schepenbrieven mb.t. Wouwse transacties liet maken (ARR, inv. SR 31, f. 478v).

Gevecht in de herberg van Heerle in 1610

soldaten voor een herberg door Jan Martszen de Jonge 1633

Inleiding

In het rechterlijk archief van Wouw (West-Brabant) bevindt zich een vroeg-zeventiende-eeuws processtuk dat een handgemeen tussen de drossaard (Cornelis de Peeters, de zeventiende-eeuwse politiechef) en de valkenier (een soort van jachtopzichter) beschrijft.[1] Dit processtuk kwam ik toevallig tegen en was zo saillant dat ik het de lezers van dit blog niet wilde onthouden.

De schermutseling vond plaats bij de herberg van Goort Corneliszoon Bollaerts, een landeigenaar met bezittingen in Heerle (het dorpje naast Wouw). Zijn herberg stond waarschijnlijk aan het noordeinde van Heerle (voorbij buurtschap de Hazelaar) aangezien Goort daar zijn hofstede had.[2]

We hebben weet van de schermutseling dankzij een verklaring die door Dinge Willems, de barvrouw van de herberg, voor de Wouwse schepenbank was afgegeven. In de volgende alinea’s heb ik de inhoud van het archiefstuk naar modern-Nederlands hertaald en in een minder ambtelijke stijl proberen weer te geven.


Inhoud

“Op een koude januaridag in het jaar 1610 kwamen twee heerschappen de herberg van Goort Cornelis Bollaerts in Heerle binnen. Een van de heren had een lang geweer bij zich.

 Eenmaal in de herberg, gingen de twee de trap op naar de kamer van Goort Bollaerts waar zich een zekere Gabriel bevond. De arme Gabriel werd door de mannen naar beneden gesleurd en op een bankje bij het vuur geplaatst. Deze heerschappen waren Evert de valkenier en Jacques Andriessen de vorster, de eerste een jachtopziener, de tweede een gerechtsdienaar van het Wouwse gerecht.

Nadat Gabriel beneden was neergezet, ging Jacques weg. Jacques wilde kennelijk niet verder bij de zaak betrokken zijn en vond dat Evert het verder zelf wel af kon. Toen de moeder van Gabriel, die ook in de herberg woonde, het kabaal hoorde, kwam ze van haar kamer en bood Evert aan borg te staan voor haar zoon. Zo was Evert er zeker van dat Gabriel er niet van door kon gaan.

Goort Bollaerts, de schoonvader van Gabriel en de eigenaar van de herberg, was niet blij met de huisvredebreuk en was van plan de drossaard te halen. Hij ging naar buiten om te kijken of hij de drossaard toevallig kon zien maar wellicht vanwege het koude januariweer bedacht hij zich snel. Hij kwam de woning weer binnen en nam de voornoemde Evert terzijde om de zaak te bespreken.

Wat er ook besproken werd, de discussie liep uit de hand. Ze kregen ruzie en Evert ging woedend de gelagkamer weer in. Goort besloot dat het nu toch echt tijd was de drossaard er bij te betrekken. Hij zette zich schrap voor de koude en vertrok naar de Ridderhoek aan de noordkant van Wouw waar de drossaard, niet ver van het kasteel, zijn woning had.

Even later kwam Goort Bollaerts weer terug bij de herberg met de drossaard en een van zijn knechten op sleeptouw. De drie heren kwamen de woning binnen. Het gezelschap in de gelagkamer keek bezorgd. Het gezicht van de drossaard stond op onweer. “Wat is er aan de hand,” gromde de drossaard naar Evert. Evert antwoordde dat hij Gabriel betrapt had op het vangen van kippen. “Wat gaat jou dat aan?” vroeg de drossaard. Evert antwoorde dat hij belast was om hier op toe te zien en toonde hem daar een bewijs van. “Wat wil je nu van Gabriel dan?” vroeg de drossaard. “Zestig gulden!” was het antwoord van Evert.

  Wat volgde was een heftige discussie waarin veel kwade woorden over en weer werden geslingerd. De drossaard besloot om het vuurwapen van Evert te confisqueren. Evert zei tegen de drossaard: “Ge blijft er van af! Ge hebt er geen recht op!” De drossaard antwoordde: “waar heb ik geen recht op?” en trok het wapen uit Everts handen om vervolgens met de kolf van het wapen naar hem te slaan. Meer geschreeuw volgde. De drossaard zette het vuurwapen buiten Everts bereik in het hofje. Daarna wilde de drossaard Evert de herberg uit hebben en beval hem naar buiten te gaan om (letterlijk) af te koelen maar Evert had daar totaal geen oren naar. De drossaard trok toen zijn zwaard en sloeg Evert ongenadig hard met het botte eind.

Zo werd Evert naar buiten gejaagd maar niet lang daarna kwam hij weer binnen om opnieuw om zijn vuurwapen te vragen. De drossaard riep toen luid: “Nu heb ik er genoeg van!” en beval zijn knecht om Evert hardhandig de herberg uit te gooien.”

Epiloog

Hier houdt het verslag van Dinge Willems op. Ik heb tot nu toe geen andere dossierstukken die met de zaak samenhangen kunnen vinden zodat veel van de toedracht ongewis blijft. Waar had bijvoorbeeld de vermeende diefstal plaats gehad? Op het erf van de woning van Goort Bollaerts? Dat lijkt onwaarschijnlijk aangezien Goort de schoonvader van Gabriel was en Gabriel kennelijk bij hem in de hofstede woonde. Was Gabriel door de valkenier op de domeinen van de heer van Bergen op Zoom gezien of was er wellicht een andere reden waarom hij gearresteerd was?

Persoonlijk stel ik me zo voor dat er meer aan de hand moet zijn en dat het een privézaak tussen Evert en Gabriel betrof. Daar komt bij dat bovenaan het stuk de woorden “op seekeren moetwil bedreven bij evart den valckenier ten huijse van Govaert Cornls Bollt” staan. Het oude woord “moetwil” betekende zoveel als willekeur. Dat er willekeur van de valkenier in het spel was, zou ook verklaren waarom Jacques Andriessen na de arrestatie zo gauw mogelijk de herberg weer verlaat en de drossaard geen medewerking aan de zaak wil verlenen. Hoe het ook precies in elkaar zat, zonder aanvullende archiefstukken is de ware toedracht niet meer te achterhalen.


Dankbetuiging

Dank aan Susan Suèr (Erfgoed Leiden) voor haar opmerkingen en raadgevingen over de inhoud van het processtuk


Voetnoten

[1] West-Brabants Archief (= WBA), Rechterlijk Archief Wouw, inv. 115, Evert de Valckenier.

[2] WBA, Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom (= ARR BoZ), inv. 1345 Legger van cijnsplichtige personen of van in cijns uitgegeven percelen van Wouw, ca.1609-ca.1650, f. 225r.

De hofstede van Goort Bollaarts lag volgens deze legger ten westen van de weg en besloeg 8 gemeten bouwland (34000 m2). Verder bezat Goort percelen bij Altena en ten westen van de waterloop Running. Uitgaande van de heerlijkheidskaart van 1758 vermoed ik daarom dat de hofstede/herberg niet ver van de kruising van de “Ouweherenbaan” naar Altena met de sHeerenstraat (de Herelsestraat) lag.

Brabantse bandieten

Op Netflix is nu de Vlaamse serie “de Bende van Jan de Lichte” te zien waarin het leven van een groep Brabantse bandieten omstreeks 1740 centraal staat. Omdat de serie niet bijzonder goed is, hier een blogartikel over echte bandieten in Brabant, gebaseerd op archiefonderzoek uit 1989.

In de scriptie “Hanghen tusschen Hemel ende Eerde” van W.F.L. Reijnders worden de doodsvonnissen van de schepenbank van Wouw (een heerlijkheid tussen Bergen op Zoom en Roosendaal) tussen 1616 en 1803 besproken. Vaak betreft het zwervers, deserteurs en bandieten die met diefstallen en berovingen in hun levensonderhoud voorzagen.

ter oriëntatie, hier een kaartje dat laat zien waar Wouw eigenlijk ligt

Van de Wouwse schepenbank zijn 250 procesdossiers overgeleverd: De verdachten waren door de drossaard (een soort van politiechef) gearresteerd en vaak op de pijnbank tot een bekentenis gedwongen. De drossaard formuleerde een strafeis waarna de schepenbank rechtsprak.

Vooral wanneer de zwervers van buiten Staats-Brabant kwamen, werd tot de doodstraf besloten (in 18 van de 250 processen). De scherprechter van Bergen op Zoom voerde de terechtstelling uit op het marktplein, tegenover de vierschaer (het raadhuis), waar voor zo’n gelegenheid een halve galg was getimmerd.

De verschillende kwartieren van de heerlijkheid (Spellestraat, Wouwse Hil, Oostelaar etc) leverde 80 manschappen voor een burgerwacht die een afzetting rond het schavot vormden. Na de executie werd het lichaam per kar naar het galgenveld vervoerd en daar ten toon gesteld. In de middeleeuwen stond er een gerechtsplaats bij de Wouwse oostmolen richting Roosendaal en een andere niet ver van de Wouwse baan bij de grens met Bergen op Zoom.

“Hier hebben die van Wou iustititie gedaan” (ARR BoZ inv. 599)

Volgens de zeventiende- en achtiende-eeuwse bronnen was het gelegen “op de heide”. Achttiende-eeuwse kaarten laten zien dat daar toentertijd inderdaad een galg bij de stenen brug over de Zoom stond (vlakbij de Wouwse tol) dus ook in de vroegmoderne tijd stond de Wouwse galg kennelijk aan de baan naar Bergen.

Als voorbeeld van een interessante procesgang, hier het procesdossier van Francis de Wolf uit Brussel die in 1717 in de kraag werd gevat. Hij werd gezocht voor het doodschieten van een herbergier in Besoijen (bij Waalwijk) waarna hij op de pijnbank verscheidene andere misdrijven bekende:

  • beroving van de aanwezigen in de herberg te Besoijen
  • diefstal van lammeren in Nieuw Vosmeer
  • woningoverval in Antwerpen
  • woningoverval in Eekeren
  • winkeloverval in Antwerpen
  • diefstal van levensmiddelen en gijzeling in Stabroek
  • woningoverval in Roosendaal.

Toen hem gevraagd werd de bekentenis te ondertekenen antwoordde hij:

daartoe geen oorsaecke gehadt te hebben als wel te hebben hooren seggen, als de gevangenen teeckenen dat sij dan haer aende galgh teeckenen

(citaat uit Reijnders 1989: 42).

Het feit dat Francis in de maanden daarvoor rondzwierf en “vleselijke conversatie” had met een zekere Maria Raeff pleitte volgens de ondervragers tegen hem. Zij was volgens het dossier namelijk een “persoon vol van ondeughden en grove gebreecken“.

De eis van de drossaard loog er niet om. Francis uit Brussel zou aan een kruis worden gebonden “ende door den scherpreghter levendigh op sijn armen en beenen en voorts op sijn borst en kast met eenen eijseren kantboom” worden geradbraakt tot de dood erop volgde.

Bij wijze van alternatief stelde de drossaard voor eerst de veroordeelde de hand af te slaan en daarna op te hangen waarna de hand aan de galg zou worden genageld. De schepenbank besloot ook dit advies niet te volgen. Een gewone “ophanging” werd het vonnis.

In het dossier bevindt zich tot slot de rekening van deze executie. 39 gulden voor de bouw van het schavot, 9 gulden voor het ijzerwerk van de galg en 6 gulden voor het bier dat geschonken werd bij de ophanging. Ten slotte 48 gulden voor Hendrick Jannieck, de beul uit Bergen op Zoom.

Deze procesdossiers van de Wouwse schepenbank verschaffen een interessant beeld van hoe een kleine boerengemeenschap criminaliteit van buiten probeerde af te schrikken. Het waren nl. vooral “buitenlanders” uit Belgisch-Brabant en Limburg die zwaar werden gestraft.

Kortom; ik vond dit stukje Brabantse geschiedenis een stuk spannender dan de Netflix serie

Bibliografie

Delahaye, A. (1980). “Wouw in vogelvlucht tussen 1570 en 1813.” in: Woide…die Wouda; opstellen over de geschiedenis van Wouw, Gemeentebestuur Wouw.

Reijnders, W.F.L. (1989). Hanghen tusschen hemel ende eerde: themanummer doodstraf in Wouw, Heemkundekring De Vierschaer, Wouw (opvraagbaar in de KB)